Ontwikkelingspsychologie.
Ontwikkeling: de ordelijke, systematische voortgang en verandering over de life-span. Op fysiek,
biologische en psychologische gebieden, als gevolg van biologische rijping en leren.
De ontwikkeling is:
- Een (dis)continu en cumulatief proces.
- Holistisch en plastisch.
- Universeel en gelijk voor iedereen.
- Beïnvloedbaar door cultuur en historie.
- Uniek en individueel.
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij de prestaties voortvloeien uit de prestaties
op de vorige niveaus.
Continue verandering is kwantitatief: het heeft te maken met een hoeveelheid. De vaardigheden
veranderen niet van aard, maar van hoeveelheid.
Discontinue verandering: vindt plaats in aparte stappen. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief,
anders is dan het gedrag in eerdere stadia.
Cumulatief: vaardigheden stappelen op, je kunt ook vaardigheden en kennis verliezen.
Holistisch: samenhang tussen verschillende gebieden.
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur veranderbaar
is. Achtergebleven ontwikkelingen kunnen vaak op latere leeftijd ook nog worden doorgemaakt.
Psychologische gebieden:
- Lichamelijk.
- Cognitief.
- Metacognitief.
- Sociaal.
- Emotioneel.
Ontwikkelingspsychologie: brede, multidisciplinaire wetenschappelijke discipline met als doel het
beschrijven, verklaren en optimaliseren van de ontwikkeling.
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen uit een groep op
dezelfde manier ontwikkelen. Normatieve gebeurtenissen kunnen historisch, leeftijdsgebonden of
sociaal-cultureel bepaald zijn.
Normatieve gebeurtenissen kunnen leiden tot een cohorteffect: omgevingsinvloeden en biologische
invloeden die zijn gebonden aan een specifiek historisch moment corona.
Historisch gerelateerde normatieve gebeurtenissen: invloeden die horen bij een behaalde generatie
of cohorten technologische revoluties.
Niet-normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een
individu, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen overlijden kind.
,Fasen van ontwikkeling:
Naam Leeftijd
Prenataal. Tot de geboorte.
Babytijd. Geboorte tot 18 maanden.
Peuter. 18 maanden tot 3 jaar.
Preschool period. 3 tot 5 jaar.
Middle childhood. 5 tot12 jaar (tot puberteit).
Adolescent. 12 tot 20 jaar.
Vroege volwassenheid. 20 tot 40 jaar.
Volwassenheid. 40 tot 65 jaar.
Ouderdom. 65 jaar en ouder.
Onderzoeksstrategieën: basismethoden.
Wetenschappelijke methode: het gebruiken van objectieve data, valide en betrouwbare methoden
om de levensvatbaarheid van theorieën te bepalen.
Data verzamelen aan de hand van:
- Zelf-rapportage: vragenlijsten.
- Klinische methoden: beginnen met dezelfde startvraag, MAAR de respons van het kind
bepaald de volgende vraag.
- Observationele methoden: in het lab of in natuurlijke omgeving. In gestructureerde of
ongestructureerde vorm.
- Casestudies.
- Etnografische methoden: leven met of deelnemen aan.
- Psychofysiologische methoden: hersenactiviteit, hart etc.
Designs om relaties tussen factoren te onderzoeken.
Correlationele designs: geen interventie, geen manipulatie, geen oorzaak specificeren voor de
gevonden verbanden (correlatiecoëfficiënt).
Experimentele designs: oorzaak-gevolg relaties onderzoeken door middel van manipulatie door
experimentele variabelen in een lab of in de natuurlijke omgeving verhoogt de ecologische
validiteit.
Ecologische validiteit: mate waarin het gedrag wat ik gemeten heb in een lab ook gemeten zou
worden in de dagelijkse praktijk.
Wanneer er sprak is van beperkte controle quasi-experimenteel design.
,Cross-culturele studies: vergelijken van deelnemers uit verschillende culturen op een bepaald aspect
binnen de ontwikkeling. Het zoeken naar universele patronen van ontwikkeling nature vs. nurture.
Designs om de ontwikkeling te bestuderen.
Cross-sectioneel design: vergelijkt verschillende leeftijdsgroepen op één moment in de tijd.
Longitudinaal design: ontwikkelingsveranderingen door herhaaldelijk dezelfde deelnemers te
onderzoeken naarmate zij ouder worden.
Sequentieel design: combinatie van cross-sectioneel en longitudinaal design. Op deze manier
onderscheidt je echte ontwikkelingstrends van cohorteffecten. Je kunt uitspraken doen over de
sterkte en de richting van eventuele ontwikkelingsveranderingen.
Micro genetisch design: intensieve bestudering tijdens een korte periode waarin normaalgesproken
ontwikkelingsveranderingen plaatsvinden in puberteit etc.
Ethische richtlijnen binnen de ontwikkelingspsychologie:
- Kwetsbaarheden in acht nemen: leeftijd, machtsverschil, eerdere ervaringen etc.
- Kosten en baten analyse: belangrijke risico’s minimaliseren en principe van ‘no harm’.
- Respecteren van rechten van deelnemers: recht op inzage, affectieve toestemming etc.
, Prenatale ontwikkeling.
Bevruchting: het proces waarbij een eicel en een zaadcel samenkomen om één nieuwe cel te
creëren. Dit wordt ook wel conceptie genoemd.
Een bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een complex organisme. Tijdens de prenatale ontwikkeling
vindt de meest explosieve groei en ontwikkeling plaats in vergelijking met de rest van de verdere
ontwikkeling.
Prenatale ontwikkeling bestaat uit drie stadia:
1. Zygote: conceptie tot implantatie eerste twee weken.
2. Embryo: drie tot acht weken ontwikkeling organen en hartslag.
3. Foetus: negen weken tot geboorte.
Fasen in germinale periode (zygote).
Conceptie tot implantatie eerste twee weken.
De bevruchte eicel reist via de eileiders richting de baarmoeder. Tijdens deze reis van 24 uur begint
het opdelingsproces. Dit is de celdeling cleavage.
Blastocyste: rond dag 4 bestaat de zygote uit meer dan 50 cellen.
Trofoblast: buitenste cellaag van de blastocyste. Zijn zeer belangrijk voor het leveren van
voedingsstoffen. Zij ontwikkelen zich later tot een groot deel van de placenta.
Implantatie: de blastocyst moet met de baarmoederwand communiceren, positioneren en zich
hechten om zich in te kunnen nestelen.
- Vindt plaats tussen de zeven en negen dagen.
- Het proces duurt ongeveer 48 uur.
- Drie van de vier zygoten overleeft deze fase van de ontwikkeling niet.
Periode van het embryo.
Wanneer de blastocyste is ingenesteld vormt de buitenste laag (trofoblast) vier belangrijke support
systemen:
1. Amnion: waterdichte zak met vocht die beschermd tegen klappen, zorgt voor de regeling van
de temperatuur en zorgt voor een gewichtloze omgeving bevordert beweging embryo.
2. Dooierzak: produceert bloedcellen voor embryo. Zit vast aan chorion.
3. Chorion: omkleding van het amnion en later de bekleding van de placenta.
4. Allantois: vormt navelstreng van het embryo.
De placenta en de navelstreng zorgen voor de uitwisseling van voeding en zuurstof. En de afvoer van
afvalstoffen.
De embryonale schijf vormt drie lagen:
1. Ectoderm: zenuwstelsel, huid en haar.
2. Endoderm: spijsverteringsstelsel, longen, urinewegen, lever en ademhalingsstelsel.
3. Mesoderm: spieren, bloed en bloedsomloop.
Ontwikkeling: de ordelijke, systematische voortgang en verandering over de life-span. Op fysiek,
biologische en psychologische gebieden, als gevolg van biologische rijping en leren.
De ontwikkeling is:
- Een (dis)continu en cumulatief proces.
- Holistisch en plastisch.
- Universeel en gelijk voor iedereen.
- Beïnvloedbaar door cultuur en historie.
- Uniek en individueel.
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij de prestaties voortvloeien uit de prestaties
op de vorige niveaus.
Continue verandering is kwantitatief: het heeft te maken met een hoeveelheid. De vaardigheden
veranderen niet van aard, maar van hoeveelheid.
Discontinue verandering: vindt plaats in aparte stappen. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief,
anders is dan het gedrag in eerdere stadia.
Cumulatief: vaardigheden stappelen op, je kunt ook vaardigheden en kennis verliezen.
Holistisch: samenhang tussen verschillende gebieden.
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur veranderbaar
is. Achtergebleven ontwikkelingen kunnen vaak op latere leeftijd ook nog worden doorgemaakt.
Psychologische gebieden:
- Lichamelijk.
- Cognitief.
- Metacognitief.
- Sociaal.
- Emotioneel.
Ontwikkelingspsychologie: brede, multidisciplinaire wetenschappelijke discipline met als doel het
beschrijven, verklaren en optimaliseren van de ontwikkeling.
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen uit een groep op
dezelfde manier ontwikkelen. Normatieve gebeurtenissen kunnen historisch, leeftijdsgebonden of
sociaal-cultureel bepaald zijn.
Normatieve gebeurtenissen kunnen leiden tot een cohorteffect: omgevingsinvloeden en biologische
invloeden die zijn gebonden aan een specifiek historisch moment corona.
Historisch gerelateerde normatieve gebeurtenissen: invloeden die horen bij een behaalde generatie
of cohorten technologische revoluties.
Niet-normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een
individu, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen overlijden kind.
,Fasen van ontwikkeling:
Naam Leeftijd
Prenataal. Tot de geboorte.
Babytijd. Geboorte tot 18 maanden.
Peuter. 18 maanden tot 3 jaar.
Preschool period. 3 tot 5 jaar.
Middle childhood. 5 tot12 jaar (tot puberteit).
Adolescent. 12 tot 20 jaar.
Vroege volwassenheid. 20 tot 40 jaar.
Volwassenheid. 40 tot 65 jaar.
Ouderdom. 65 jaar en ouder.
Onderzoeksstrategieën: basismethoden.
Wetenschappelijke methode: het gebruiken van objectieve data, valide en betrouwbare methoden
om de levensvatbaarheid van theorieën te bepalen.
Data verzamelen aan de hand van:
- Zelf-rapportage: vragenlijsten.
- Klinische methoden: beginnen met dezelfde startvraag, MAAR de respons van het kind
bepaald de volgende vraag.
- Observationele methoden: in het lab of in natuurlijke omgeving. In gestructureerde of
ongestructureerde vorm.
- Casestudies.
- Etnografische methoden: leven met of deelnemen aan.
- Psychofysiologische methoden: hersenactiviteit, hart etc.
Designs om relaties tussen factoren te onderzoeken.
Correlationele designs: geen interventie, geen manipulatie, geen oorzaak specificeren voor de
gevonden verbanden (correlatiecoëfficiënt).
Experimentele designs: oorzaak-gevolg relaties onderzoeken door middel van manipulatie door
experimentele variabelen in een lab of in de natuurlijke omgeving verhoogt de ecologische
validiteit.
Ecologische validiteit: mate waarin het gedrag wat ik gemeten heb in een lab ook gemeten zou
worden in de dagelijkse praktijk.
Wanneer er sprak is van beperkte controle quasi-experimenteel design.
,Cross-culturele studies: vergelijken van deelnemers uit verschillende culturen op een bepaald aspect
binnen de ontwikkeling. Het zoeken naar universele patronen van ontwikkeling nature vs. nurture.
Designs om de ontwikkeling te bestuderen.
Cross-sectioneel design: vergelijkt verschillende leeftijdsgroepen op één moment in de tijd.
Longitudinaal design: ontwikkelingsveranderingen door herhaaldelijk dezelfde deelnemers te
onderzoeken naarmate zij ouder worden.
Sequentieel design: combinatie van cross-sectioneel en longitudinaal design. Op deze manier
onderscheidt je echte ontwikkelingstrends van cohorteffecten. Je kunt uitspraken doen over de
sterkte en de richting van eventuele ontwikkelingsveranderingen.
Micro genetisch design: intensieve bestudering tijdens een korte periode waarin normaalgesproken
ontwikkelingsveranderingen plaatsvinden in puberteit etc.
Ethische richtlijnen binnen de ontwikkelingspsychologie:
- Kwetsbaarheden in acht nemen: leeftijd, machtsverschil, eerdere ervaringen etc.
- Kosten en baten analyse: belangrijke risico’s minimaliseren en principe van ‘no harm’.
- Respecteren van rechten van deelnemers: recht op inzage, affectieve toestemming etc.
, Prenatale ontwikkeling.
Bevruchting: het proces waarbij een eicel en een zaadcel samenkomen om één nieuwe cel te
creëren. Dit wordt ook wel conceptie genoemd.
Een bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een complex organisme. Tijdens de prenatale ontwikkeling
vindt de meest explosieve groei en ontwikkeling plaats in vergelijking met de rest van de verdere
ontwikkeling.
Prenatale ontwikkeling bestaat uit drie stadia:
1. Zygote: conceptie tot implantatie eerste twee weken.
2. Embryo: drie tot acht weken ontwikkeling organen en hartslag.
3. Foetus: negen weken tot geboorte.
Fasen in germinale periode (zygote).
Conceptie tot implantatie eerste twee weken.
De bevruchte eicel reist via de eileiders richting de baarmoeder. Tijdens deze reis van 24 uur begint
het opdelingsproces. Dit is de celdeling cleavage.
Blastocyste: rond dag 4 bestaat de zygote uit meer dan 50 cellen.
Trofoblast: buitenste cellaag van de blastocyste. Zijn zeer belangrijk voor het leveren van
voedingsstoffen. Zij ontwikkelen zich later tot een groot deel van de placenta.
Implantatie: de blastocyst moet met de baarmoederwand communiceren, positioneren en zich
hechten om zich in te kunnen nestelen.
- Vindt plaats tussen de zeven en negen dagen.
- Het proces duurt ongeveer 48 uur.
- Drie van de vier zygoten overleeft deze fase van de ontwikkeling niet.
Periode van het embryo.
Wanneer de blastocyste is ingenesteld vormt de buitenste laag (trofoblast) vier belangrijke support
systemen:
1. Amnion: waterdichte zak met vocht die beschermd tegen klappen, zorgt voor de regeling van
de temperatuur en zorgt voor een gewichtloze omgeving bevordert beweging embryo.
2. Dooierzak: produceert bloedcellen voor embryo. Zit vast aan chorion.
3. Chorion: omkleding van het amnion en later de bekleding van de placenta.
4. Allantois: vormt navelstreng van het embryo.
De placenta en de navelstreng zorgen voor de uitwisseling van voeding en zuurstof. En de afvoer van
afvalstoffen.
De embryonale schijf vormt drie lagen:
1. Ectoderm: zenuwstelsel, huid en haar.
2. Endoderm: spijsverteringsstelsel, longen, urinewegen, lever en ademhalingsstelsel.
3. Mesoderm: spieren, bloed en bloedsomloop.