Wat moet ik goed studeren:
Theorie
Spelling
Tekst analyseren
Zinsontleding
Persoonsvorm = direct verbonden met onderwerp en bepaalt tijd van de zin
(vraag zin van maken en dan eerste woord)
Onderwerp = de handelende persoon, degene die iets doet, zet er wie voor of
verander hem van getal. Het woord dat niet meer klopt is het onderwerp
Zinskern = bestaat uit persoonsvorm en onderwerp, of bij uitbreiding, gezegde
en onderwerp. Zonder pv en o is er sprake van een onvolledige zin.
Werkwoordelijk gezegde = gezegde dat bestaat uit uitsluitend werkwoorden
(wwg)
Naamwoordelijk gezegde = naast één of meer werkwoorden ook
naamwoorden heeft (nwg)
Koppelwerkwoord = een werkwoord dat een verband legt tussen het o
(onderwerp) en een naamwoord. Bijv: zijn, worden, blijken. Deze betekenen min
of meer zijn.
Het werkwoordelijke gezegde = bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Twee
kanttekeningen:
- Woorden die bij het werkwoord horen (te, me, zich) horen bij het wwg
- Werkwoorden die in de zin een andere functie hebben, horen niet bij het
wwg.
Lijdend voorwerp = vindt je door de volgende vraag te stellen: wie of wat +
gezegde + onderwerp = lv (lijdend voorwerp)
Meewerkend voorwerp (mv) = vindt je door de vraag: aan of voor wie of wat
+ gez + ow + lv = mv
Voorzetselvoorwerp (vv) = heeft altijd iets met een voorzetsel van doen. het
drukt de relatie uit met het woord dat erachter staat. Voorbeeld:
De vogel vliegt in, uit, door, over, langs, naar, naast, achter de kooi.
Dit zijn ook voorzetsels: betreffende, bezijden, blijkens, gedurende, gezien,
jegens, nabij, namens, omtrent, ondanks.
Bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling = deze blijven over als je alles
hebt bepaald.
Bijwoordelijke bepalingen (bwb) zegt iets over de handeling, het gebeuren of
de toestand en geven antwoord op de vraag als, waar, wanneer, waarom,
waarheen, hoe en dergelijke.
Bijvoeglijke bepalingen (bvb) voegen iets bij, bij een zelfstandig naamwoord
en bepalen het zelfstandig naamwoord nader.
,Interpunctie en zinnen
Drie puntjes aan het einde van een zin: beletselteken. Het teken nodigt de lezer
uit om zelf iets aan te vullen.
Aanhalingstekens kan je gebruiken voor bij ironisch gebruik van een woordgroep
en bij titel van boeken, films e.d., als er geen mogelijkheid is om te cursiveren.
Een samenkoppeling is een combinatie van twee of meer woorden die een vaste
uitdrukking vormen. Bv: nek-aan-nek
Weglatingsstreepje = bv: land- en tuinbouw
Een komma voor: want, maar en dus
Ondergeschikte zinnen maken deel uit van de hoofdzin
Rompzinnen: kan zonder bijzin niet zelfstandig voorkomen
In een actieve zin is het onderwerp het zinsdeel dat zelf de handeling verricht
Passieve zinnen: hier staat de zin altijd in een vorm van het werkwoord worden of
zijn. Dit kan tegenwoordig of verleden zijn (word, werd, ben, was, zal etc.)
Wat is communicatie
Communicatie is de uitwisseling, er vindt feitelijke of symbolische uitwisseling
plaatst. Het vindt plaats tussen minstens twee mensen en dit kan onmiddellijk of
gemedieerd zijn (brief, e-mail, sms). Het gaat deels bewust en deels onbewust.
Communicatie wordt ontvangen en geïnterpreteerd.
De zender = vertaalt gedachten of gevoelens in signalen en zendt deze.
De boodschap = de informatie die door de zender naar ontvanger wordt
gestuurd.
Kan bestaan uit inhoudsniveau = concrete, letterlijke betekenis van de
informatie in de boodschap (ik ga de hond uitlaten).
Of uit betrekkingsniveau = gaat over hoe de boodschap moet worden opgevat.
Medium = het kanaal wat wordt gebruikt om de boodschap over te brengen. Drie
kanalen:
1. Zintuigelijke kanaal
2. Mechanische kanaal = bijv. papier
3. Elektronische kanaal = radio, tv
, Coderen en decoderen zijn activiteiten waartussen zender en ontvanger
voortdurend schakelen.
Ruis = factoren in de omgeving die het proces verstoren. Er zijn verschillende
soorten ruis.
Externe ruis hieronder valt fysieke ruis. Dit kan bestaan uit storende elementen in
de omgeving, ze maken het fysiek onmogelijk om te communiceren.
Interne ruis:
Psychologische ruis = storende factoren in de mens zelf bijv emoties.
Culturele ruis = door verschillend cultureel referentiekader wordt de feitelijke
boodschap verschillend geïnterpreteerd.
Semantische ruis = de leer van woordbetekenis. Er worden woorden gebruikt die
niet of verkeerd worden bergrepen.
Feedback = is de boodschap begrepen, de rollen worden omgedraaid.
Communicatie is pas compleet als de ontvanger aan de zender laat blijken dat hij
de boodschap heeft ontvangen en dat hij aangeeft hoe hij de boodschap
begrepen heeft.
In het communicatieproces spelen nog twee andere aspecten mee:
- Het kader waarin de communicatie plaatsvindt, is van belang. Eerdere
ervaringen die zijn opgedaan in dezelfde situatie, de (culturele)
achtergrondkennis en sociale relatie tussen zender en ontvanger.
- De dynamiek. Het is in werkelijkheid een meer dynamisch proces.
Een boodschap kan in vier lagen of aspecten onderscheiden worden:
1. Zakelijk = het verbale deel van de boodschap. Het zijn de letterlijke
woorden die gezegd worden. Om misverstanden te voorkomen:
eenvoudige stijl, goede structuur en opbouw, bondige boodschap en
aantrekkelijke boodschap.
2. Expressief = zender communiceert iets over zichzelf. In het non-verbale
expressieve aspect worden karaktereigenschappen en gemoedstoestand
van de zender waarneembaar.
Om gevoelens te bedekken kan je gebruik maken van facadetechnieken =
muur opwerpen, zwijgen of gedachte niet uitspreken, situaties vermijden
of excuus inbouwen
Imponeertechnieken = iemand overschreeuwt zichzelf, ook met doel om
angst en onzekerheid te verbergen door bijvoorbeeld: moeilijke woorden te
gebruiken, gespreksonderwerp te sturen of zichzelf in positie naar voren te
schuiven.
3. Relationeel = dit zegt iets over de relatie tussen de zender en ontvanger.
4. Appellerend = de wijze waarop de zender iets gedaan probeert te krijgen.
Dit kent drie verschijningsvormen: een verzoek doen, informatief
persuasief (vertelt erbij waarom het zo belangrijk is en waarom de ander
de juist persoon is om dit uit te voeren.) iemand motiveren of overtuigen.
Laatste vorm is poging tot beïnvloeding (bevelende of smekende manier).
De manier waarop mensen effectief communiceren verloopt via een aantal fasen:
Fase1 = onbewust – onbekwaam
Fase 2 = bewust – onbekwaam
Fase 3 = bewust – bekwaam
Theorie
Spelling
Tekst analyseren
Zinsontleding
Persoonsvorm = direct verbonden met onderwerp en bepaalt tijd van de zin
(vraag zin van maken en dan eerste woord)
Onderwerp = de handelende persoon, degene die iets doet, zet er wie voor of
verander hem van getal. Het woord dat niet meer klopt is het onderwerp
Zinskern = bestaat uit persoonsvorm en onderwerp, of bij uitbreiding, gezegde
en onderwerp. Zonder pv en o is er sprake van een onvolledige zin.
Werkwoordelijk gezegde = gezegde dat bestaat uit uitsluitend werkwoorden
(wwg)
Naamwoordelijk gezegde = naast één of meer werkwoorden ook
naamwoorden heeft (nwg)
Koppelwerkwoord = een werkwoord dat een verband legt tussen het o
(onderwerp) en een naamwoord. Bijv: zijn, worden, blijken. Deze betekenen min
of meer zijn.
Het werkwoordelijke gezegde = bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Twee
kanttekeningen:
- Woorden die bij het werkwoord horen (te, me, zich) horen bij het wwg
- Werkwoorden die in de zin een andere functie hebben, horen niet bij het
wwg.
Lijdend voorwerp = vindt je door de volgende vraag te stellen: wie of wat +
gezegde + onderwerp = lv (lijdend voorwerp)
Meewerkend voorwerp (mv) = vindt je door de vraag: aan of voor wie of wat
+ gez + ow + lv = mv
Voorzetselvoorwerp (vv) = heeft altijd iets met een voorzetsel van doen. het
drukt de relatie uit met het woord dat erachter staat. Voorbeeld:
De vogel vliegt in, uit, door, over, langs, naar, naast, achter de kooi.
Dit zijn ook voorzetsels: betreffende, bezijden, blijkens, gedurende, gezien,
jegens, nabij, namens, omtrent, ondanks.
Bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling = deze blijven over als je alles
hebt bepaald.
Bijwoordelijke bepalingen (bwb) zegt iets over de handeling, het gebeuren of
de toestand en geven antwoord op de vraag als, waar, wanneer, waarom,
waarheen, hoe en dergelijke.
Bijvoeglijke bepalingen (bvb) voegen iets bij, bij een zelfstandig naamwoord
en bepalen het zelfstandig naamwoord nader.
,Interpunctie en zinnen
Drie puntjes aan het einde van een zin: beletselteken. Het teken nodigt de lezer
uit om zelf iets aan te vullen.
Aanhalingstekens kan je gebruiken voor bij ironisch gebruik van een woordgroep
en bij titel van boeken, films e.d., als er geen mogelijkheid is om te cursiveren.
Een samenkoppeling is een combinatie van twee of meer woorden die een vaste
uitdrukking vormen. Bv: nek-aan-nek
Weglatingsstreepje = bv: land- en tuinbouw
Een komma voor: want, maar en dus
Ondergeschikte zinnen maken deel uit van de hoofdzin
Rompzinnen: kan zonder bijzin niet zelfstandig voorkomen
In een actieve zin is het onderwerp het zinsdeel dat zelf de handeling verricht
Passieve zinnen: hier staat de zin altijd in een vorm van het werkwoord worden of
zijn. Dit kan tegenwoordig of verleden zijn (word, werd, ben, was, zal etc.)
Wat is communicatie
Communicatie is de uitwisseling, er vindt feitelijke of symbolische uitwisseling
plaatst. Het vindt plaats tussen minstens twee mensen en dit kan onmiddellijk of
gemedieerd zijn (brief, e-mail, sms). Het gaat deels bewust en deels onbewust.
Communicatie wordt ontvangen en geïnterpreteerd.
De zender = vertaalt gedachten of gevoelens in signalen en zendt deze.
De boodschap = de informatie die door de zender naar ontvanger wordt
gestuurd.
Kan bestaan uit inhoudsniveau = concrete, letterlijke betekenis van de
informatie in de boodschap (ik ga de hond uitlaten).
Of uit betrekkingsniveau = gaat over hoe de boodschap moet worden opgevat.
Medium = het kanaal wat wordt gebruikt om de boodschap over te brengen. Drie
kanalen:
1. Zintuigelijke kanaal
2. Mechanische kanaal = bijv. papier
3. Elektronische kanaal = radio, tv
, Coderen en decoderen zijn activiteiten waartussen zender en ontvanger
voortdurend schakelen.
Ruis = factoren in de omgeving die het proces verstoren. Er zijn verschillende
soorten ruis.
Externe ruis hieronder valt fysieke ruis. Dit kan bestaan uit storende elementen in
de omgeving, ze maken het fysiek onmogelijk om te communiceren.
Interne ruis:
Psychologische ruis = storende factoren in de mens zelf bijv emoties.
Culturele ruis = door verschillend cultureel referentiekader wordt de feitelijke
boodschap verschillend geïnterpreteerd.
Semantische ruis = de leer van woordbetekenis. Er worden woorden gebruikt die
niet of verkeerd worden bergrepen.
Feedback = is de boodschap begrepen, de rollen worden omgedraaid.
Communicatie is pas compleet als de ontvanger aan de zender laat blijken dat hij
de boodschap heeft ontvangen en dat hij aangeeft hoe hij de boodschap
begrepen heeft.
In het communicatieproces spelen nog twee andere aspecten mee:
- Het kader waarin de communicatie plaatsvindt, is van belang. Eerdere
ervaringen die zijn opgedaan in dezelfde situatie, de (culturele)
achtergrondkennis en sociale relatie tussen zender en ontvanger.
- De dynamiek. Het is in werkelijkheid een meer dynamisch proces.
Een boodschap kan in vier lagen of aspecten onderscheiden worden:
1. Zakelijk = het verbale deel van de boodschap. Het zijn de letterlijke
woorden die gezegd worden. Om misverstanden te voorkomen:
eenvoudige stijl, goede structuur en opbouw, bondige boodschap en
aantrekkelijke boodschap.
2. Expressief = zender communiceert iets over zichzelf. In het non-verbale
expressieve aspect worden karaktereigenschappen en gemoedstoestand
van de zender waarneembaar.
Om gevoelens te bedekken kan je gebruik maken van facadetechnieken =
muur opwerpen, zwijgen of gedachte niet uitspreken, situaties vermijden
of excuus inbouwen
Imponeertechnieken = iemand overschreeuwt zichzelf, ook met doel om
angst en onzekerheid te verbergen door bijvoorbeeld: moeilijke woorden te
gebruiken, gespreksonderwerp te sturen of zichzelf in positie naar voren te
schuiven.
3. Relationeel = dit zegt iets over de relatie tussen de zender en ontvanger.
4. Appellerend = de wijze waarop de zender iets gedaan probeert te krijgen.
Dit kent drie verschijningsvormen: een verzoek doen, informatief
persuasief (vertelt erbij waarom het zo belangrijk is en waarom de ander
de juist persoon is om dit uit te voeren.) iemand motiveren of overtuigen.
Laatste vorm is poging tot beïnvloeding (bevelende of smekende manier).
De manier waarop mensen effectief communiceren verloopt via een aantal fasen:
Fase1 = onbewust – onbekwaam
Fase 2 = bewust – onbekwaam
Fase 3 = bewust – bekwaam