3 CELMEMBRANEN EN TRANSPORT
Leerdoelen
o De structuur van membranen kunnen beschrijven
o Kunnen uitleggen waardoor de vloeibaarheid van membranen beïnvloed kan worden
o Kunnen beschrijven hoe eiwitten in membranen zitten en welke functies ze daar kunnen
hebben
o Kunnen uitleggen hoe passief transport werkt
Fluid-mosaic model This model describes the plasma membrane of animal cells. The plasma
membrane that surrounds these cells has two layers (a bilayer) of phospholipids (fats with
phosphorous attached), which at body temperature are like vegetable oil (fluid). And the structure of
the plasma membrane supports the old saying ‘oil and water don’t mix’
Membraanopbouw:
o Fluid-mosaic model
o Fosfolipide dubbellaag + cholesterol bij dierlijke cellen
o Membraaneiwitten
Fosfolipiden worden op het sER gemaakt, membraaneiwitten op het rER
Bijv. choline
Hydrofiel
fosfaat Hydrofiele
glycerol (polaire) kop
Hydrofobe
(apolaire)
staarten
Hydrofoob
vetzuren
Structuur fosfolipide: fosfaat (-), glycerol, vetzuren
Vetten en water
Micel (vetzuren)
Liposoom (fosfolipiden)
Biomembraan (cel, vesicle)
Fosfolipiden organiseren zich spontaan tot een vlak
, Micel Een micel is een microscopisch kleine structuur van een aantal moleculen van een oppervlakte-
actieve stof in water. Oppervlakte-actieve stoffen zijn amfifiele verbindingen. Dat wil zeggen dat een
deel van het molecuul hydrofiel is en een deel hydrofoob. Het hydrofobe deel bestaat meestal uit
een lange koolwaterstofketen en vormt als het ware de staart van het molecuul. De kop is dan
hydrofiel. De binnenkant van een micel is dus hydrofoob (de vetzuurstaarten staan bij elkaar).
Een biomembraan wordt in stand gehouden door hydrofobe interacties
o De membraan is zwak en stabiel
o De membraan is geen starre sheet, moleculen zitten vast
Laterale beweging: 107 per sec, 2 µm per seconde – Transversale beweging: ‘flip/flop’, 1x per maand,
flip/flop enzymen kunnen fosfolipiden omkeren zodat ze vaker transversale bewegingen kunnen
maken
Hoe kan de beweeglijkheid van membranen beïnvloed worden? Lange en korte vetzuren, verzadigde
en onverzadigde vetzuren
vast (dierlijk) vet vloeibaar (plantaardig) vet
Een hoog smeltpunt krijg je bij lange en verzadigde vetzuren. Een laag smeltpunt krijg je bij korte en
onverzadigde vetzuren, hier is minder contact, minder Vanderwaalskrachten en hydrofobe
interacties
Wat te doen als de membraan een te vaste structuur heeft? Onverzadigde vetzuren toevoegen
(vetzuren met knik), hierdoor wordt het membraan losser
Leerdoelen
o De structuur van membranen kunnen beschrijven
o Kunnen uitleggen waardoor de vloeibaarheid van membranen beïnvloed kan worden
o Kunnen beschrijven hoe eiwitten in membranen zitten en welke functies ze daar kunnen
hebben
o Kunnen uitleggen hoe passief transport werkt
Fluid-mosaic model This model describes the plasma membrane of animal cells. The plasma
membrane that surrounds these cells has two layers (a bilayer) of phospholipids (fats with
phosphorous attached), which at body temperature are like vegetable oil (fluid). And the structure of
the plasma membrane supports the old saying ‘oil and water don’t mix’
Membraanopbouw:
o Fluid-mosaic model
o Fosfolipide dubbellaag + cholesterol bij dierlijke cellen
o Membraaneiwitten
Fosfolipiden worden op het sER gemaakt, membraaneiwitten op het rER
Bijv. choline
Hydrofiel
fosfaat Hydrofiele
glycerol (polaire) kop
Hydrofobe
(apolaire)
staarten
Hydrofoob
vetzuren
Structuur fosfolipide: fosfaat (-), glycerol, vetzuren
Vetten en water
Micel (vetzuren)
Liposoom (fosfolipiden)
Biomembraan (cel, vesicle)
Fosfolipiden organiseren zich spontaan tot een vlak
, Micel Een micel is een microscopisch kleine structuur van een aantal moleculen van een oppervlakte-
actieve stof in water. Oppervlakte-actieve stoffen zijn amfifiele verbindingen. Dat wil zeggen dat een
deel van het molecuul hydrofiel is en een deel hydrofoob. Het hydrofobe deel bestaat meestal uit
een lange koolwaterstofketen en vormt als het ware de staart van het molecuul. De kop is dan
hydrofiel. De binnenkant van een micel is dus hydrofoob (de vetzuurstaarten staan bij elkaar).
Een biomembraan wordt in stand gehouden door hydrofobe interacties
o De membraan is zwak en stabiel
o De membraan is geen starre sheet, moleculen zitten vast
Laterale beweging: 107 per sec, 2 µm per seconde – Transversale beweging: ‘flip/flop’, 1x per maand,
flip/flop enzymen kunnen fosfolipiden omkeren zodat ze vaker transversale bewegingen kunnen
maken
Hoe kan de beweeglijkheid van membranen beïnvloed worden? Lange en korte vetzuren, verzadigde
en onverzadigde vetzuren
vast (dierlijk) vet vloeibaar (plantaardig) vet
Een hoog smeltpunt krijg je bij lange en verzadigde vetzuren. Een laag smeltpunt krijg je bij korte en
onverzadigde vetzuren, hier is minder contact, minder Vanderwaalskrachten en hydrofobe
interacties
Wat te doen als de membraan een te vaste structuur heeft? Onverzadigde vetzuren toevoegen
(vetzuren met knik), hierdoor wordt het membraan losser