~ MIDDELEEUWEN
Karel ende Elegast
Eerste druk rond 1250 (auteur onbekend)
Het verhaal gaat over Karel de Grote, die Koning en Keizer was. Op een
nacht lag hij te slapen aan Ingelheim aan de Rijn, toen hij gewekt werd
door een engel. Hij krijgt de opdracht (van God via een engel) om iets te
gaan stelen, anders verliest hij zijn eer en zijn leven. Eerst geeft Karel er geen gehoor aan, want hij
zag niemand. De tweede keer geeft hij er met tegenzin toch gehoor aan. Ondanks dat zoveel
bezittingen heeft (al het land van Keulen aan de Rijn tot aan Rome, van de Donau in het Oosten tot
de wilde zee in het Westen en Galicië en Spanje). Na de woorden van de engel sloeg Karel en kruis en
vertrok hij. Karel was bang dat hij een schande, een dief zou worden.
Karel kleed zich als dief en nam zijn wapenuitrusting mee, zodat hij zichzelf in leven kan houden (als
het moet). Hij vertrekt in de nacht terwijl iedereen sliep. God had iedereen in die diepe slaap
gebracht om Karel te beschermen. Karel zadelde zijn paard en vertrok zonder gerucht of geluid. Al
rijdend in de donkere nacht denkt Karel na over mensen en komt tot andere inzichten. Hij krijgt
waardering voor dieven, die stelen om te overleven. Hij vindt het niet meer rechtvaardig om ze op te
hangen of onthoofden vanwege het stelen van een kleinigheid. Hij denkt na over Elegast, die hij
verdreven heeft uit zijn land om een kleinigheid, over het landgoed dat hij Elegast en zijn gevolg
heeft ontnomen. Hij komt tot inkeer en ziet in dat Elegast geen arme mensen besteelt, alleen de
rijken. Hij richt zijn woorden tot God en vraagt hem dat hij nu zou wensen dat Elegast zijn gezelschap
zou zijn.
Dan komt hem een zwarte ridder tegemoet. De zwarte ridder zag Karel ook, hij zag ook dat het geen
armlastige man was, te zien aan de mooie wapenuitrusting. Ze passeerden elkaar, Karel zei niks.
Elegast was bang voor kwade bedoelingen. Hij wilde Karel zijn wapenuitrusting afpakken. Elegast
gaat achter Karel aan en vraagt hem zijn naam en wat hij komt doen. Karel wilde niet dat Elegast zou
weten wie hij was (hij schaamde zich). Het kwam tot een gevecht. Beide mannen waren sterk en fel
en goed getraind. Karel slaat Elegast zwaard in twee stukken. Elegast vond het een schande dat hij nu
niet meer kon vechten, maar Karel vond het zijn eer te na om een ongewapende man verder aan te
vallen.
Ze raken in een gesprek en vragen elkaar de naam. Elegast zegt als eerste zijn naam, hij verteld dat
hij vroeger een leenman van de Koning was, maar dat hem (en zijn metgezellen, met zijn twaalven in
totaal) alles is afgenomen en dat hij verbannen is.
Karel is zo blij dat het Elegast is, God heeft zijn gebed verhoord. Hij durft zijn echte naam echter niet
te noemen en noemt zichzelf Adelbrecht, hij zegt dat ook hij steelt. Van alles en iedereen, arm en
rijk. Karel steelt Elegast voor om samen een schat te gaan stelen van de Koning, maar Elegast weigert
dat permanent. Hij zou schamen tegenover God als hij de Koning schade zou berokkenen of als hij
hem geen eer bewijst. Elegast praat niet slecht over de Koning.
Karel bedacht zich dat als Elegast terug zou keren, dat hij hem zoveel bezittingen zou geven dat hij de
rest van zijn levensdagen eervol zou slijten.
Karel ende Elegast
Eerste druk rond 1250 (auteur onbekend)
Het verhaal gaat over Karel de Grote, die Koning en Keizer was. Op een
nacht lag hij te slapen aan Ingelheim aan de Rijn, toen hij gewekt werd
door een engel. Hij krijgt de opdracht (van God via een engel) om iets te
gaan stelen, anders verliest hij zijn eer en zijn leven. Eerst geeft Karel er geen gehoor aan, want hij
zag niemand. De tweede keer geeft hij er met tegenzin toch gehoor aan. Ondanks dat zoveel
bezittingen heeft (al het land van Keulen aan de Rijn tot aan Rome, van de Donau in het Oosten tot
de wilde zee in het Westen en Galicië en Spanje). Na de woorden van de engel sloeg Karel en kruis en
vertrok hij. Karel was bang dat hij een schande, een dief zou worden.
Karel kleed zich als dief en nam zijn wapenuitrusting mee, zodat hij zichzelf in leven kan houden (als
het moet). Hij vertrekt in de nacht terwijl iedereen sliep. God had iedereen in die diepe slaap
gebracht om Karel te beschermen. Karel zadelde zijn paard en vertrok zonder gerucht of geluid. Al
rijdend in de donkere nacht denkt Karel na over mensen en komt tot andere inzichten. Hij krijgt
waardering voor dieven, die stelen om te overleven. Hij vindt het niet meer rechtvaardig om ze op te
hangen of onthoofden vanwege het stelen van een kleinigheid. Hij denkt na over Elegast, die hij
verdreven heeft uit zijn land om een kleinigheid, over het landgoed dat hij Elegast en zijn gevolg
heeft ontnomen. Hij komt tot inkeer en ziet in dat Elegast geen arme mensen besteelt, alleen de
rijken. Hij richt zijn woorden tot God en vraagt hem dat hij nu zou wensen dat Elegast zijn gezelschap
zou zijn.
Dan komt hem een zwarte ridder tegemoet. De zwarte ridder zag Karel ook, hij zag ook dat het geen
armlastige man was, te zien aan de mooie wapenuitrusting. Ze passeerden elkaar, Karel zei niks.
Elegast was bang voor kwade bedoelingen. Hij wilde Karel zijn wapenuitrusting afpakken. Elegast
gaat achter Karel aan en vraagt hem zijn naam en wat hij komt doen. Karel wilde niet dat Elegast zou
weten wie hij was (hij schaamde zich). Het kwam tot een gevecht. Beide mannen waren sterk en fel
en goed getraind. Karel slaat Elegast zwaard in twee stukken. Elegast vond het een schande dat hij nu
niet meer kon vechten, maar Karel vond het zijn eer te na om een ongewapende man verder aan te
vallen.
Ze raken in een gesprek en vragen elkaar de naam. Elegast zegt als eerste zijn naam, hij verteld dat
hij vroeger een leenman van de Koning was, maar dat hem (en zijn metgezellen, met zijn twaalven in
totaal) alles is afgenomen en dat hij verbannen is.
Karel is zo blij dat het Elegast is, God heeft zijn gebed verhoord. Hij durft zijn echte naam echter niet
te noemen en noemt zichzelf Adelbrecht, hij zegt dat ook hij steelt. Van alles en iedereen, arm en
rijk. Karel steelt Elegast voor om samen een schat te gaan stelen van de Koning, maar Elegast weigert
dat permanent. Hij zou schamen tegenover God als hij de Koning schade zou berokkenen of als hij
hem geen eer bewijst. Elegast praat niet slecht over de Koning.
Karel bedacht zich dat als Elegast terug zou keren, dat hij hem zoveel bezittingen zou geven dat hij de
rest van zijn levensdagen eervol zou slijten.