Pathologie – samenvatting
6. Aandoeningen van hart- en vaatstelsel
6.3 Hart- en vaatziekten
6.3.1 De rol van cholesterol en andere vetten bij hart- en vaatziekten
Hyperlipidemie
Hyperlipidemie is algemene term voor verhoogd lipidengehalte in bloed. Lipidengehalte in bloed beïnvloedbaar
door leefstijlveranderingen of medicatie.
Tot lipiden behoren:
- Vetten; cholesterol(esters)
- Vetzuren
- Fosfolipiden
- Triglyceriden
Cholesterol
Zachte, wasachtige substantie als belangrijk onderdeel van celmembranen vormt. Voor productie verschillende
hormonen. Wordt vervoerd door transporteiwitten (LDL = low density lipoprotein), lipoproteïnen. LDL-
cholesterol = slechte cholesterol; zet zich af op vaatwand en daar atherosclerotische plaques van vettig
materiaal vormt. Plaques vernauwen arteriën en belemmeren bloedstroom. Hoe hoger LDL, hoe groter kans op
hart- en vaatziekten. Deel cholesterol wordt vervoerd door HDL = high-density lipoprotein = goede cholesterol -
> naar lever transporteren en wordt afgebroken. Hoe hoger HDL, hoe kleiner risico op coronaire
hartaandoening. Vet wat in lichaam wordt opgeslagen bestaat voornamelijk uit triglyceriden. Hoe hoger, hoe
hoger risico coronaire vaatziekten.
Hypercholesterolemie
Bij abnormaal hoog cholesterolgehalte in bloed.
- Primair: genetische oorsprong
- Secundair: gevolg van andere ziekte; diabetes mellitus, leverfunctiestoornis.
Calorierijke voeding zorgt voor verhoogde productie LDL en cholesterol. Voeding wat veel triglyceriden en
verzadigde vetzuren bevat, verhoogd ook productie cholesterol en remt opname cholesterol uit bloed door
lever.
6.3.4 Stoornissen van de hartfunctie
Coronaire hartziekte
Bloedstroom door kransslagaders verminderd. Belangrijke doodsoorzaak. Symptomen coronaire hartziekten
zijn: angina pectoris, palpitaties, duizeligheid / flauwvallen, vermoeidheid na inspanning of in rust en
kortademigheid. Myocardinfarct en plotselinge hartdood zijn acute vormen. Hevige pijn op borst, misselijkheid,
transpireren en braken zijn typische symptomen hartaanval. Klachten verschillen per patiënt.
Risicofactoren coronaire hartziekte:
- Hoge bloeddruk - Verhoogd cholesterol
- Hart- en vaatziekten familie - Langdurige stress
- Overgewicht - Diabetes
Diagnostiek:
- Anamnese (aandacht aan risicofactoren) - CT-scan
- Lichamelijk onderzoek - MRI-angiografie
- Inspannings-ECG (elektrocardiogram) - Bloedonderzoek
- Echocardiografie
- Coronaire angiografie
- Hartkatherisatie
Behandeling hangt af van aard klachten en ernst. Medicijnen: antistollingsmiddelen, cholesterol verlagende
middelen, bètablokkers. Ook leefstijlverandering. Ook angioplastiek (dotteren); ballonnetje verwijd ader. Via
, lies in dijbeenslagader of polsslagader ingebracht en naar vernauwde kransslagader geleid en ballon
opgeblazen. Of stent; huls van metaaldraad die om ballon is gemonteerd. Bij ballon uitzet wordt stent in
binnenkant vaatwand gedrukt en kunnen medicatie afgeven zodat restenose kan voorkomen worden na
maanden of jaren.
Ernstige afsluiting kransslagaders: bypass operatie. Vernauwing wordt overbrugd, zodat bloedtoevoer naar hart
hersteld wordt. Soort omleiding maken tussen gezond bloedvat en aorta en vernauwde kransslagader. Vaak uit
borst of been. Afhankelijk aantal vernauwing, 1 of meer omleidingen aanleggen.
6.3.7 hartklepaandoeningen
Kleppen zorgen ervoor dat bloed in één richting door hart stroomt
Tot klepaandoeningen behoren:
- Klepstenose: vernauwde doorgang en klep kan niet normaal openen. Leidt tot verwijding van
hartcompartiment dat bloed via aangedane klep met uitpompen en tot verminderde vulling
compartiment voorbij klep.
- Klepinsufficiëntie: kleppen sluiten onvoldoende en bloed kan langs klep stromen
Vaak geen klachten. Komt op alle leeftijden voor. Risicofactoren zijn hogere leeftijd, familiaire of erfelijke
belasting en acuut reuma in voorgeschiedenis. Hartklepaandoeningen kunnen alle kleppen aantasten.
Klepaandoeningen: mitralisstenose, mitralisinsufficiëntie, aortastenose en aorta-insufficiëntie. Bij auscultatie
typische hartgeluiden te horen. In later stadia kan sprake zijn van hypertrofie (verdikking) hartspier en
verminderde pompfunctie, kortademig en cyanose. Belangrijke complicatie: hartfalen. Hartgeluiden rol
diagnose. Aanvullend onderzoek omvat echocardiografie, hartkatherisatie en ECG. Behandeling niet altijd
nodig. Bij ernstige afwijking eventueel operatie en dan vervanging of reparatie. Preventie is beperkt maar risico
wel verminderen door tijdige behandeling streptokokkeninfecties en acuut reuma.
6.3.8 Hartgeleidingsstoornissen
Voorgeleiding elektrische prikkels vanuit sinusknoop stimuleert samentrekken van achtereenvolgens atria en
ventrikels. Bij aantal hartziekten normale hartcyclus verstoord.
Hartritmestoornissen
Abnormale hartritmen (aritmieën) ontstaan door afwijking in prikkelvorming en -geleiding. Onderscheid tussen:
- Supraventriculaire hartritmestoornissen: opgewekt door elektrische afwijkingen in sinusknoop,
atriumwand, atrioventriculaire knoop en AV-junction
- Ventriculaire hartritmestoornissen: opgewekt in ventriculaire prikkelgeleidingssysteem of
ventrikelwand. Het ergst, levensbedreigend; ventrikels bloed naar lichaam pompen.
Oorzaken divers; bestaande hartziekten (hartinfarct, hartfalen, cardiomyopathie, aangeboren hartafwijking),
stofwisselingsziekten, roken en gebruik alcohol en drugs.
Belangrijke hartritmestoornissen:
- Tachycardie: in rust hartslag >100 slagen/min
- Bradycardie: langzame hartslag <50 slagen/min
- Atriumfibrilleren: gevolg ongecontroleerde werking (meerdere) knopen
- Ventrikelfibrilleren: gevolg ongecontroleerde prikkelgeleiding ventrikels. Schadelijker +
levensbedreigend; gepaard met stilstand circulatie
- Artrioventriculair blok: atria en ventrikels onafhankelijk van elkaar samentrekken. Meest voorkomend;
relatief onschuldig.
Symptomen:
Hartkloppingen. Licht gevoel hoofd, syncope (flauwvallen), oedeem en kortademigheid.
Behandeling:
- Toedienen medicatie: antiaritmica
- Elektrische cardioversie: ritme herstellen door stroomstoot/defibrillater (AED)
- Pacemaker: inwendig onder sleutelbeen. ICD zorgt voor voortdurende resynchronisatie
6. Aandoeningen van hart- en vaatstelsel
6.3 Hart- en vaatziekten
6.3.1 De rol van cholesterol en andere vetten bij hart- en vaatziekten
Hyperlipidemie
Hyperlipidemie is algemene term voor verhoogd lipidengehalte in bloed. Lipidengehalte in bloed beïnvloedbaar
door leefstijlveranderingen of medicatie.
Tot lipiden behoren:
- Vetten; cholesterol(esters)
- Vetzuren
- Fosfolipiden
- Triglyceriden
Cholesterol
Zachte, wasachtige substantie als belangrijk onderdeel van celmembranen vormt. Voor productie verschillende
hormonen. Wordt vervoerd door transporteiwitten (LDL = low density lipoprotein), lipoproteïnen. LDL-
cholesterol = slechte cholesterol; zet zich af op vaatwand en daar atherosclerotische plaques van vettig
materiaal vormt. Plaques vernauwen arteriën en belemmeren bloedstroom. Hoe hoger LDL, hoe groter kans op
hart- en vaatziekten. Deel cholesterol wordt vervoerd door HDL = high-density lipoprotein = goede cholesterol -
> naar lever transporteren en wordt afgebroken. Hoe hoger HDL, hoe kleiner risico op coronaire
hartaandoening. Vet wat in lichaam wordt opgeslagen bestaat voornamelijk uit triglyceriden. Hoe hoger, hoe
hoger risico coronaire vaatziekten.
Hypercholesterolemie
Bij abnormaal hoog cholesterolgehalte in bloed.
- Primair: genetische oorsprong
- Secundair: gevolg van andere ziekte; diabetes mellitus, leverfunctiestoornis.
Calorierijke voeding zorgt voor verhoogde productie LDL en cholesterol. Voeding wat veel triglyceriden en
verzadigde vetzuren bevat, verhoogd ook productie cholesterol en remt opname cholesterol uit bloed door
lever.
6.3.4 Stoornissen van de hartfunctie
Coronaire hartziekte
Bloedstroom door kransslagaders verminderd. Belangrijke doodsoorzaak. Symptomen coronaire hartziekten
zijn: angina pectoris, palpitaties, duizeligheid / flauwvallen, vermoeidheid na inspanning of in rust en
kortademigheid. Myocardinfarct en plotselinge hartdood zijn acute vormen. Hevige pijn op borst, misselijkheid,
transpireren en braken zijn typische symptomen hartaanval. Klachten verschillen per patiënt.
Risicofactoren coronaire hartziekte:
- Hoge bloeddruk - Verhoogd cholesterol
- Hart- en vaatziekten familie - Langdurige stress
- Overgewicht - Diabetes
Diagnostiek:
- Anamnese (aandacht aan risicofactoren) - CT-scan
- Lichamelijk onderzoek - MRI-angiografie
- Inspannings-ECG (elektrocardiogram) - Bloedonderzoek
- Echocardiografie
- Coronaire angiografie
- Hartkatherisatie
Behandeling hangt af van aard klachten en ernst. Medicijnen: antistollingsmiddelen, cholesterol verlagende
middelen, bètablokkers. Ook leefstijlverandering. Ook angioplastiek (dotteren); ballonnetje verwijd ader. Via
, lies in dijbeenslagader of polsslagader ingebracht en naar vernauwde kransslagader geleid en ballon
opgeblazen. Of stent; huls van metaaldraad die om ballon is gemonteerd. Bij ballon uitzet wordt stent in
binnenkant vaatwand gedrukt en kunnen medicatie afgeven zodat restenose kan voorkomen worden na
maanden of jaren.
Ernstige afsluiting kransslagaders: bypass operatie. Vernauwing wordt overbrugd, zodat bloedtoevoer naar hart
hersteld wordt. Soort omleiding maken tussen gezond bloedvat en aorta en vernauwde kransslagader. Vaak uit
borst of been. Afhankelijk aantal vernauwing, 1 of meer omleidingen aanleggen.
6.3.7 hartklepaandoeningen
Kleppen zorgen ervoor dat bloed in één richting door hart stroomt
Tot klepaandoeningen behoren:
- Klepstenose: vernauwde doorgang en klep kan niet normaal openen. Leidt tot verwijding van
hartcompartiment dat bloed via aangedane klep met uitpompen en tot verminderde vulling
compartiment voorbij klep.
- Klepinsufficiëntie: kleppen sluiten onvoldoende en bloed kan langs klep stromen
Vaak geen klachten. Komt op alle leeftijden voor. Risicofactoren zijn hogere leeftijd, familiaire of erfelijke
belasting en acuut reuma in voorgeschiedenis. Hartklepaandoeningen kunnen alle kleppen aantasten.
Klepaandoeningen: mitralisstenose, mitralisinsufficiëntie, aortastenose en aorta-insufficiëntie. Bij auscultatie
typische hartgeluiden te horen. In later stadia kan sprake zijn van hypertrofie (verdikking) hartspier en
verminderde pompfunctie, kortademig en cyanose. Belangrijke complicatie: hartfalen. Hartgeluiden rol
diagnose. Aanvullend onderzoek omvat echocardiografie, hartkatherisatie en ECG. Behandeling niet altijd
nodig. Bij ernstige afwijking eventueel operatie en dan vervanging of reparatie. Preventie is beperkt maar risico
wel verminderen door tijdige behandeling streptokokkeninfecties en acuut reuma.
6.3.8 Hartgeleidingsstoornissen
Voorgeleiding elektrische prikkels vanuit sinusknoop stimuleert samentrekken van achtereenvolgens atria en
ventrikels. Bij aantal hartziekten normale hartcyclus verstoord.
Hartritmestoornissen
Abnormale hartritmen (aritmieën) ontstaan door afwijking in prikkelvorming en -geleiding. Onderscheid tussen:
- Supraventriculaire hartritmestoornissen: opgewekt door elektrische afwijkingen in sinusknoop,
atriumwand, atrioventriculaire knoop en AV-junction
- Ventriculaire hartritmestoornissen: opgewekt in ventriculaire prikkelgeleidingssysteem of
ventrikelwand. Het ergst, levensbedreigend; ventrikels bloed naar lichaam pompen.
Oorzaken divers; bestaande hartziekten (hartinfarct, hartfalen, cardiomyopathie, aangeboren hartafwijking),
stofwisselingsziekten, roken en gebruik alcohol en drugs.
Belangrijke hartritmestoornissen:
- Tachycardie: in rust hartslag >100 slagen/min
- Bradycardie: langzame hartslag <50 slagen/min
- Atriumfibrilleren: gevolg ongecontroleerde werking (meerdere) knopen
- Ventrikelfibrilleren: gevolg ongecontroleerde prikkelgeleiding ventrikels. Schadelijker +
levensbedreigend; gepaard met stilstand circulatie
- Artrioventriculair blok: atria en ventrikels onafhankelijk van elkaar samentrekken. Meest voorkomend;
relatief onschuldig.
Symptomen:
Hartkloppingen. Licht gevoel hoofd, syncope (flauwvallen), oedeem en kortademigheid.
Behandeling:
- Toedienen medicatie: antiaritmica
- Elektrische cardioversie: ritme herstellen door stroomstoot/defibrillater (AED)
- Pacemaker: inwendig onder sleutelbeen. ICD zorgt voor voortdurende resynchronisatie