Oefen tentamen Observeren van
gedrag en interactie
Inhoud
1. Introductie:...................................................................................................... 2
2. Observeren in de klas: ...................................................................................... 3
3. Hoogbegaafdheid en onderpresteren ................................................................ 4
4. Sensitiviteit: ..................................................................................................... 5
5. Mealtime interactions ...................................................................................... 6
6. Klinische praktijk ............................................................................................. 7
7. Agressie, gehoorzaamheid en disciplineren ....................................................... 7
Antwoorden: ....................................................................................................... 8
, 1. Introductie:
1. Wat wordt bedoeld met ecologische validiteit in observatieonderzoek? Noem twee
factoren die deze validiteit kunnen beïnvloeden.
2. Noem twee manieren waarop je ouder-kind interacties kunt observeren. Wat zijn de
voor- en nadelen van beide methoden?
3. Wat zijn twee sterke en twee zwakke kanten van gestructureerde observaties in een
laboratoriumsetting?
4. Hoe kan observer-reactiviteit de validiteit van observaties beïnvloeden? Noem een
manier om dit effect te minimaliseren.
5. Vergelijk event-based codering en macro-level codering. Wat zijn de belangrijkste
verschillen en wanneer zou je welke methode gebruiken?
6. Waarom is intercodeurbetrouwbaarheid belangrijk bij observatieonderzoek? Beschrijf
twee methoden om dit te meten.
7. Wat zijn de verschillen tussen gedragsfrequentiecodering en micro-level codering? Geef
een voorbeeld van een situatie waarin elk van deze methoden effectief zou kunnen zijn.
8. Welke rol speelt de observatielocatie in de validiteit van observaties? Vergelijk de voor-
en nadelen van observaties thuis versus in een laboratorium.
9. Waarom kunnen gestructureerde taken nuttig zijn ondanks hun beperkingen in
ecologische validiteit?
10. Waarom is het belangrijk om directe observatie te gebruiken bij onderzoek naar ouder-
kind interacties, in plaats van alleen vragenlijsten?
11. Wat wordt bedoeld met coder drift? Hoe kan dit worden voorkomen?
12. In longitudinaal onderzoek kunnen codeurs bias introduceren. Noem een voorbeeld van
hoe dit kan gebeuren en een manier om dit te verminderen.
13. Welke ethische overwegingen spelen een rol bij observatieonderzoek met ouders en
kinderen?
14. Welke invloed heeft de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) op
observatieonderzoek? Noem een maatregel die onderzoekers moeten nemen om te
voldoen aan privacyregels.
15. In het artikel van Gardner (2000) wordt gesteld dat test-hertest betrouwbaarheid van
observaties laag is. Wat betekent dit voor de interpretatie van observatieresultaten?
16. Bekijk onderstaande tabel/figuur (stel je voor dat er een grafiek is met
observatieresultaten van ouder-kind interacties in een laboratorium en thuis). Wat valt
op aan de verschillen tussen deze settings? Hoe kun je dit verklaren?
17. Hoe beïnvloedt de keuze van een observatiemethode de generaliseerbaarheid van
onderzoeksresultaten?
18. Waarom is het combineren van verschillende observatiemethoden een waardevolle
strategie in onderzoek?
19. Welke rol speelt interpersoonlijke variabiliteit in ouder-kind interacties bij
observatieonderzoek?
20. Welke beperkingen van observatieonderzoek worden in het artikel van Gardner (2000)
besproken? Noem twee en geef suggesties voor hoe deze kunnen worden aangepakt.
gedrag en interactie
Inhoud
1. Introductie:...................................................................................................... 2
2. Observeren in de klas: ...................................................................................... 3
3. Hoogbegaafdheid en onderpresteren ................................................................ 4
4. Sensitiviteit: ..................................................................................................... 5
5. Mealtime interactions ...................................................................................... 6
6. Klinische praktijk ............................................................................................. 7
7. Agressie, gehoorzaamheid en disciplineren ....................................................... 7
Antwoorden: ....................................................................................................... 8
, 1. Introductie:
1. Wat wordt bedoeld met ecologische validiteit in observatieonderzoek? Noem twee
factoren die deze validiteit kunnen beïnvloeden.
2. Noem twee manieren waarop je ouder-kind interacties kunt observeren. Wat zijn de
voor- en nadelen van beide methoden?
3. Wat zijn twee sterke en twee zwakke kanten van gestructureerde observaties in een
laboratoriumsetting?
4. Hoe kan observer-reactiviteit de validiteit van observaties beïnvloeden? Noem een
manier om dit effect te minimaliseren.
5. Vergelijk event-based codering en macro-level codering. Wat zijn de belangrijkste
verschillen en wanneer zou je welke methode gebruiken?
6. Waarom is intercodeurbetrouwbaarheid belangrijk bij observatieonderzoek? Beschrijf
twee methoden om dit te meten.
7. Wat zijn de verschillen tussen gedragsfrequentiecodering en micro-level codering? Geef
een voorbeeld van een situatie waarin elk van deze methoden effectief zou kunnen zijn.
8. Welke rol speelt de observatielocatie in de validiteit van observaties? Vergelijk de voor-
en nadelen van observaties thuis versus in een laboratorium.
9. Waarom kunnen gestructureerde taken nuttig zijn ondanks hun beperkingen in
ecologische validiteit?
10. Waarom is het belangrijk om directe observatie te gebruiken bij onderzoek naar ouder-
kind interacties, in plaats van alleen vragenlijsten?
11. Wat wordt bedoeld met coder drift? Hoe kan dit worden voorkomen?
12. In longitudinaal onderzoek kunnen codeurs bias introduceren. Noem een voorbeeld van
hoe dit kan gebeuren en een manier om dit te verminderen.
13. Welke ethische overwegingen spelen een rol bij observatieonderzoek met ouders en
kinderen?
14. Welke invloed heeft de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) op
observatieonderzoek? Noem een maatregel die onderzoekers moeten nemen om te
voldoen aan privacyregels.
15. In het artikel van Gardner (2000) wordt gesteld dat test-hertest betrouwbaarheid van
observaties laag is. Wat betekent dit voor de interpretatie van observatieresultaten?
16. Bekijk onderstaande tabel/figuur (stel je voor dat er een grafiek is met
observatieresultaten van ouder-kind interacties in een laboratorium en thuis). Wat valt
op aan de verschillen tussen deze settings? Hoe kun je dit verklaren?
17. Hoe beïnvloedt de keuze van een observatiemethode de generaliseerbaarheid van
onderzoeksresultaten?
18. Waarom is het combineren van verschillende observatiemethoden een waardevolle
strategie in onderzoek?
19. Welke rol speelt interpersoonlijke variabiliteit in ouder-kind interacties bij
observatieonderzoek?
20. Welke beperkingen van observatieonderzoek worden in het artikel van Gardner (2000)
besproken? Noem twee en geef suggesties voor hoe deze kunnen worden aangepakt.