Oefententamen Inspannings Fysiologie Deel 1
1. Welke van onderstaande processen heeft NIET glucose als eindproduct?
a. Gluconeogenese
b. Glycolyse
c. Glycogenolyse
2. In welke mechanische fase van het hart zijn de aortakleppen gesloten?
a. Tijdens relaxatie van de atria
b. Tijdens relaxatie van de ventrikels
c. Tijdens contractie van de atria
d. Tijdens contractie van de ventrikels
3. Zie een schematische voorstelling van het ECG hiernaast. Welke fase in het ECG komt
overeen met de diastolische bloeddruk?
a. Rond de P-top
b. Tussen de Q-en R-top
c. Tussen de R- en S-top
d. Rond de T-top
4. Het hematocriet betreft het ____
a. Het percentage rode bloedlichaampjes in het bloed.
b. Het percentage witte bloedlichaampjes in het bloed.
c. Het percentage bloedplaatjes in het bloed.
d. Het percentage zuurstof in het bloed.
5. De stijging in hartfrequentie vlak voor aanvang van inspanning wordt veroorzaakt
door _____ invloed.
a. Neurale
b. Chemische
c. Hormonale
d. Mechanische
6. Een plotse daling van de bloeddruk na zeer zware inspanning kan het gevolg zijn van
a. een plotse daling van de hartfrequentie
b. een plotse daling van het slagvolume.
c. een plotse daling van de arteriële PO2
d. een plotse daling van de spierdoorbloeding.
7. Een toename in het maximale hartminuutvolume als gevolg van duurtraining zal
vooral het gevolg zijn van
a. Een toename in de maximale hartfrequentie
, b. Een toename in de maximale bloedruk
c. Een toename in het maximale slagvolume
9. Tijdens inspanning vindt herverdeling van bloed plaats door ____
a. Vasoconstrictie in de actieve gebieden en –dilatatie in de niet-actieve gebieden.
b. Vasodilatatie in de actieve gebieden en –constrictie in de niet-actieve gebieden.
c. Vasoconstrictie in de actieve en niet-actieve gebieden.
d. Vasodilatatie in de actieve en niet-actieve gebieden.
10. Uitval van het diafragma (b.v. door een dwarslaesie) zal vooral de ____ belemmeren
a. inademing
b. uitademing
c. beide
11. Het O2 gehalte (%) van de lucht op de Mount Everest (luchtdruk ca. 250 mmHg)
bedraagt ongeveer ______.
a. 21%
b. 15%
c. 7%
d. 5%
13. Op welke plaats in de spier zal de calciumconcentratie tijdens maximale contractie
het
hoogst zijn?
a. In de T-tubuli
b. Tussen de myofibrillen
c. In de mitochondria
d. In het sarcoplasmatisch reticulum
14. Welk gebied in de figuur hiernaast begrenst de myosinefilamenten?
a. Het gebied van de A-band
b. Het gebied van de I-band
c. Het gebied tussen de Z- lijnen
d. Het gebied van de H-zone
15. Welke van onderstaande processen tijdens de excitatie-contractiekoppeling vindt als
eerste plaats?
a. actine-myosine interactie
b. depolarisatie spiervezel
c. uitstoot van calcium
d. uitstoot van acetylcholine
16. Het T-tubulair systeem vormt het verlengde van ___
a. de spiervezelmembraan
1. Welke van onderstaande processen heeft NIET glucose als eindproduct?
a. Gluconeogenese
b. Glycolyse
c. Glycogenolyse
2. In welke mechanische fase van het hart zijn de aortakleppen gesloten?
a. Tijdens relaxatie van de atria
b. Tijdens relaxatie van de ventrikels
c. Tijdens contractie van de atria
d. Tijdens contractie van de ventrikels
3. Zie een schematische voorstelling van het ECG hiernaast. Welke fase in het ECG komt
overeen met de diastolische bloeddruk?
a. Rond de P-top
b. Tussen de Q-en R-top
c. Tussen de R- en S-top
d. Rond de T-top
4. Het hematocriet betreft het ____
a. Het percentage rode bloedlichaampjes in het bloed.
b. Het percentage witte bloedlichaampjes in het bloed.
c. Het percentage bloedplaatjes in het bloed.
d. Het percentage zuurstof in het bloed.
5. De stijging in hartfrequentie vlak voor aanvang van inspanning wordt veroorzaakt
door _____ invloed.
a. Neurale
b. Chemische
c. Hormonale
d. Mechanische
6. Een plotse daling van de bloeddruk na zeer zware inspanning kan het gevolg zijn van
a. een plotse daling van de hartfrequentie
b. een plotse daling van het slagvolume.
c. een plotse daling van de arteriële PO2
d. een plotse daling van de spierdoorbloeding.
7. Een toename in het maximale hartminuutvolume als gevolg van duurtraining zal
vooral het gevolg zijn van
a. Een toename in de maximale hartfrequentie
, b. Een toename in de maximale bloedruk
c. Een toename in het maximale slagvolume
9. Tijdens inspanning vindt herverdeling van bloed plaats door ____
a. Vasoconstrictie in de actieve gebieden en –dilatatie in de niet-actieve gebieden.
b. Vasodilatatie in de actieve gebieden en –constrictie in de niet-actieve gebieden.
c. Vasoconstrictie in de actieve en niet-actieve gebieden.
d. Vasodilatatie in de actieve en niet-actieve gebieden.
10. Uitval van het diafragma (b.v. door een dwarslaesie) zal vooral de ____ belemmeren
a. inademing
b. uitademing
c. beide
11. Het O2 gehalte (%) van de lucht op de Mount Everest (luchtdruk ca. 250 mmHg)
bedraagt ongeveer ______.
a. 21%
b. 15%
c. 7%
d. 5%
13. Op welke plaats in de spier zal de calciumconcentratie tijdens maximale contractie
het
hoogst zijn?
a. In de T-tubuli
b. Tussen de myofibrillen
c. In de mitochondria
d. In het sarcoplasmatisch reticulum
14. Welk gebied in de figuur hiernaast begrenst de myosinefilamenten?
a. Het gebied van de A-band
b. Het gebied van de I-band
c. Het gebied tussen de Z- lijnen
d. Het gebied van de H-zone
15. Welke van onderstaande processen tijdens de excitatie-contractiekoppeling vindt als
eerste plaats?
a. actine-myosine interactie
b. depolarisatie spiervezel
c. uitstoot van calcium
d. uitstoot van acetylcholine
16. Het T-tubulair systeem vormt het verlengde van ___
a. de spiervezelmembraan