Vragen
1. Opa heeft geen rekenmachine. Hij vertrouwt op de goede oude
staartdelingen. Wanneer hij deze correct uitvoert, leidt dit altijd tot
het goede antwoord. Waarvan is hier sprake?
A. Heuristiek
B. Algoritme
C. problem based learning
D. meaningful problem solving
2. Wat is de beste beschrijving van een theorie?
A. Een theorie wordt constant aangepast door nieuwe bevindingen
B. Iedere theorie zal uiteindelijk vervangen worden door
fysiologische verklaringen
C. Het doel van een theorie is om alles wat met leren te maken heeft
te verklaren
D. Een theorie is correct want het is wetenschappelijk bewezen
3. In welke situatie gaat het om metacognitie?
A. Laura is erg goed in samenvatten. Ze maakt zelfs samenvattingen
voor klasgenoten
B. Winston heeft zo’n goed werkgeheugen dat hij makkelijker
sommen kan uitvoeren dan zijn klasgenoten
C. Rens onthoudt het alfabet door gebruik te maken van een
ezelsbruggetje (het alfabet liedje)
D. Lisa weet goed welke kennis ze al bezit van onderzoekspracticum
2 en ook wat ze nog moet doen om de rest van de kennis te
verkrijgen
4. Wat is onjuist over interesse?
A. De kans op conceptual change neemt toe
B. Er wordt betekenisvoller geleerd
C. De kans op transfer neemt toe
D. Het bevordert het bereiken van performance goals in plaats van
mastery goals
5. Bram zit zo erg in zijn game. Hij is al uren bezig en heeft niet eens
iets gegeten of gedronken. Ook merkt hij het niet wanneer zijn
moeder binnenloopt om te vragen of hij misschien trek heeft.
Waarvan is hier het meeste sprake?
A. Bram wil zijn mastery goal bereiken
B. Bram heeft geen extrinsieke motivatie om iets anders te doen
C. Bram zit in een flow
D. Bram wil zijn performance goal bereiken
6. Welk voorbeeld past het beste bij een performance goal?
A. Emma wil het liefst zoveel mogelijk kennis verkrijgen. Het
uiteindelijke cijfer maakt haar niet zoveel uit
B. Lotte maakt het liefst geen fouten. Straks denken klasgenoten
, nog dat ze dom is
C. Lucas wil eerst het eerste hoofdstuk goed snappen voordat hij
doorgaat naar het andere hoofdstuk
D. André hoopt dat hij het hoogste cijfer van de klas heeft. Dat laat
zien dat hij heel veel geleerd heeft
7. Welke docent probeert het beste de kinderen mastery goals te laten
bereiken?
A. Juf Julia maakt een eindcijfer van het gemiddelde van de vijf beste
gemaakte toetsen van iedere leerling
B. Meester Joost geeft leerlingen een sticker wanneer ze meer
opdrachten goed hebben gemaakt dan de vorige keer
C. Juf Maartje laat de leerlingen eerst zelf de opdrachten proberen
voordat ze hulp aanbiedt
D. Meester Abouab laat leerlingen pas verder gaan als ze 85% van
de opdrachten goed hebben
8. De kinderen uit groep 8 moeten leren wat een tyrannosaurus is. Wat
kan de docent het beste doen om hen dit concept uit te leggen?
A. positieve voorbeelden geven
B. het prototype beschrijven
C. defining features beschrijven
D. correlational features beschrijven
9. Wat is het grootste verschil tussen de theorieën van Vygotsky en
Piaget?
A. de noodzaak voor sociaal contact: Vygotsky zei dat dit zeer
noodzakelijk was, Piaget hechtte hier weinig waarde aan
B. de noodzaak voor uitdaging: Vygotsky zei dat dit zeer
noodzakelijk was voor de ontwikkeling, Piaget hechtte hier weinig
waarde aan
C. de mate waarin kinderen dingen konden: Vygotsky zei dat
kinderen in theorie alles konden, volgens Piaget moesten ze eerst
ieder stadium doorlopen
D. de noodzaak voor taal: Vygotsky zei dat dit zeer noodzakelijk was,
Piaget hechtte hier weinig aandacht aan
10. Benny weet dat hij het vak leren en cognitie niet gaat halen.
Daarom begint hij pas op het allerlaatste moment met leren en
levert hij zijn paper te laat in. Welk begrip past het beste bij deze
situatie?
A. self handicapping
B. drive
C. locus of control
D. learned helplessness
11. Wat is self-efficacy en hoe beïnvloedt het je leerprestaties?
A. self-efficacy is je leervermogen. Hoe hoger je self-efficacy is, hoe
1. Opa heeft geen rekenmachine. Hij vertrouwt op de goede oude
staartdelingen. Wanneer hij deze correct uitvoert, leidt dit altijd tot
het goede antwoord. Waarvan is hier sprake?
A. Heuristiek
B. Algoritme
C. problem based learning
D. meaningful problem solving
2. Wat is de beste beschrijving van een theorie?
A. Een theorie wordt constant aangepast door nieuwe bevindingen
B. Iedere theorie zal uiteindelijk vervangen worden door
fysiologische verklaringen
C. Het doel van een theorie is om alles wat met leren te maken heeft
te verklaren
D. Een theorie is correct want het is wetenschappelijk bewezen
3. In welke situatie gaat het om metacognitie?
A. Laura is erg goed in samenvatten. Ze maakt zelfs samenvattingen
voor klasgenoten
B. Winston heeft zo’n goed werkgeheugen dat hij makkelijker
sommen kan uitvoeren dan zijn klasgenoten
C. Rens onthoudt het alfabet door gebruik te maken van een
ezelsbruggetje (het alfabet liedje)
D. Lisa weet goed welke kennis ze al bezit van onderzoekspracticum
2 en ook wat ze nog moet doen om de rest van de kennis te
verkrijgen
4. Wat is onjuist over interesse?
A. De kans op conceptual change neemt toe
B. Er wordt betekenisvoller geleerd
C. De kans op transfer neemt toe
D. Het bevordert het bereiken van performance goals in plaats van
mastery goals
5. Bram zit zo erg in zijn game. Hij is al uren bezig en heeft niet eens
iets gegeten of gedronken. Ook merkt hij het niet wanneer zijn
moeder binnenloopt om te vragen of hij misschien trek heeft.
Waarvan is hier het meeste sprake?
A. Bram wil zijn mastery goal bereiken
B. Bram heeft geen extrinsieke motivatie om iets anders te doen
C. Bram zit in een flow
D. Bram wil zijn performance goal bereiken
6. Welk voorbeeld past het beste bij een performance goal?
A. Emma wil het liefst zoveel mogelijk kennis verkrijgen. Het
uiteindelijke cijfer maakt haar niet zoveel uit
B. Lotte maakt het liefst geen fouten. Straks denken klasgenoten
, nog dat ze dom is
C. Lucas wil eerst het eerste hoofdstuk goed snappen voordat hij
doorgaat naar het andere hoofdstuk
D. André hoopt dat hij het hoogste cijfer van de klas heeft. Dat laat
zien dat hij heel veel geleerd heeft
7. Welke docent probeert het beste de kinderen mastery goals te laten
bereiken?
A. Juf Julia maakt een eindcijfer van het gemiddelde van de vijf beste
gemaakte toetsen van iedere leerling
B. Meester Joost geeft leerlingen een sticker wanneer ze meer
opdrachten goed hebben gemaakt dan de vorige keer
C. Juf Maartje laat de leerlingen eerst zelf de opdrachten proberen
voordat ze hulp aanbiedt
D. Meester Abouab laat leerlingen pas verder gaan als ze 85% van
de opdrachten goed hebben
8. De kinderen uit groep 8 moeten leren wat een tyrannosaurus is. Wat
kan de docent het beste doen om hen dit concept uit te leggen?
A. positieve voorbeelden geven
B. het prototype beschrijven
C. defining features beschrijven
D. correlational features beschrijven
9. Wat is het grootste verschil tussen de theorieën van Vygotsky en
Piaget?
A. de noodzaak voor sociaal contact: Vygotsky zei dat dit zeer
noodzakelijk was, Piaget hechtte hier weinig waarde aan
B. de noodzaak voor uitdaging: Vygotsky zei dat dit zeer
noodzakelijk was voor de ontwikkeling, Piaget hechtte hier weinig
waarde aan
C. de mate waarin kinderen dingen konden: Vygotsky zei dat
kinderen in theorie alles konden, volgens Piaget moesten ze eerst
ieder stadium doorlopen
D. de noodzaak voor taal: Vygotsky zei dat dit zeer noodzakelijk was,
Piaget hechtte hier weinig aandacht aan
10. Benny weet dat hij het vak leren en cognitie niet gaat halen.
Daarom begint hij pas op het allerlaatste moment met leren en
levert hij zijn paper te laat in. Welk begrip past het beste bij deze
situatie?
A. self handicapping
B. drive
C. locus of control
D. learned helplessness
11. Wat is self-efficacy en hoe beïnvloedt het je leerprestaties?
A. self-efficacy is je leervermogen. Hoe hoger je self-efficacy is, hoe