Opdrachten Versnelling HV3
Voor het maken van onderstaande opdrachten maak je voornamelijk gebruik van
onderstaande formules:
𝐹𝑟𝑒𝑠 = 𝑚 ∙ 𝑎
∆𝑣
𝑎𝑔𝑒𝑚 =
∆𝑡
𝑠 = 𝑣𝑔𝑒𝑚 ∙ 𝑡
Trein
1 Een trein rijdt 14 m/s en doet er 7,3 s over om zijn snelheid te verdubbelen.
Bereken zijn versnelling.
Brommer
2 Een brommer rijdt 18 km/h als hij optrekt met een versnelling van 1,4 m/s 2.
Bereken zijn snelheid (in km/h) na 4 s.
Raceauto
3 Een raceauto trekt vanuit een onbekende beginsnelheid op naar een snelheid van
83,3 m/s. Het optrekken duurt 3,4 s en de versnelling is 6,6 m/s 2. Bereken de
beginsnelheid.
v,t-diagrammen
4 Bepaal de versnelling die hoort bij de volgende (v-t)-diagrammen.
Voor het maken van onderstaande opdrachten maak je voornamelijk gebruik van
onderstaande formules:
𝐹𝑟𝑒𝑠 = 𝑚 ∙ 𝑎
∆𝑣
𝑎𝑔𝑒𝑚 =
∆𝑡
𝑠 = 𝑣𝑔𝑒𝑚 ∙ 𝑡
Trein
1 Een trein rijdt 14 m/s en doet er 7,3 s over om zijn snelheid te verdubbelen.
Bereken zijn versnelling.
Brommer
2 Een brommer rijdt 18 km/h als hij optrekt met een versnelling van 1,4 m/s 2.
Bereken zijn snelheid (in km/h) na 4 s.
Raceauto
3 Een raceauto trekt vanuit een onbekende beginsnelheid op naar een snelheid van
83,3 m/s. Het optrekken duurt 3,4 s en de versnelling is 6,6 m/s 2. Bereken de
beginsnelheid.
v,t-diagrammen
4 Bepaal de versnelling die hoort bij de volgende (v-t)-diagrammen.