Deel 1: Wat is recht?
Inleiding: een moeilijke vraag
o Begripsomschrijving is belangrijk: recht moet toegepast worden, en dus
duidelijk zijn wat het precies inhoudt
Immanuel Kant: “Er is geen definitie van recht”, +/- vandaag
2 opvattingen:
Essentialistische opvatting: recht heeft een essentie (element
dat recht van andere fenomenen onderscheid)
Probleem: essentie nog niet gevonden
Conventionalistische opvatting: recht is een maatschappelijke
afspraak tussen mensen, dat kan veranderen in tijd
Gevolgen opvatting:
Recht = verschillend in plaats & tijd
Recht kan je binden met de kenmerken die
ernaar suggereren (regelpakket, normatieve
ordening, de rol van handhaving &
rechtvaardigheid)
Begrijpen => afstand nemen van alleen jouw
maatsch.
o Vormen van recht:
Statelijk recht: van staat afkomstig (niet overal staat?)
Gewoonterecht: niet van hogerop afkomstig, is na tijd gewoon tot
recht gegroeid
Religieus recht: 10 geboden,..
Natuurrecht: gedragsvoorschriften afgeleid van bestudering natuur,
onafh. van menselijke afspraken
Discussie: beetje survival of the fittest?
Internationaal recht: VN, EU,..
Discussie ~ recht of politiek?
o Recht is maatschappijafhankelijk
Door versch. standpunten is geen def. mogelijk (<-> vb chemie:
standpuntonafh.)
Vb: abortus: Religieus recht zegt nee, Belgisch Statelijk recht zegt ja
=> recht = een conventie
1
,Fundamentele transformaties van mensenmaatschappijen
o Mensen: sociale wezens met een ontwikkeling ten gevolge van:
Materiële (eco- & technologische,..) en ideële (kennis,
gewoonten,..) facetten
Sociale instituten (onderdeel zijn van kleine tot enorme
groepen met gemeensch. behoeften); groter =>
organisatorisch complexer
Een combinatie van deze 2: maakt sociale ontwikkeling
binnen een gemeenschap mogelijk
Doen sociale praktijken (alledaagse H² die
gedragspatronen vormen)
o Leider van kleine groep: spreekt iedereen aan
Hoe groter, hoe meer tussenpersonen => hiërarchie
Zorgt ervoor dat iedereen taken krijgt toegewezen op
niveau
o Maatschappelijke organisatie heeft 2 vormen van specialisatie:
Horizontale specialisatie: macht & inspraak verdeeld over
zelfde niveau
Verticale specialisatie: hiërarchisch systeem
o Soorten samenlevingen:
Jager-Voedselverzamelaars
Ontstaan mensheid – landbouwsamenlevingen (12.000
v.C.)
Clans (+/- 25) in grotere netwerken (grotere uitdagingen
doorstaan)
Egalitair: bij grote beslissingen tijdelijk leider uitgekozen
Obv. INDIVIDUELE KWALITEITEN, geen erfelijke
Goederendeling (vb. oogst), bij roerende/zelfgemaakte
goederen afspraken (vb. ruilen in en tussen clan(s))
Ontstaan kosteloze hulpverlening, later:
contractenrecht
Toegang heilige plekken: geen vrouwen, kinderen, ook
mannen zonder geijkte rites doorgemaakt te hebben
Toegang voor andere clans tot hun grond, mits
wederzijdse toegang & behoudt aan de tribale afspraken
(=> doodstraf)
Al regels over geweld (doodslag)
2 soorten clans:
Onmiddellijk wederkerige: verbruiken voedsel
onmiddellijk & verwerven snel gereedschappen
=> snel kapot
2
, Geen grote samenhang, makkelijk om eigen
weg te gaan
Uitgesteld wederkerige: bewaren voedsel en
steken overal meer tijd & moeite in => lang
bruikbaar (boten, netten,..)
Mannen mogen dochters uithuwelijken
Investering: man moet lang werken en
zich bewijzen in vrouwclan, vrouw met
toekomstige opbrengsten (voedsel,
kind opvoeden); allebei ook giften
geven
Meer roerende goederen
Chiefdoms
5000 v.C.
Sedentair (vaste plek) in grote groepen (10.000en) =>
meer ongelijkheid (ontstaan elite- & burgerklasse,
duidelijk versch. rollen)
Erfelijke chief: ‘goddelijk, stamt af van goden, goddelijke
krachten (op vee, vruchtbaarheid,..)’: veel
verwachtingen, anders afgezet
Hiërarchie
Functionele verklaring: politiek leiderschap =
noodzakelijk voor coördinatie
Conflictverklaring: winnaars conflicten staan hoger
Goederenverdeling: hiërarchisch (meer goederen voor
elite) & belastingen (schuld aan chief die zorgt voor
voortbestaan)
= regels voor geweld & huwelijk als SJVV
Rijken
4000 v.C., op versch. plaatsen, onafh.
Door schriften, dwingend retributiesysteem (belasting, in
%), staatsreligie & enorm landbouw- en handelsnetwerk
=> 100.000en in 1 groep
Leiders: grote taken (irrigatie, wegen)
Mogen geweld gebruiken, rechtbanken
organiseren, oorlog voeren
Ontstaan onduidelijk (functioneel: behoeften van staat
(organisatie,..) V conflict: dienen vd belangen vd
machthebbers)
Regels: afkomstig van goden; leiders delen ze mee aan
het volk
Vb: koning H stelt Codex Hammurabi op ifv. god
Utu: 282 regels, sterk religieus (misdrijven zwaar
3
, bestraft = mensen bang voor fouten), behandelde
ook de sociale hiërarchie
Beperkte handhaving => burger ontwikkelt
zelfregulering
Regels hebben betrekking tot:
Onderhouden staatsapparaat (dmv belasting, ..)
Afdwingen sociale & economische hiërarchie
(wetten rond begroeting naargelang status)
Religieus-ideologische overtuigingen (wat mag je
(niet) geloven)
Familie- & seksuele verhoudingen (wie huwt met
wie, overspel)
Lichamelijke schade (moord)
Toebedeling goederen (diefstal, schadevergoeding)
Arbeid (verplichte arbeid)
Economische transacties (afspraken naleven)
Moderne staten
= oefent macht over grondgebied uit op soevereine
wijze (kan onafh. eigen beslissingen nemen)
Vereist geweldmonopolie
Vaak geen middelen/mensen voor
alternatieven: machtscentralisatie met
juristen id hoofdrol (bv. Raad v
Mechelen -> Raad v Justitie)
Vrede van Munster: ‘start MS’
Begin territoriale afbakening & gecentraliseerd bestuur
voor politieke macht
Bij chiefdoms samenvallend met cultuur-etnische
eenheid, Rijken econ. grenzen
Hiërarchie obv rijkdom, <-> Rijken obv erfelijke status
Magie & religie sterk verbonden met rechtsregels
(bestraft) tot Verlichting
Ontwikkeling moderne staten tot
Territoriale staat:
Nadruk op afgebakend (militair bezet)
grondgebied
Heffing belasting, 1 centr. soevereine
gezagsinstantie
Natiestaat:
Ontstaan nation. ident.: symbool gedeelde
cultuur
Staat heeft niet veel taken, vooral
veiligheidszorgen
4