Recht voor Besturen en Organiseren:
Hoorcollege aantekeningen aangevuld met de opgegeven literatuur uit A.J.G.M. van Montfort
(red.) e.a., Hoofdstukken recht voor niet-juristen, Inleiding recht voor bedrijf en overheid
(vierde druk), Boom juridisch, Den Haag, 2020.
Hoorcollege 1: Algemene informatie over het vak
In onze samenleving moeten voortdurend allerlei belangen tegen elkaar afgewogen worden.
Een voorbeeld hiervan is de afweging tussen bedrijfsbelangen en het belang van de
milieubescherming (deze afweging is vastgelegd in de Wet milieubeheer).
Het recht: Het recht is dus het resultaat van belangenafwegingen die door de wetgever en –
in mindere mate – de rechterlijke macht op een abstract niveau zijn uitgevoerd.
De formele wetgever: De regering en de (Eerste en Tweede kamer van de) Staten-
Generaal gezamenlijk.
De rechterlijke macht is hierbij in de loop van de tijd een steeds belangrijkere rol gaan spelen
door o.a. het toenemende gebruik van open normen in wettelijke regelingen. Het recht biedt
ook een normatief kader voor toekomstige belangenafwegingen op een meer concreet
niveau, zoals die in het maatschappelijk verkeer worden verricht door overheidsorganisaties
en particuliere instanties of personen.
-Belang van juridische basiskennis voor bestuurskundigen, organisatiewetenschappers,
bedrijfskundigen, politicologen e.d.
Enkele voorbeelden (waarom dit vak relevant is):
-Starten van een onderneming.
-Bouwen van een nieuw bedrijfspand.
-Ontslaan van werknemers bij economische tegenslag.
-Strafvervolging van onderneming bij milieudelict ->Bij milieudelict kan een bedrijf een flinke
boete krijgen en degene die het doet kan wel een gevangenisstraf krijgen.
-Overheidsmaatregelen tijdens coronapandemie ->Of de avondklok wel of niet mag is een
juridische vraag.
-Hoofdstuk 1 van het studieboek: Grondslagen en structuur van het Nederlandse recht
Het gaat hierbij om vragen als:
-Wat houdt het in dat wij in een rechtsstaat leven?
-Wat is ‘recht’ eigenlijk?
-Uit welke bronnen is het ‘recht’ afkomstig?
-Welke indelingen kunnen binnen het ‘recht’ worden gemaakt?
Het begrip ‘rechtsstaat’:
Wat houdt de rechtstaat in? Een rechtstaat heeft een aantal kenmerken:
-Grondrechten (kenmerk rechtsstaat).
Voorbeeld: Vrijheid van godsdienst. Je hebt klassieke grondrechten die erop gericht zijn om
de overheid op afstand te houden en je het sociale grondrechten die zorgen dat er
bijvoorbeeld voldoende werkgelegenheid en gezondheidszorg is in een land.
-Legaliteitseis (kenmerk rechtsstaat).
De overheid mag alleen in de eigendommen en of vrijheden van burgers ingrijpen als
daarvoor een wettelijke grondslag/basis is. De overheid mag bijvoorbeeld hondenbelasting
opleggen omdat er een wet is die zegt dat die geheven mag worden door gemeentes aan
eigenaren van een hond (dit is bijvoorbeeld niet het geval als je een kanariepiet hebt).
Voorbeeld: Het fluor arrest ->Gemeentelijk waterleidingbedrijf Amsterdam die opeens fluor in
het water deden. Er waren mensen die dit niet wilden en die zijn een rechtszaak begonnen
1
,en de rechter heeft geoordeeld dat dit niet kan omdat mensen verplicht worden om water
met fluor te drinken, er wordt ingegrepen in de vrijheden van mensen (er is geen wet die dit
mogelijk gemaakt en daarom werd het bedrijf gezomerd te stoppen). Er is toen een wet
gemaakt die het wel mogelijk maakt om fluor aan het water toe te voegen waardoor er toch
speciaal een wet is gemaakt om fluor aan het water toe te voegen. De legaliteitseis was ook
aan de orde bij de avondklok, het was de vraag of daar een wettelijke grondslag voor was of
niet. De rechter heeft geoordeeld dat de wettelijke grondslag er wel was.
-Trias politica (kenmerk rechtsstaat).
Op landelijkniveau is de uitvoerende macht (de regering), de rechtsprekende macht (de
Eerste en Tweede kamer samen), de wetgevende macht (Hoge raad). Op provinciaal niveau
is de rechtssprekende macht (de provinciale staten), de uitvoerende macht (college van
gedeputeerde staten), de wetgevende macht (college hoven). Op gemeentelijk niveau is de
uitvoerende macht (college van b en b), de wetgevende macht (de gemeenteraad).
-Gebondenheid aan de wet (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen moet zich aan de wet houden. Als je te echt veel hard rijdt kom je voor een
strafrechter te staan om een straf te krijgen.
-Onafhankelijke rechtspraak (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen heeft toegang tot een rechter om problemen op te lossen (zoals oplichting).
-Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen (kenmerk rechtsstaat).
Voorbeeld vuurwerkramp: Het bedrijf had zich niet aan de milieuvoorschriften gehouden
maar de gemeente en landelijke inspecties hadden ook geen controles uitgeoefend op het
bedrijf. De directeur van het vuurwerkbedrijf is de gevangenis in beland maar die
ambtenaren die geen controles hebben uitgeoefend hebben geen straf opgelegd gelegen en
dat heeft te maken met de strafrechtelijke immuniteit van de overheid (als ambtenaar kan je
dus voor het maken van een fout tijdens je werk niet strafbaar worden gesteld).
-Rechtszekerheid (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen moet weten wat zijn rechten en plichten zijn (je moet bijvoorbeeld weten dat je
recht hebt op kinderbijslag als je een kind krijgt). Voorbeeld spitsstrook: Uitspraak van
bestuursrechter over de strook omdat die strook niet meer gebruikt mocht worden (werd
afgesloten). De uitspraak is toen nog eens goed bekeken en toen is er naar voren gekomen
dat de strook wel gebruikt mocht worden maar dat er niet te hard op mocht worden gereden
en er dus een bord geplaatst moet worden. Het biedt dus ook zekerheid voor gerechtelijke
uitspraken, deze moeten ook helder zijn.
(Bron: Hoofdstukken recht voor niet-juristen, blz. 22-30).
Aspecten/kenmerken van een rechtsstaat:
-Grondrechten ->Burgers hebben bepaalde grondrechten, die (onder meer) in de grondwet
(Gw) zijn opgenomen. Er kan hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen:
Klassieke grondrechten:
Hieronder horen o.a. het gelijkheidsbeginsel oftewel het discriminatieverbod (art. 1 Gw), de
vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw) en het recht op privacy (art. 10 Gw).
Klassieke grondrechten gaan om fundamentele rechten van burgers waarop de overheid in
beginsel geen inbreuk mag maken. Burgers kunnen zich in gerechtelijke procedures tegen
overheidsinstanties (of tegen private organisaties of medeburgers) beroepen op deze
rechten.
Sociale grondrechten:
Hieronder worden o.a. het recht op bestaanszekerheid (art. 20 Gw) en het recht op onderwijs
(art. 23 Gw) gerekend.
Het betreft verplichtingen voor de overheid om actief op te treden ten behoeve van de
welvaart en het welzijn van burgers. Op dit soort grondrechten kan – anders dan bij de
2
,klassieke grondrechten het geval is – in gerechtelijke procedures geen beroep worden
gedaan.
Beide soorten grondrechten hebben geen absoluut karakter. Voor veel klassieke
grondrechten geldt dat de desbetreffende Grondwetsbepalingen zinsneden als ‘behoudens
bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen’ (art. 4 Gw), ‘behoudens bij ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet’ (art. 6 lid 1 Gw) en ‘behoudens bij of krachtens de wet
te stellen beperkingen’ (art. 10 lid 1 Gw). Dat betekent dat op deze grondrechten inbreuk kan
worden gemaakt in een wet in formele zin en vaak ook in daarop gebaseerde lagere
regelingen.
Er kan zich ook een spanning voordoen tussen verschillende klassieke grondrechten. Het
recht op vrijheid van meningsuiting kan bijvoorbeeld op gespannen voet staan met het
verbod van discriminatie van mensen wegens hun herkomst of geloof, of met het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De term wet wordt in de Grondwet altijd
gebruikt in de betekenis van ‘wet in formele zin’. Dat is een regeling die is vastgesteld door
de formele wetgever -> de regering en de (Eerste en Tweede kamer van de) Staten-
Generaal gezamenlijk. Is sprake van een botsing van verschillende klassieke grondrechten,
dan moet er een knoop worden doorgehakt. Bij een botsing van discriminatieverbod met een
klassiek grondrecht wordt de laatste jaren door de wetgever en de rechtelijke macht steeds
meer gewicht toegekend aan het discriminatieverbod.
-Legaliteitseis ->Deze eis heeft met de klassieke grondrechten gemeen dat hij burgers
beschermt tegen de overheid.
De legaliteitseis houdt in dat elk overheidsoptreden waarbij vrijheden of eigendommen van
burgers worden ingeperkt, een wettelijke grondslag moet hebben. Een overheidsinstantie
mag dan in de vrijheden of eigendommen van burgers ingrijpen als ze daartoe een
bevoegdheid bezit die haar direct of indirect is verleend door de hoogste wetgevende
instantie in ons land (de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk).
-Trias politica ->Binnen de overheid wordt gestreefd naar een scheiding tussen de
wetgevende, uitvoerende en de rechtsprekende macht. Dat heeft ten doel machtsmisbruik
ten gevolge van een te grote concentratie van macht bij bepaalde overheidsinstanties te
voorkomen. Zo is de Staten-Generaal (Tweede en Eerste kamer) bevoegd om – samen met
de regering – wetten in formele zin uit te vaardigen. Deze wetgeving wordt vervolgens
uitgevoerd door allerlei andere overheidsinstanties, zoals de regering, de politie en de
Belastingdienst. Eventuele conflicten over de uitvoering van wetgeving kunnen worden
voorgelegd aan gerechtelijke colleges om door hen te worden beslecht. De regering is
ingevolge de Grondwet betrokken bij het wetgevingsproces van de Staten-Generaal.
Bovendien houdt de regering zich niet alleen bezig met het ter uitvoering van wetgeving
nemen van beslissingen in concrete gevallen; ze roept daarnaast ook op grote schaal
algemene regelingen in het leven waarin de door haar uit te voeren wetgeving nader wordt
ingevuld. De afgrenzing tussen de wetgevende en de uitvoerende macht is dus hier en daar
poreus. Maar ook tussen de wetgevende en de uitvoerende macht bestaat geen waterdichte
scheidslijn. Zo is het rechters grondwettelijk toegestaan om naast hun rechtsprekende taak
ook het lidmaatschap van de (Eerste kamer van de) Staten-Generaal uit te oefenen.
-Gebondenheid aan de wet ->Iedereen heeft zich te houden aan de in Nederland geldende
wettelijke regelingen. Dat geldt voor zowel bedrijven en burgers als overheidsinstanties.
-Onafhankelijke rechtsspraak ->Burgers en particuliere organisaties hebben de
mogelijkheid om zich tot een onafhankelijke rechter te wenden als zij van oordeel zijn dat
een andere partij bepaalde wettelijke voorschriften of contractuele afspraken in onvoldoende
mate is nagekomen.
3
, -Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen ->Personen of organisaties die zich
schuldig hebben gemaakt aan wetsovertredingen die te kwalificeren zijn als strafbare feiten,
kunnen worden vervolgd door het Openbaar Ministerie en vervolgens kunnen worden
bestraft door de rechter. Dat geldt ook voor overheidsinstanties (deze kunnen wel moeilijker
strafrechtelijk worden vervolgd door de hoge strafrechtelijke immuniteit die zij genieten). Zo
heeft de Hoge Raad in twee zogenoemde Pikmeer-arresten geoordeeld dat er geen
strafrechtelijke vervolging van provincies en gemeenten en van hun bestuurders en
ambtenaren mogelijk is als de wetsovertreding heeft plaatsgevonden bij een activiteit die
uitsluitend door een overheidsinstantie kan worden verricht.
-Rechtszekerheid ->De in Nederland geldende wettelijke regelingen zouden voldoende
rechtszekerheid moeten bieden.
De wettelijke regelingen moeten daarom voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn voor degene
voor wie ze zijn bedoeld. Daarnaast moeten de uitspraken van de rechter ook voldoende
duidelijk zijn voor de procederende partijen.
-Wat betekent de term ‘recht’?
Het recht is dus het resultaat van belangenafwegingen die door de wetgever en – in mindere
mate – de rechterlijke macht op een abstract niveau zijn uitgevoerd.
Onderscheid tussen positief recht en natuurrecht
Positief recht: De rechten en verplichtingen die op een bepaald moment gelden in een
bepaald territoriaal gebied en waarvan je de naleving kan afdwingen bij een rechter. Als je
een laptop koopt en jij die laptop moet betalen en de verkoper de laptop moet geven aan je,
is een positief recht (alle regels die in de wetboeken en internationale verdragen staan en die
rechters hebben, het recht wat op dit moment in Nederland geldt). Wij houden ons bezig met
het Nederlandse positieve recht in dit college.
Natuurrecht: Begrip van rechtsfilosofen. De rechtsfilosofen zeggen dat er bepaalde normen
en regels zijn die altijd gelden en ontsproten zijn aan de menselijke geest en reden. Dit zijn
regels die altijd gelden en voor iedereen. Je mag bijvoorbeeld in het beginsel niet liegen en
doden. Sommige filosofen zeggen ook dat er geen natuurrecht is maar anderen wel.
(Bron: Hoofdstukken recht voor niet-juristen, blz. 30-31).
->Positief recht:
Onder het positieve recht worden verstaan de algemene, voor herhaalde toepassing vatbare,
normen die op een bepaald tijdstip binnen een bepaald territoriaal gebied gelden en waarvan
de naleving kan worden afgedwongen via de rechter.
Het positieve recht omvat dus de algemene normen die op dit moment in ons land gelden en
waarop een beroep kan worden gedaan bij de Nederlandse rechter (en in bepaalde gevallen
ook bij een internationaal rechtscollege). Deze rechtsnormen zijn onder meer in wetten
neergelegd maar zijn ook te vinden in internationale verdragen en jurisprudentie. Dit zijn de
rechtsnormen waarmee burgers, bedrijven en (semi)overheidsorganisaties in de praktijk te
maken hebben. Interne regelingen van deze actoren mogen niet op gespannen voet staan
met het positieve recht. Een belangrijke kanttekening hierbij is de interne regelgeving van
kerkgenootschappen. Deze heeft een hogere juridische status dan de interne regelgeving
van andere maatschappelijke organisaties (‘interne kerkrecht’). Het ‘interne kerkrecht’ weegt
niet altijd zwaarder dan het overheidsrecht. Het positieve recht vloeit in de beeldspraak voort
uit zogenoemde ‘rechtsbronnen’. Wie die bronnen kent en opspoort, kan overgaan tot
‘rechtsvinding’; het beantwoorden van een rechtsvraag in een concrete casus.
->Natuurrecht:
Het bestaan van dit soort recht wordt verondersteld door sommige rechtsfilosofen. Bij
natuurrecht gaat hem om rechtsnormen die in belangrijke mate een universeel karakter
hebben en dus niet gebonden zijn aan een bepaalde tijdsperiode en een bepaald territorium
(zoals de norm liegen is uit den boze en doden is immoreel). Dergelijke fundamentele
normen zouden volgens de aanhangers van de natuurrechtleer afkomstig zijn van een
4
Hoorcollege aantekeningen aangevuld met de opgegeven literatuur uit A.J.G.M. van Montfort
(red.) e.a., Hoofdstukken recht voor niet-juristen, Inleiding recht voor bedrijf en overheid
(vierde druk), Boom juridisch, Den Haag, 2020.
Hoorcollege 1: Algemene informatie over het vak
In onze samenleving moeten voortdurend allerlei belangen tegen elkaar afgewogen worden.
Een voorbeeld hiervan is de afweging tussen bedrijfsbelangen en het belang van de
milieubescherming (deze afweging is vastgelegd in de Wet milieubeheer).
Het recht: Het recht is dus het resultaat van belangenafwegingen die door de wetgever en –
in mindere mate – de rechterlijke macht op een abstract niveau zijn uitgevoerd.
De formele wetgever: De regering en de (Eerste en Tweede kamer van de) Staten-
Generaal gezamenlijk.
De rechterlijke macht is hierbij in de loop van de tijd een steeds belangrijkere rol gaan spelen
door o.a. het toenemende gebruik van open normen in wettelijke regelingen. Het recht biedt
ook een normatief kader voor toekomstige belangenafwegingen op een meer concreet
niveau, zoals die in het maatschappelijk verkeer worden verricht door overheidsorganisaties
en particuliere instanties of personen.
-Belang van juridische basiskennis voor bestuurskundigen, organisatiewetenschappers,
bedrijfskundigen, politicologen e.d.
Enkele voorbeelden (waarom dit vak relevant is):
-Starten van een onderneming.
-Bouwen van een nieuw bedrijfspand.
-Ontslaan van werknemers bij economische tegenslag.
-Strafvervolging van onderneming bij milieudelict ->Bij milieudelict kan een bedrijf een flinke
boete krijgen en degene die het doet kan wel een gevangenisstraf krijgen.
-Overheidsmaatregelen tijdens coronapandemie ->Of de avondklok wel of niet mag is een
juridische vraag.
-Hoofdstuk 1 van het studieboek: Grondslagen en structuur van het Nederlandse recht
Het gaat hierbij om vragen als:
-Wat houdt het in dat wij in een rechtsstaat leven?
-Wat is ‘recht’ eigenlijk?
-Uit welke bronnen is het ‘recht’ afkomstig?
-Welke indelingen kunnen binnen het ‘recht’ worden gemaakt?
Het begrip ‘rechtsstaat’:
Wat houdt de rechtstaat in? Een rechtstaat heeft een aantal kenmerken:
-Grondrechten (kenmerk rechtsstaat).
Voorbeeld: Vrijheid van godsdienst. Je hebt klassieke grondrechten die erop gericht zijn om
de overheid op afstand te houden en je het sociale grondrechten die zorgen dat er
bijvoorbeeld voldoende werkgelegenheid en gezondheidszorg is in een land.
-Legaliteitseis (kenmerk rechtsstaat).
De overheid mag alleen in de eigendommen en of vrijheden van burgers ingrijpen als
daarvoor een wettelijke grondslag/basis is. De overheid mag bijvoorbeeld hondenbelasting
opleggen omdat er een wet is die zegt dat die geheven mag worden door gemeentes aan
eigenaren van een hond (dit is bijvoorbeeld niet het geval als je een kanariepiet hebt).
Voorbeeld: Het fluor arrest ->Gemeentelijk waterleidingbedrijf Amsterdam die opeens fluor in
het water deden. Er waren mensen die dit niet wilden en die zijn een rechtszaak begonnen
1
,en de rechter heeft geoordeeld dat dit niet kan omdat mensen verplicht worden om water
met fluor te drinken, er wordt ingegrepen in de vrijheden van mensen (er is geen wet die dit
mogelijk gemaakt en daarom werd het bedrijf gezomerd te stoppen). Er is toen een wet
gemaakt die het wel mogelijk maakt om fluor aan het water toe te voegen waardoor er toch
speciaal een wet is gemaakt om fluor aan het water toe te voegen. De legaliteitseis was ook
aan de orde bij de avondklok, het was de vraag of daar een wettelijke grondslag voor was of
niet. De rechter heeft geoordeeld dat de wettelijke grondslag er wel was.
-Trias politica (kenmerk rechtsstaat).
Op landelijkniveau is de uitvoerende macht (de regering), de rechtsprekende macht (de
Eerste en Tweede kamer samen), de wetgevende macht (Hoge raad). Op provinciaal niveau
is de rechtssprekende macht (de provinciale staten), de uitvoerende macht (college van
gedeputeerde staten), de wetgevende macht (college hoven). Op gemeentelijk niveau is de
uitvoerende macht (college van b en b), de wetgevende macht (de gemeenteraad).
-Gebondenheid aan de wet (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen moet zich aan de wet houden. Als je te echt veel hard rijdt kom je voor een
strafrechter te staan om een straf te krijgen.
-Onafhankelijke rechtspraak (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen heeft toegang tot een rechter om problemen op te lossen (zoals oplichting).
-Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen (kenmerk rechtsstaat).
Voorbeeld vuurwerkramp: Het bedrijf had zich niet aan de milieuvoorschriften gehouden
maar de gemeente en landelijke inspecties hadden ook geen controles uitgeoefend op het
bedrijf. De directeur van het vuurwerkbedrijf is de gevangenis in beland maar die
ambtenaren die geen controles hebben uitgeoefend hebben geen straf opgelegd gelegen en
dat heeft te maken met de strafrechtelijke immuniteit van de overheid (als ambtenaar kan je
dus voor het maken van een fout tijdens je werk niet strafbaar worden gesteld).
-Rechtszekerheid (kenmerk rechtsstaat).
Iedereen moet weten wat zijn rechten en plichten zijn (je moet bijvoorbeeld weten dat je
recht hebt op kinderbijslag als je een kind krijgt). Voorbeeld spitsstrook: Uitspraak van
bestuursrechter over de strook omdat die strook niet meer gebruikt mocht worden (werd
afgesloten). De uitspraak is toen nog eens goed bekeken en toen is er naar voren gekomen
dat de strook wel gebruikt mocht worden maar dat er niet te hard op mocht worden gereden
en er dus een bord geplaatst moet worden. Het biedt dus ook zekerheid voor gerechtelijke
uitspraken, deze moeten ook helder zijn.
(Bron: Hoofdstukken recht voor niet-juristen, blz. 22-30).
Aspecten/kenmerken van een rechtsstaat:
-Grondrechten ->Burgers hebben bepaalde grondrechten, die (onder meer) in de grondwet
(Gw) zijn opgenomen. Er kan hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen:
Klassieke grondrechten:
Hieronder horen o.a. het gelijkheidsbeginsel oftewel het discriminatieverbod (art. 1 Gw), de
vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw) en het recht op privacy (art. 10 Gw).
Klassieke grondrechten gaan om fundamentele rechten van burgers waarop de overheid in
beginsel geen inbreuk mag maken. Burgers kunnen zich in gerechtelijke procedures tegen
overheidsinstanties (of tegen private organisaties of medeburgers) beroepen op deze
rechten.
Sociale grondrechten:
Hieronder worden o.a. het recht op bestaanszekerheid (art. 20 Gw) en het recht op onderwijs
(art. 23 Gw) gerekend.
Het betreft verplichtingen voor de overheid om actief op te treden ten behoeve van de
welvaart en het welzijn van burgers. Op dit soort grondrechten kan – anders dan bij de
2
,klassieke grondrechten het geval is – in gerechtelijke procedures geen beroep worden
gedaan.
Beide soorten grondrechten hebben geen absoluut karakter. Voor veel klassieke
grondrechten geldt dat de desbetreffende Grondwetsbepalingen zinsneden als ‘behoudens
bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen’ (art. 4 Gw), ‘behoudens bij ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet’ (art. 6 lid 1 Gw) en ‘behoudens bij of krachtens de wet
te stellen beperkingen’ (art. 10 lid 1 Gw). Dat betekent dat op deze grondrechten inbreuk kan
worden gemaakt in een wet in formele zin en vaak ook in daarop gebaseerde lagere
regelingen.
Er kan zich ook een spanning voordoen tussen verschillende klassieke grondrechten. Het
recht op vrijheid van meningsuiting kan bijvoorbeeld op gespannen voet staan met het
verbod van discriminatie van mensen wegens hun herkomst of geloof, of met het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De term wet wordt in de Grondwet altijd
gebruikt in de betekenis van ‘wet in formele zin’. Dat is een regeling die is vastgesteld door
de formele wetgever -> de regering en de (Eerste en Tweede kamer van de) Staten-
Generaal gezamenlijk. Is sprake van een botsing van verschillende klassieke grondrechten,
dan moet er een knoop worden doorgehakt. Bij een botsing van discriminatieverbod met een
klassiek grondrecht wordt de laatste jaren door de wetgever en de rechtelijke macht steeds
meer gewicht toegekend aan het discriminatieverbod.
-Legaliteitseis ->Deze eis heeft met de klassieke grondrechten gemeen dat hij burgers
beschermt tegen de overheid.
De legaliteitseis houdt in dat elk overheidsoptreden waarbij vrijheden of eigendommen van
burgers worden ingeperkt, een wettelijke grondslag moet hebben. Een overheidsinstantie
mag dan in de vrijheden of eigendommen van burgers ingrijpen als ze daartoe een
bevoegdheid bezit die haar direct of indirect is verleend door de hoogste wetgevende
instantie in ons land (de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk).
-Trias politica ->Binnen de overheid wordt gestreefd naar een scheiding tussen de
wetgevende, uitvoerende en de rechtsprekende macht. Dat heeft ten doel machtsmisbruik
ten gevolge van een te grote concentratie van macht bij bepaalde overheidsinstanties te
voorkomen. Zo is de Staten-Generaal (Tweede en Eerste kamer) bevoegd om – samen met
de regering – wetten in formele zin uit te vaardigen. Deze wetgeving wordt vervolgens
uitgevoerd door allerlei andere overheidsinstanties, zoals de regering, de politie en de
Belastingdienst. Eventuele conflicten over de uitvoering van wetgeving kunnen worden
voorgelegd aan gerechtelijke colleges om door hen te worden beslecht. De regering is
ingevolge de Grondwet betrokken bij het wetgevingsproces van de Staten-Generaal.
Bovendien houdt de regering zich niet alleen bezig met het ter uitvoering van wetgeving
nemen van beslissingen in concrete gevallen; ze roept daarnaast ook op grote schaal
algemene regelingen in het leven waarin de door haar uit te voeren wetgeving nader wordt
ingevuld. De afgrenzing tussen de wetgevende en de uitvoerende macht is dus hier en daar
poreus. Maar ook tussen de wetgevende en de uitvoerende macht bestaat geen waterdichte
scheidslijn. Zo is het rechters grondwettelijk toegestaan om naast hun rechtsprekende taak
ook het lidmaatschap van de (Eerste kamer van de) Staten-Generaal uit te oefenen.
-Gebondenheid aan de wet ->Iedereen heeft zich te houden aan de in Nederland geldende
wettelijke regelingen. Dat geldt voor zowel bedrijven en burgers als overheidsinstanties.
-Onafhankelijke rechtsspraak ->Burgers en particuliere organisaties hebben de
mogelijkheid om zich tot een onafhankelijke rechter te wenden als zij van oordeel zijn dat
een andere partij bepaalde wettelijke voorschriften of contractuele afspraken in onvoldoende
mate is nagekomen.
3
, -Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen ->Personen of organisaties die zich
schuldig hebben gemaakt aan wetsovertredingen die te kwalificeren zijn als strafbare feiten,
kunnen worden vervolgd door het Openbaar Ministerie en vervolgens kunnen worden
bestraft door de rechter. Dat geldt ook voor overheidsinstanties (deze kunnen wel moeilijker
strafrechtelijk worden vervolgd door de hoge strafrechtelijke immuniteit die zij genieten). Zo
heeft de Hoge Raad in twee zogenoemde Pikmeer-arresten geoordeeld dat er geen
strafrechtelijke vervolging van provincies en gemeenten en van hun bestuurders en
ambtenaren mogelijk is als de wetsovertreding heeft plaatsgevonden bij een activiteit die
uitsluitend door een overheidsinstantie kan worden verricht.
-Rechtszekerheid ->De in Nederland geldende wettelijke regelingen zouden voldoende
rechtszekerheid moeten bieden.
De wettelijke regelingen moeten daarom voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn voor degene
voor wie ze zijn bedoeld. Daarnaast moeten de uitspraken van de rechter ook voldoende
duidelijk zijn voor de procederende partijen.
-Wat betekent de term ‘recht’?
Het recht is dus het resultaat van belangenafwegingen die door de wetgever en – in mindere
mate – de rechterlijke macht op een abstract niveau zijn uitgevoerd.
Onderscheid tussen positief recht en natuurrecht
Positief recht: De rechten en verplichtingen die op een bepaald moment gelden in een
bepaald territoriaal gebied en waarvan je de naleving kan afdwingen bij een rechter. Als je
een laptop koopt en jij die laptop moet betalen en de verkoper de laptop moet geven aan je,
is een positief recht (alle regels die in de wetboeken en internationale verdragen staan en die
rechters hebben, het recht wat op dit moment in Nederland geldt). Wij houden ons bezig met
het Nederlandse positieve recht in dit college.
Natuurrecht: Begrip van rechtsfilosofen. De rechtsfilosofen zeggen dat er bepaalde normen
en regels zijn die altijd gelden en ontsproten zijn aan de menselijke geest en reden. Dit zijn
regels die altijd gelden en voor iedereen. Je mag bijvoorbeeld in het beginsel niet liegen en
doden. Sommige filosofen zeggen ook dat er geen natuurrecht is maar anderen wel.
(Bron: Hoofdstukken recht voor niet-juristen, blz. 30-31).
->Positief recht:
Onder het positieve recht worden verstaan de algemene, voor herhaalde toepassing vatbare,
normen die op een bepaald tijdstip binnen een bepaald territoriaal gebied gelden en waarvan
de naleving kan worden afgedwongen via de rechter.
Het positieve recht omvat dus de algemene normen die op dit moment in ons land gelden en
waarop een beroep kan worden gedaan bij de Nederlandse rechter (en in bepaalde gevallen
ook bij een internationaal rechtscollege). Deze rechtsnormen zijn onder meer in wetten
neergelegd maar zijn ook te vinden in internationale verdragen en jurisprudentie. Dit zijn de
rechtsnormen waarmee burgers, bedrijven en (semi)overheidsorganisaties in de praktijk te
maken hebben. Interne regelingen van deze actoren mogen niet op gespannen voet staan
met het positieve recht. Een belangrijke kanttekening hierbij is de interne regelgeving van
kerkgenootschappen. Deze heeft een hogere juridische status dan de interne regelgeving
van andere maatschappelijke organisaties (‘interne kerkrecht’). Het ‘interne kerkrecht’ weegt
niet altijd zwaarder dan het overheidsrecht. Het positieve recht vloeit in de beeldspraak voort
uit zogenoemde ‘rechtsbronnen’. Wie die bronnen kent en opspoort, kan overgaan tot
‘rechtsvinding’; het beantwoorden van een rechtsvraag in een concrete casus.
->Natuurrecht:
Het bestaan van dit soort recht wordt verondersteld door sommige rechtsfilosofen. Bij
natuurrecht gaat hem om rechtsnormen die in belangrijke mate een universeel karakter
hebben en dus niet gebonden zijn aan een bepaalde tijdsperiode en een bepaald territorium
(zoals de norm liegen is uit den boze en doden is immoreel). Dergelijke fundamentele
normen zouden volgens de aanhangers van de natuurrechtleer afkomstig zijn van een
4