Garantie de satisfaction à 100% Disponible immédiatement après paiement En ligne et en PDF Tu n'es attaché à rien 4.2 TrustPilot
logo-home
Resume

3BaTP Jeugddelinquentie in Perspectief DEEL 2 SAMENVATTING

Note
-
Vendu
-
Pages
63
Publié le
06-04-2025
Écrit en
2024/2025

Dit vak hoort bij het keuzetraject 'Jong Geweld'. Deze samenvatting bestaat uit 5 hoofdstukken van LISELOTTE LANCKER. Het deel van Bart Vanhoenacker is hier niet inbegrepen maar kan je apart terugvinden of bij mijn bundels om beide te krijgen voor een voordeliger tarief. Alle onderdelen zijn verwerkt aan de hand van de powerpoints en de extra teksten. Per hoofdstuk heb ik ook vermeld welke teksten ik gebruikt heb voor welk deel, indien je zelf nog informatie wenst op te zoeken. Deze samenvatting is zeer gestructureerd waarbij ik gebruik maak van foto's, schema's, kleur, ... om de leerstof beter te kunnen verwerken. De samenvatting telt 63 pagina's totaal (pagina's zijn genummerd). Ieder hoofdstuk begint steeds op een nieuwe pagina. Er is een inhoudstafel aanwezig in het begin. Inhoud: Hoofdstuk 1: 'Hoe heftiger, hoe deftiger' Hoofdstuk 2: Individu Hoofdstuk 3: Labeling Hoofdstuk 4: (niet kennen) Hoofdstuk 5: Gender en delinquentie Hoofdstuk 6: Licht verstandelijke beperking en delinquentie (Docent: Liselotte Lancker) Het is aangeraden deze samenvatting in kleur te gebruiken. Opgelet: hoofdstuk 4 was in schooljaar niet te kennen doordat zij hier geen fysiek les kon over geven. Dit kan mogelijks niet verder toegepast worden op andere schooljaren. Alvast veel succes met de examens!

Montrer plus Lire moins
Établissement
Cours















Oups ! Impossible de charger votre document. Réessayez ou contactez le support.

École, étude et sujet

Établissement
Cours
Cours

Infos sur le Document

Publié le
6 avril 2025
Nombre de pages
63
Écrit en
2024/2025
Type
Resume

Sujets

Aperçu du contenu

Jeugddelinquentie in Perspectief
Deel 2: Liselotte Van Lancker
Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: ‘Hoe heftiger, hoe deftiger’
Hoofdstuk 2: Individu
2.1 Ontwikkelingstrajecten
2.2 Ontwikkelingsdeterminanten
2.3 Risicofactoren
Hoofdstuk 3: Labeling
Hoofdstuk 4: (niet kennen)
Hoofdstuk 5: Gender en delinquentie
Hoofdstuk 6: Licht verstandelijke beperking en jeugddelinquentie




1

,Hoofdstuk 1: ‘Hoe heftiger, hoe deftiger’
Lesdoelen:

o De verschillende ontwikkelingslijnen (fysiologisch, cognitief, psychosociaal) van de
adolescentie-ontwikkeling kennen en kunnen toepassen op een casus/situatie.
o 2 visies i.v.m. adolescentie kunnen duiden, herkennen en beargumenteren.
o Eigen mening i.v.m. impact adolescentie op ontwikkeling kunnen beargumenteren
(stelling, krantenartikel).
o Link tussen puberteit en adolescentie en gedragsproblemen kunnen duiden.

1. Wat is typisch voor de adolescent?
Tekst: “1 Wat is
Heersende beeld over de jeugd: hangjongeren, lastig vallen, seks, geweld, drank, adolescentie”

gedragsgestoord, onverantwoord …

2 visies van adolescentie:

▪ Moeilijke periode (rebellie, chaos, conflict)
▪ Vormende periode (stabiel gedrag, voorkeuren en duidelijk maatschappijbeeld)

1.1. Adolescentie nu
1.1.1. Uitgerekte fase

Adolescentie (‘adolescere’) = opgroeien

Start: puberteit (overgang lager naar middelbaar)
Einde: overgang van school naar werk



Vroeger: eerder werken, dus fase stopte snel
Nu: meer periode van intieme relaties
verkennen

Fase is dus nu uitgerekt en dit heeft met
verschillende zaken te maken: belangrijker om
verder te studeren, aansturing tot verkennen,
meer welvaart, …




1.1.2. Subfasen

Omdat de adolescentie zo lang duurt, kan je opdelen in 4 subfasen: vroege adolescentie,
middenadolescentie, late adolescentie en postadolescentie




2

, Adolescentie
Puberteit


Conclusie:

Duidelijk sociaaleconomische
verschillen aanwezig

▪ Jongeren met laag
sociaaleconomische status gaan
eerder naar tertiair onderwijs en van
daar naar werk → ontwikkelen zich
dus sneller
▪ Jongeren met hoog
sociaaleconomische status doen dit
niet, en gaan later het huis uit




1.2. De moeilijke adolescentie

Ongeveer 65% ervaart puberteit en adolescentie als
moeilijkste opvoedingsperiodes.




Rousseau (18e eeuw): kind moet zo lang mogelijk kind blijven, komt anders niet goed als men
te vroeg ging opgroeien

Hall (begin 1900): adolescentie komt met storm (zichzelf verliezen) en stress (gevoeligheid
voor prikkels buitenaf), dit is biologisch

Anna Freud (20e eeuw): jongeren moeten losbreken en hebben losmakingsproblemen

Erikson (20e eeuw): bij adolescentie hoort identiteitscrisis om zichzelf te ontwikkelen

Hall zette een trend in de wetenschap waarbij veel terminologie van deze gasten heeft blijven
plakken:

▪ Generatiekloof = andere ideeën nahouden dan je ouders en volwassenen in algemeen
o Afkeer van ouders en volwassenen
o Afkeer v/d wereld van volwassenen en haar vertegenwoordigers (leerkrachten,
politici …)
o Kloof in opvattingen en gedrag tussen de generaties
o Geloof dat jongeren zich kunnen verzetten tegen deze wereld
▪ No Future = jongeren die niet geloven in een fatsoenlijke plaats in de toekomstige
maatschappij (overal, in verschillende varianten aanwezig)
o Bv. nu hoge pensioenen waardoor jongeren zelf geen deftig pensioen zullen
overhouden
o Bv. Brexit: jongeren verwijten de massale stemmen v/d ouderen omdat ze hun
van een goede economische toekomst hebben beroofd


3

, ▪ Identiteitscrisis (Erikson) = uitvinden wie je bent gepaard met twijfel en onzekerheid
▪ Psychische stoornissen = adolescentie is kritische periode bij ontstaan van psychische
stoornissen en zijn hier ook het sterkst

Jongeren gaan dit negatief beeld zelf voor een stuk integreren in zichzelf, ze identificeren zich
met de gekregen stempels.

Uitgangspunt vroeger: adolescentie is een moeilijke fase door de puberteit/hormonen → hier
mogen we niet altijd van uitgaan …

Laatste jaren: empirisch onderzoek door nood aan nuancering!

▪ Ernstige gedragsproblemen tijdens adolescentie is < 15%
▪ Bij ernstige problemen (bv. brandstichting, diefstal) is vaak VOOR en NA adolescentie
(het is duidelijk dat de problemen al waren van kinds af aan, het begint niet plots)
▪ Heftige adolescentie is niet nodig voor een stevige persoonlijkheid te ontwikkelen

Effect van puberteit op gedragsproblemen is ZWAK. Bij vroege puberteit wel predictor van
probleemgedrag (bv. meisje 8 jaar die geviseerd wordt door leeftijdsgenoten, er ouder uitzien,
aanpassing levensstijl i.v.m. anderen … men is hier socio-emotioneel nog niet klaar voor!)

Conclusie: ernstige problemen tijdens adolescentie zijn niet gevolg van puberteitsontwikkeling!

Indien wel problemen: gevolg van genetische kwetsbaarheid (bv. intellectueel minder sterk,
sociale patronen niet begrijpen, …) of ongunstige omstandigheden (bv. verwaarlozing in gezin,
school, …)?

1.3. De vormende periode

Adolescentie = periode waarin met uitzoekt wie men is en wat ze met het leven willen

Ontwikkeling van

▪ Duidelijk zelfbeeld
▪ Duidelijk beeld van zichzelf tot anderen
▪ Meer controle over emoties
▪ Minder risico’s nemen

→ problematisch gedrag gaat voorbij want de problemen zijn tijdelijk!

Verschil met vorige visie: deze is optimistisch.

Jongeren worden gelijkmatiger in hun emoties.
Het komt minder voor dat ze de ene dag
ontzettend blij zijn en de volgende dag heel
boos of verdrietig. Adolescenten leren hun
emoties beheersen.




4

,Cognitieve empathie = vermogen om ideeën/gedachten van anderen te begrijpen

Delinquentie neemt sneller toe dan cognitieve
empathie. Dus kans op risicogedrag tussen 13-
17 jaar is grootst en daarna is de rem erop
sterker.

Grijze driehoek = risicogebied



(Side note: niet iedereen heeft dezelfde hvh
cognitieve empathie, dus bij laag cognitieve
empathie zullen zij dan nog langer delinquent
gedrag stellen)

Conclusie: de moeilijke adolescentie is tijdelijk en meeste laten probleemgedrag op het einde
v/d adolescentie achterwege.
Het is een vormende periode: men leert wisselingen in stemmingen beheersen, anderen beter
begrijpen en minder delinquent worden erdoor.
Tekst: “4 De jeugd
1.4. De natuurlijke ontwikkeling van tegenwoordig”

Maar wanneer stopt de adolescentiefase? Er is verschil op juridisch-psychisch vlak? …

Waarom is dit een discussie bij de maatschappij?

▪ Verschillende ontwikkelingslijnen worden met elkaar verward (lichamelijk, affectief,
cognitief …)
▪ Bij verschillen tussen jongeren onderling wordt het gewijd aan genetische en
omgevingsverschillen (bv. dom zijn, gezin waar vader in gevangenis zit, slechte wijk …)
▪ Tempoverschillen worden over het hoofd gezien
▪ Wat met rijpingsverschillen (bv. meisjes zijn vaak sneller volwassen dan jongens, men
wordt dan verkeerd ingeschat)

3 belangrijke ontwikkelingslijnen (11/13 jaar – 24 jaar):

1) Puberteitsontwikkeling (= lichamelijke/hormonale ontwikkeling)
2) Cognitieve ontwikkeling
3) Psychosociale ontwikkeling

→ verlopen alle 3 gestaag maar niet in zelfde tempo!

Start: seksuele ontwikkeling + lichamelijke veranderingen
Stop: zelfverantwoordelijke zelfbepaling + positie in maatschappij

→ individuele maar ook culturele verschillen (bv. bepaalde rituelen om erkend te worden als
man/vrouw)

Fysiologische ontwikkeling:

Puberteit (12-16 jaar): lichamelijk – seksuele rijping
Adolescentie (16+ jaar): psychisch – zoeken naar eigen identiteit & positie

Lichamelijke veranderingen in puberteit → hormonale veranderingen (hypofyse die
groeihormoon en geslachtshormoon stimuleert)



5

, Hoe verloopt de puberteit en wat is het
1.4.1. Ontwikkelingslijn 1: puberteitsontwikkeling effect ervan op het gedrag van de puber?

▪ Lichamelijke ontwikkeling staat los van leeftijd
▪ Lichamelijke ontwikkeling heeft te maken met hormoonontwikkeling

▪ Geen relatie tussen puberteit en probleemgedrag

Tanner deed OZ naar link tussen puberteit en gedrag
Resultaat: heel grote verschillen in timing en duur v/d puberteit dan men ooit had vermoed!
(start: 8-14 jaar en duur: 2-6 jaar)

Conclusie: kalenderleeftijd is niet een geschikte maat voor puberteit

Acceleratieverschijnsel = het vroeger starten v/d puberteit bij jongens en meisjes
(bv. meisjes worden sneller groot, vroeger menstruatie beginnen …)

Oorzaken:

▪ Comfort (bv. meer gezonde voedingsopties, warme huizen …)
▪ Meer blootstelling aan seksuele prikkels (invloed op hersenen & hormonen) → bij
vroege puberteit kan je bv. nadenken bij jongeren of men thuis genoeg afgeschermd
wordt van het seksuele

1.4.1.1. Houding van de adolescent

Lichamelijke veranderingen hebben grote impact op:

▪ Zelfbeeld (bv. depressief doordat je niet even groot bent als anderen, zelfvertrouwen
door brede schouders, …)
▪ Identiteitsvorming
▪ Sociaal gebied

Geslacht Effect Gevolg
Versnelde rijping Meisjes (bv. meisje krijgt Meer aandacht van Negatieve impact
vrouwelijke vormingen oudere jongens,
op jonge leeftijd) afgunst/onbegrip/jaloezi
e van andere meisjes …
Jongens (bv. vroeg Jongens kijken op naar Positieve impact
mannelijker uitzien, hem, aandacht van
groot en breed) meisjes …
Vertraagde rijping Meisjes (bv. lang klein en Volwassenen vinden Positieve impact
fijn blijven) schattig, mensen zijn
meer meegaand …
(Opgelet: dit was vooral
vroeger, dit is nu stilaan
aan het veranderen (men
wilt sneller ouder uitzien:
make-up,
schoonheidsproducten, …)
Jongens (bv. lang klein Pestgedrag, uitsluiting … Negatieve impact
en dun blijven)




6

, 1.4.2. Ontwikkelingslijn 2: cognitieve ontwikkeling

Toename in cognitieve activiteiten:

▪ Werkgeheugen (KTG) + infoverwerking
▪ Ruimtelijk inzicht
▪ Logisch redeneren

Verschillen in timing:

▪ Onvoldoende aandacht voor in onderwijs (bv. overgang van lager naar middelbaar is
groot: planningen maken, verschillende docenten … niet iedereen is hier even snel mee
weg)
▪ Ontwikkelingsverschillen niet aanzien als stabiele intellectuele activiteiten (dus niet
dat men dom is, ze hebben gewoon meer tijd nodig/onvoltooide rijping)

METACOGNITIE ontstaat:

▪ 9 – 22 jaar
▪ Groter BWZ over eigen denken, kunnen reflecteren
▪ Toename capaciteit tot sturen van eigen leergedrag en controle
▪ Bewustwording van eigen oplossingsstrategieën
▪ Grote interindividuele verschillen in kwaliteit

→ groeit gestaag omhoog, wat verschilt van persoon tot persoon

1.4.2.1. Prefrontale cortex (PFC)

Rijping van PFC:

▪ Impulsbeheersing
▪ Probleemoplossend vermogen
▪ Oordelen

Dus bij onvoltooide rijping → risicovol & ondoordacht gedrag, impulsiviteit …

1.4.2.2. Formeel-operationeel denken

= hypothetisch/wetenschappelijk kunnen denken
= naast concreet, ook abstract denken (van “wat is” naar “wat kan zijn”)

Deze fase is niet voor iedereen even gemakkelijk om te bereiken.
Bv. Iemand die je snel voorbijsteekt op straat en daarom direct denken dat deze persoon iets
tegen je heeft. Terwijl je bij ruimer nadenken kan inzien dat deze persoon
misschien gehaast was.

Kenmerken van deze denkvorm:

▪ Experimenteel denken
o Uit een geheel van mogelijke factoren telkens afzonderlijk en
systematisch naar 1 variabel kijken om een conclusie te kunnen
formuleren

Onderzoek pendulum (Piaget): bepaling van snelheid waarmee de slinger beweegt. Hierbij
kunnen verschillende factoren veranderen, nl. lengte van koord, gewicht van object, kracht
waarmee wordt geduwd … Kinderen namen dit heel ongestructureerd aan, veranderden
verschillende factoren tegelijk aan waardoor het niet duidelijk was welkeen voor een
verandering zorgde. Jongeren nemen structuur aan en kijken factor per factor om de
7
invloeden te testen. Men is rustiger en meer doordacht.

, ▪ Gebruik van abstracte begrippen
o Meer gebruik van woorden & symbolen met puur abstracte betekenis (ze
verwijzen niet naar een concreet voorwerp/eigenschap)
o Bv. algebra en meetkunde
Bv. woorden als “economie”, “wisselstroom”, “existentieel” …
Bv. woorden met dubbele bodem: “een peertje” (= lamp en peer)
Bv. beeldspraak: “een ezel stoot zich niet 2x aan dezelfde steen”
Bv. woordspelingen: “afslanktips, daar ben je vet mee”
▪ Hypothetisch-deductief redeneren
o Abstracte mogelijkheden nemen als vertrekpunt om van daaruit stappen te
zetten naar het concrete
o Waarom zou dit belangrijk zijn? Bv. overtuiging dat wnnr 1 man je slecht heeft
behandeld, alle mannen je slecht gaan behandelen. Dit moet je kunnen
uitdagen: is dat wel zo? Heb je al andere tegengekomen die dat doen?
o Bv. blauwe of gele tennisbal, welke is best? Kinderen gooien een blauwe bal die
slecht gaat, waarmee zij de conclusie nemen dat alle blauwe ballen slecht zijn
(empirisch-deductief). Jongeren gooien een slechte blauwe bal en gaan
verklaringen zoeken, hypotheses formuleren. Men is niet overtuigd dat ze
allemaal slecht zijn.
▪ Propositioneel denken
o Voorbij de echte inhoud gaan, logica van de opdracht volgen
o Bv. “Stel je voor dat je een alien bent die net op aarde is geland. Je hebt gehoord
dat mensen altijd de waarheid spreken op maandag, maar altijd liegen op
dinsdag. Vandaag is het maandag. Je ontmoet een mens die zegt: “gisteren was
het dinsdag”. Is deze uitspraak waar of onwaar.” → Waar.
o Bv. “Als alle koeien dieren zijn. Stel een boom is een koe dan kunnen we besluiten
dat een boom, een dier is.”
▪ Combinatorisch denken
o nagaan welke combinaties van factoren er bestaan om zeker te
zijn dat geen enkele mogelijkheid over het hoofd wordt gezien
o Waarom zou dit belangrijk zijn? Bv. ruzie met iemand en
nadenken welke factoren een rol spelen

Onderzoek vloeistof (Piaget): Men krijgt flessen voor zich met elk een ander vloeistof in, ze
zijn reuk- en kleurloos. Opdracht is om geel te verkrijgen. Kinderen gieten gewoon alles
door elkaar en testen alle combinaties uit. Achteraf weet hij niet meer hoe hij tot die
oplossing is gekomen. Jongeren gaat eerst theoretisch bedenken welke combinaties
mogelijk zijn en deze dan nauwgezet en systematisch toetsen.

1.4.2.3. Gevolgen van de mogelijkheid tot formeel denken

▪ Mogelijkheid om abstracte problemen op te lossen
▪ Hypothetische stellingen beweren/verklaren
▪ Absurde humor (zie hiernaast)
▪ Metacognitie
o = kennis over eigen denkprocessen en manier waarop ze ermee
omgaan (bv. kapstokken kunnen bedenken om beter te studeren)
o Nadeel: te zelfbewust worden – zich terugtrekken



8
$8.55
Accéder à l'intégralité du document:

Garantie de satisfaction à 100%
Disponible immédiatement après paiement
En ligne et en PDF
Tu n'es attaché à rien


Document également disponible en groupe

Faites connaissance avec le vendeur

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
Emmavric Katholieke Hogeschool VIVES
S'abonner Vous devez être connecté afin de suivre les étudiants ou les cours
Vendu
143
Membre depuis
4 année
Nombre de followers
56
Documents
26
Dernière vente
6 jours de cela
Emma

Ik begon mijn samenvattingen eerst en vooral te delen met mijn medestudenten doordat ik de opmerking kreeg deze heel geordend en duidelijk te zijn. Ik vat heel graag samen omdat ik graag structuur bied aan zaken en heel graag dingen bijleer. Ik heb mijn vorige opleiding (Bachelor Verpleegkunde) stopgezet binnen VIVES, die had ik een volle 3 jaar gevolgd. Ik ben dan een nieuwe opleiding gestart binnen VIVES namelijk Toegepaste Psychologie. Ik zou zeker mijn samenvattingen verder willen meedelen zodat dit andere studenten kan helpen. Het is aangeraden om mijn samenvattingen in kleur te gebruiken. Beoordelingen zetten op mijn samenvattingen helpen mij enorm en zou ik appreciëren. Indien er opmerkingen zijn of vragen mag je me altijd sturen. Ik zal altijd antwoorden :)

Lire la suite Lire moins
4.3

29 revues

5
16
4
8
3
4
2
0
1
1

Récemment consulté par vous

Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions