Opleiding dierenartsassistent paraveterinair – LOI
Niveau 4
,Hoofdstuk 1: Röntgenologie
Röntgenstraling
• Röntgenstraling werd in 1895 ontdekt door Wilhelm Conrad Röntgen
• Deze straling werd x-straling ofwel x-rays genoemd
• Röntgen kreeg in 1901 de Nobelprijs voor al zijn onderzoek
• Röntgenstralen zijn elektromagnetische stralen of golven
• Golven die zich voortplanten met golflengten van ong. 0,5 tot 0,001nm (=nanometer)
• Een golflengte is de afstand tussen 2 punten waarin de golf zichzelf voortbeweegt
• Licht heeft golflengte tussen 760nm en 400nm -> golflengte van röntgenstraling is dus veel
kleiner dan die van licht -> planten zich wel met dezelfde snelheid voort -> hierdoor kunnen
meer golven/röntgenstraling met dezelfde snelheid als licht op dezelfde plek terechtkomen
als de lichtstralen zelf -> röntgenstraling kan daardoor makkelijker doordringen in
verschillende stoffen dan licht -> dit heet doordringbaar vermogen.
• Quanten of fotonen zijn energiepakketjes die uitgestraald worden door de elektronenbuis, de
elektromagnetische straling.
• Fotonen hebben het vermogen om bij botsing met atomen op een metalen plaat, straling vrij
te laten komen in de vorm van het schieten van elektronen -> hierdoor krijgen deze atomen
een elektrische lading omdat ze door de botsing in beweging worden gebracht -> deze
elektrische lading is de gammastraling of röntgenstraling (afhankelijk van met welke energie
ze vrijkomen) -> wordt bestempeld als ioniserende straling.
• Samenvattend: quanten of fotonen botsen tegen atomen -> elektronen komen los -> atomen
worden elektrisch geladen -> ioniserende straling ontstaat (gamma- en röntgenstraling)
•
Het opwekken van röntgenstraling
• In een röntgenbuis is een kathode aan de ene kant en een anode aan de andere kant
geplaatst
• Kathode betsaat uit een wolfram (soort spiraaldraad), de anode ook
• Stroom wordt door de spiraaldraad geleid -> draad gloeit en zendt elektronen en licht uit ->
elektronen zijn negatief geladen -> gaan richting de anode want de anode is positief geladen
• Elektronen zijn dus nodig om röntgenstraling op te wekken
• Er ontstaat en spanningsverschil tussen anode en kathode
• De elektronen gaan met een hoge snelheid richting anode en botsen tegen het wolfram ->
hierbij ontstaat röntgenstraling (1%) en warmte (99%)
• Door het gebruik van een draaiende anode wordt er telkens een ander stuk van de wolfram
geraakt -> hoeveelheid warmte kan zo laag gehouden worden
• Röntgenapparaten hebben een hoge capaciteit door deze draaiende anode.
1
,Van internet ter verduidelijking 1
Eigenschappen
• Er zijn 3 eigenschappen waar röntgenstraling gebruik van maakt:
1. Het doordringend vermogen
2. De werking op een fotografische plaat
3. Het vermogen van ioniserende straling om te luminisceren (= uitzenden van licht)
Het doordringend vermogen
• Röntgenstraling kan:
o Door een object heen stralen
o Door het object geabsorbeerd worden
o Een deel kan van richting veranderen waardoor stralen verstrooid raken
• Afhankelijk van de eigenschappen van de materie (bijv. weefsel of skelet van dier), kunnen
stralen worden doorgelaten.
• Deze eigenschappen zijn:
o Dikte van het object of weefsel (hoe dunner, hoe minder absorptie van straling)
o Het atoomnummer van de materie waaruit het object of weefsel bestaat (hoe hoger
het atoomnummer, hoe meer straling geabsorbeerd kan worden)
o De dichtheid van de materie (hoe hoger de dichtheid, hoe meer straling
geabsorbeerd kan worden)
o Hoe zwaarder de materie, hoe minder doorlaatbaar
•
Van internet ter verduidelijking 2: periodiek systeem met atoomnummers
2
, • (Ter info: in dit periodiek systeem zie je ook waarom je een loodschort draagt bij het maken
van röntgenfoto’s: Lood = Pb = atoomnummer 82, is dus vrij hoog -> weinig
doordringbaar/veel straling wordt geabsorbeerd)
• Verschillen in dichtheid en gemiddeld atoomnummer van de verscheidene weefsels in een
lichaamsdeel zorgen ervoor dat een bepaalde hoeveelheid stralen wel en een bepaalde
hoeveelheid niet doorgelaten wordt.
• Het deel wat doorgelaten wordt -> komt op lichtgevoelige plaat
• Het deel wat geabsorbeerd wordt door weefsel -> komt niet of minder terecht op
lichtgevoelige plaat -> zo ontstaat afbeelding
• Bot heeft hoger atoomnummer dan weke delen -> bot absorbeert meer straling
• Longen hebben ong. zelfde atoomnummer als bot -> maar longen hebben lagere dichtheid
dan bot -> laten meer straling door dan bot
• Hoe meer energie-inhoud van straling -> hoe korter de golflengte -> hoe minder straling er
geabsorbeerd wordt door de weefsels
• Hoge energetische waarde van straling = harde straling
• Hoe minder energie-inhoud van straling -> hoe langer de golflengte -> hoe meer straling er
geabsorbeerd wordt door de weefsels
• Lage energetische waarde van straling = zachte straling
• Er is ook straling die het weefsel niet raakt en die door botsing met andere materie van
richting verandert -> is strooistraling -> hier moet je je tegen afschermen -> hoewel deze
straling zwakker is dan de oorspronkelijke straling, kan deze in alle richtingen verstrooid
worden.
Divergerende stralenbundel
• Röntgenstralen verlaten de röntgenbuis via het venster als een divergerende (uiteenlopende)
stralenbundel -> stralenbundel wordt niet afgebogen -> stralenbundel die de tafel raakt is
daarom veel wijder dan de bundel die het venster verlaat.
• Schadelijke effecten van röntgenstraling:
o Groeibelemmering van het weefsel
o Verwoesting van het epitheel
o Opwekken van ontsteking
o Beschadiging van genen
• Vooral weefsels met veel celdeling worden getroffen -> daarom verschilt gevoeligheid voor
straling van weefsel tot weefsel en ook van dier tot dier.
Conventionele radiologie
Röntgenapparatuur
• Röntgenapparatuur is duur, daarom worden er in de praktijk ook vaak nog oudere versies van
apparatuur gebruikt.
• In landbouwhuisdierenpraktijk en paardenklinieken wordt andere apparatuur gebruikt dan in
een kleine huisdierenpraktijk.
De Röntgenbuis
• In een röntgenbuis is de kathode aan de ene kant en de anode aan de andere kant geplaatst.
• De kathode bestaat uit wolfram, een soort spiraaldraad.
3