Samenvatting personen- en familierecht
Week 1
1. Personen en familierecht
Het personen en familierecht bestaat uit regels die betrekking hebben op de status van
natuurlijke personen, zoals hun rechtsbevoegdheid.
3. Familie(vermogens)recht
In de visie van de wetgever omvat het personen- en familierecht tevens het
huwelijksvermogensrecht. Het huwelijksvermogensrecht regelt de vermogensrechtelijke
gevolgen van het huwelijk in titel 1.6, 1.7 en 1.8. In de literatuur wordt het
huwelijksvermogensrecht meestal als een zelfstandig rechtsgebied behandeld. Het
huwelijks- en partnerschapsvermogensrecht en het erfrecht samen noemt men het
familievermogensrecht. Het familie(vermogens)recht omvang de volgende onderdelen:
1. Personen- en familierecht (boek 1);
2. Relatievermogensrecht;
Hieronder valt:
- Huwelijksvermogensrecht (titel 1.6, 1.7 en 1.8);
- Partnerschapsvermogensrecht (art. 1.80b);
- Samenlevingsvermogensrecht (boek 3, 5 en 6 BW).
3. Erfrecht (boek 4).
7. Personen- en familierecht niet alleen in Boek 1 BW
Het grootste gedeelte van het personen- en familierecht is neergelegd in Boek 1 BW.
Daarnaast is ook een aantal bijzondere wetten van belang, zoals de Pleegkinderenwet, de
wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, de jeugdwet, de wet verevening
pensioenrechten bij scheiding.
8. Familieprocesrecht
Het familieprocesrecht is neergelegd in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering,
specifiek Boek 3, titel 6. Het derde boek handelt over rechtspleging van onderscheid aard en
de zesde titel daarvan over rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht.
Binnen deze titel wordt weer onderscheid gemaakt tussen rechtspleging in andere zaken dan
scheidingszaken en rechtspleging in scheidingszaken.
11. Rechtsbevoegdheid in verhouding tot handelingsbevoegdheid en
handelingsbekwaamheid
Art. 1:1 lid 1 BW bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden, vrij zijn en bevoegd tot het
genot van burgerlijke rechten. Dit betekent dat iedereen in Nederland rechtsbevoegd is. Dus
bevoegd is om rechtssubject te zijn Rechtsbevoegdheid moet worden onderscheiden van
handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Bij handelingsbevoegdheid gaat het
om de bevoegdheid tot het zelfstandig verrichten van rechtshandelingen in concreto en bij
handelingsbekwaamheid om de mogelijkheid tot het zelfstandig verrichten van
rechtshandelingen in abstracto.
Art. 1:1 lid 2 Bw bevat het verbod van slavernij. Dit houdt in persoonlijke dienstbaarheden,
van welke aard of onder welke benaming worden niet geduld.
12. Fictief bestaat van ongeboren kind
Op grond van art. 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is, als reeds geboren
aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Als het kind dood ter wereld komt, dan wordt
het geacht nooit te hebben bestaan.
14. Juridische en biologische bloedverwantschap; graad van bloedverwantschap
Met de term familierechtelijke betrekking geeft de wetgever aan dat er in juridische zin
sprake is van bloedverwantschap. Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in
,familierechtelijke betrekking tot elkaar (art. 1:197 BW). De graad van bloedverwantschap
wordt bepaald door het getal der geboorten die bloedverwantschap hebben veroorzaakt.
Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of een adoptie
als een geboorte (art. 1:3 lid 1 BW).
15. Aanverwantschap; graad van aanverwantschap
Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of door geregistreerd partnerschap. Door huwelijk
of door geregistreerd partnerschap tussen de ene echtgenoot of een geregistreerde partner
en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de andere partner
aanverwantschap ontstaat in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de
andere echtgenoot of geregistreerde partner en zijn bloedverwantschap. Door het eindigen
van het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aanverwantschap niet opgeheven.
,Samenvatting personen- en familierecht
Week 2
16. Het in 1998 vernieuwde naamrecht
Bij het naamrecht gaat het om de status en de identiteit van natuurlijke personen. Over de
naam van iemand mag geen misverstand of onzekerheid bestaan. Het recht op de naam is
een persoonlijkheidsrecht. In het naamrecht moet steeds onderscheid worden gemaakt
tussen de voornamen en de geslachtnaam. Wat de geslachtnaam betreft moet weer worden
onderscheiden tussen de geslachtnaam van het kind en die van de echtgenoot of
geregistreerde partner.
17. Verkrijging van voornamen
Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven (art. 1:4 lid 1 BW).
Wat de keuze van voornamen betreft, is er sprake van een grote vrijheid. Slechts twee
beperkingen worden gesteld. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de
geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande
geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn (art. 1:4 lid 2 BW).
18. Wijziging van voornamen
Voor wijziging van de voornamen geldt niet de zware procedure die moet worden gevolgd
voor wijziging van de geslachtnaam. Bij het wijzigen van de geslachtsnaam is de Kroon de
bevoegde instantie (art. 1:7 BW). Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de
betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De
wijziging geschiedt doordat de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte
wordt toegevoegd overeenkomstig art. 1:20a lid 1 BW.
19. Geslachtnaam van het kind
Als de man het kind niet erkent, dan komt het kind alleen in familierechtelijke betrekking tot
de moeder te staan en heeft het haar geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW). Dit is anders als het
kind door erkenning in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de vader, want dan
houdt het kind de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter
gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de
vader zal hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning (art.
1:5 lid 2 BW).
Als een kind door adoptie alleen in familierechtelijke betrekking tot de vader staat, heeft het
zijn geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW). Als een kind door adoptie in familierechtelijke
betrekking komt te staan tot beide adoptanten van verschillend geslacht, die met elkaar zijn
gehuwd, heeft het kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter
gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de
moeder zal hebben. Als de adoptanten niet met elkaar zijn gehuwd of als beide adoptanten
van hetzelfde geslacht zijn, houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft, tenzij de
adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het een van hun
achternamen krijgt.
Als de naamkeuze niet uiterlijk ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte geschiedt,
dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtnaam van het kind in de
geboorte op:
1. De geslachtsnaam van de vader ingeval het kind door geboorte in familierechtelijke
betrekking tot beide ouders komt te staan;
2. De geslachtsnaam van de moeder ingeval een ouder en zijn echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag
als bedoeld in art. 1:253sa BW over het kind uitoefenen.
Als de moeder na de geboorte van het kind op grond van art. 1:199 onder b BW het
vaderschap van de overleden echtgenoot of geregistreerde partner ontkent of op grond van
art. 1:198 lid 2 BW het moederschap van de overleden echtgenote of geregistreerde partner
, ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd of een nieuw
partnerschap heeft laten registreren, kunnen de moeder en haar echtgenoot of
geregistreerde partner gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van
hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.
Art. 1:5 lid 7 BW bevat een uitzondering op de hoofdregel van eenheid van de naam in het
gezin, die in art. 1:5 lid 8 BW is opgenomen. Art. 1:5 lid 7 BW houdt in dat als een kind op
het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien
jaar of ouder is, het zelf ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de
notaris, ten overstaan van de rechter verklaart of het de geslachtsnaam van de ene of de
andere ouder zal hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van
erkenning of in de rechtelijke uitspraak inzake adoptie of gerechtelijke vaststelling van het
ouderschap. De hoofdregel van de eenheid van naam in het gezin is neergelegd in art. 1:5
lid 8 BW. Een verklaring van de ouders als bedoeld in art. 1:5 lid 2-4 en 6 BW kan slechts ten
aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd.
20. Geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner
In art. 1:80a BW gaat het om de bevoegdheid om de naam van de ander of een dubbele
naam te voeren. Art. 1:9 BW biedt vier mogelijkheden ten aanzien van het voeren van een
geslachtsnaam:
1. Men kan uitsluitend de eigen geslachtsnaam voeren;
2. Men kan uitsluitend de geslachtsnaam van de ander voeren;
3. Men kan de geslachtsnaam van de ander, gevolgd door de eigen geslachtsnaam
voeren;
4. Men kan de eigen geslachtsnaam, gevolgd door de geslachtsnaam van de ander
voeren.
22. Wijziging van de geslachtsnaam en vaststelling van een geslachtsnaam of voornaam
De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke
vertegenwoordiger door de Koning worden gewijzigd (art. 1:7 lid 1 BW). Hij wiens
geslachtsnaam of voornaam niet bekend zijn, kan de Koning verzoeken voor hem een
geslachtsnaam of voornamen vast te stellen (art. 1:7 lid 2 BW).
23. Het voeren van de naam van een ander
Hij die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, handelt jegens die persoon
onrechtmatig, wanneer hij daarvoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of
gezin te behoren (art. 1:8 BW).
24. Het belang van de regeling van woonplaats
Voor de toepassing van verschillende wettelijke bepalingen is het van belang te weten waar
iemand zijn woonplaats heeft. Die bepalingen kunnen zowel van privaatrechtelijke als van
publiekrechtelijke aard zijn.
25. De woonplaats van een natuurlijk persoon
De woonplaats van een natuurlijk persoon is zijn woonstede en bij gebreke van woonstede
ter plaatse van zijn werkelijk verblijf (art. 1:10 lid 1 BW). Met woonstede is een woning en
niet een gemeente bedoeld.
26. De woonplaats van een rechtspersoon
Op grond van art. 1:10 lid 2 BW heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaatse waar hij
volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.
27. Verlies van woonstede
Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daten waaruit zijn wil blijkt om haar prijs
te geven (art. 1:11 lid 1 BW).
Week 1
1. Personen en familierecht
Het personen en familierecht bestaat uit regels die betrekking hebben op de status van
natuurlijke personen, zoals hun rechtsbevoegdheid.
3. Familie(vermogens)recht
In de visie van de wetgever omvat het personen- en familierecht tevens het
huwelijksvermogensrecht. Het huwelijksvermogensrecht regelt de vermogensrechtelijke
gevolgen van het huwelijk in titel 1.6, 1.7 en 1.8. In de literatuur wordt het
huwelijksvermogensrecht meestal als een zelfstandig rechtsgebied behandeld. Het
huwelijks- en partnerschapsvermogensrecht en het erfrecht samen noemt men het
familievermogensrecht. Het familie(vermogens)recht omvang de volgende onderdelen:
1. Personen- en familierecht (boek 1);
2. Relatievermogensrecht;
Hieronder valt:
- Huwelijksvermogensrecht (titel 1.6, 1.7 en 1.8);
- Partnerschapsvermogensrecht (art. 1.80b);
- Samenlevingsvermogensrecht (boek 3, 5 en 6 BW).
3. Erfrecht (boek 4).
7. Personen- en familierecht niet alleen in Boek 1 BW
Het grootste gedeelte van het personen- en familierecht is neergelegd in Boek 1 BW.
Daarnaast is ook een aantal bijzondere wetten van belang, zoals de Pleegkinderenwet, de
wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, de jeugdwet, de wet verevening
pensioenrechten bij scheiding.
8. Familieprocesrecht
Het familieprocesrecht is neergelegd in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering,
specifiek Boek 3, titel 6. Het derde boek handelt over rechtspleging van onderscheid aard en
de zesde titel daarvan over rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht.
Binnen deze titel wordt weer onderscheid gemaakt tussen rechtspleging in andere zaken dan
scheidingszaken en rechtspleging in scheidingszaken.
11. Rechtsbevoegdheid in verhouding tot handelingsbevoegdheid en
handelingsbekwaamheid
Art. 1:1 lid 1 BW bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden, vrij zijn en bevoegd tot het
genot van burgerlijke rechten. Dit betekent dat iedereen in Nederland rechtsbevoegd is. Dus
bevoegd is om rechtssubject te zijn Rechtsbevoegdheid moet worden onderscheiden van
handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Bij handelingsbevoegdheid gaat het
om de bevoegdheid tot het zelfstandig verrichten van rechtshandelingen in concreto en bij
handelingsbekwaamheid om de mogelijkheid tot het zelfstandig verrichten van
rechtshandelingen in abstracto.
Art. 1:1 lid 2 Bw bevat het verbod van slavernij. Dit houdt in persoonlijke dienstbaarheden,
van welke aard of onder welke benaming worden niet geduld.
12. Fictief bestaat van ongeboren kind
Op grond van art. 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is, als reeds geboren
aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Als het kind dood ter wereld komt, dan wordt
het geacht nooit te hebben bestaan.
14. Juridische en biologische bloedverwantschap; graad van bloedverwantschap
Met de term familierechtelijke betrekking geeft de wetgever aan dat er in juridische zin
sprake is van bloedverwantschap. Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in
,familierechtelijke betrekking tot elkaar (art. 1:197 BW). De graad van bloedverwantschap
wordt bepaald door het getal der geboorten die bloedverwantschap hebben veroorzaakt.
Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of een adoptie
als een geboorte (art. 1:3 lid 1 BW).
15. Aanverwantschap; graad van aanverwantschap
Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of door geregistreerd partnerschap. Door huwelijk
of door geregistreerd partnerschap tussen de ene echtgenoot of een geregistreerde partner
en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de andere partner
aanverwantschap ontstaat in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de
andere echtgenoot of geregistreerde partner en zijn bloedverwantschap. Door het eindigen
van het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aanverwantschap niet opgeheven.
,Samenvatting personen- en familierecht
Week 2
16. Het in 1998 vernieuwde naamrecht
Bij het naamrecht gaat het om de status en de identiteit van natuurlijke personen. Over de
naam van iemand mag geen misverstand of onzekerheid bestaan. Het recht op de naam is
een persoonlijkheidsrecht. In het naamrecht moet steeds onderscheid worden gemaakt
tussen de voornamen en de geslachtnaam. Wat de geslachtnaam betreft moet weer worden
onderscheiden tussen de geslachtnaam van het kind en die van de echtgenoot of
geregistreerde partner.
17. Verkrijging van voornamen
Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven (art. 1:4 lid 1 BW).
Wat de keuze van voornamen betreft, is er sprake van een grote vrijheid. Slechts twee
beperkingen worden gesteld. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de
geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande
geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn (art. 1:4 lid 2 BW).
18. Wijziging van voornamen
Voor wijziging van de voornamen geldt niet de zware procedure die moet worden gevolgd
voor wijziging van de geslachtnaam. Bij het wijzigen van de geslachtsnaam is de Kroon de
bevoegde instantie (art. 1:7 BW). Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de
betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De
wijziging geschiedt doordat de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte
wordt toegevoegd overeenkomstig art. 1:20a lid 1 BW.
19. Geslachtnaam van het kind
Als de man het kind niet erkent, dan komt het kind alleen in familierechtelijke betrekking tot
de moeder te staan en heeft het haar geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW). Dit is anders als het
kind door erkenning in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de vader, want dan
houdt het kind de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter
gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de
vader zal hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning (art.
1:5 lid 2 BW).
Als een kind door adoptie alleen in familierechtelijke betrekking tot de vader staat, heeft het
zijn geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW). Als een kind door adoptie in familierechtelijke
betrekking komt te staan tot beide adoptanten van verschillend geslacht, die met elkaar zijn
gehuwd, heeft het kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter
gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de
moeder zal hebben. Als de adoptanten niet met elkaar zijn gehuwd of als beide adoptanten
van hetzelfde geslacht zijn, houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft, tenzij de
adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het een van hun
achternamen krijgt.
Als de naamkeuze niet uiterlijk ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte geschiedt,
dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtnaam van het kind in de
geboorte op:
1. De geslachtsnaam van de vader ingeval het kind door geboorte in familierechtelijke
betrekking tot beide ouders komt te staan;
2. De geslachtsnaam van de moeder ingeval een ouder en zijn echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag
als bedoeld in art. 1:253sa BW over het kind uitoefenen.
Als de moeder na de geboorte van het kind op grond van art. 1:199 onder b BW het
vaderschap van de overleden echtgenoot of geregistreerde partner ontkent of op grond van
art. 1:198 lid 2 BW het moederschap van de overleden echtgenote of geregistreerde partner
, ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd of een nieuw
partnerschap heeft laten registreren, kunnen de moeder en haar echtgenoot of
geregistreerde partner gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van
hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.
Art. 1:5 lid 7 BW bevat een uitzondering op de hoofdregel van eenheid van de naam in het
gezin, die in art. 1:5 lid 8 BW is opgenomen. Art. 1:5 lid 7 BW houdt in dat als een kind op
het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien
jaar of ouder is, het zelf ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de
notaris, ten overstaan van de rechter verklaart of het de geslachtsnaam van de ene of de
andere ouder zal hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van
erkenning of in de rechtelijke uitspraak inzake adoptie of gerechtelijke vaststelling van het
ouderschap. De hoofdregel van de eenheid van naam in het gezin is neergelegd in art. 1:5
lid 8 BW. Een verklaring van de ouders als bedoeld in art. 1:5 lid 2-4 en 6 BW kan slechts ten
aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd.
20. Geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner
In art. 1:80a BW gaat het om de bevoegdheid om de naam van de ander of een dubbele
naam te voeren. Art. 1:9 BW biedt vier mogelijkheden ten aanzien van het voeren van een
geslachtsnaam:
1. Men kan uitsluitend de eigen geslachtsnaam voeren;
2. Men kan uitsluitend de geslachtsnaam van de ander voeren;
3. Men kan de geslachtsnaam van de ander, gevolgd door de eigen geslachtsnaam
voeren;
4. Men kan de eigen geslachtsnaam, gevolgd door de geslachtsnaam van de ander
voeren.
22. Wijziging van de geslachtsnaam en vaststelling van een geslachtsnaam of voornaam
De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke
vertegenwoordiger door de Koning worden gewijzigd (art. 1:7 lid 1 BW). Hij wiens
geslachtsnaam of voornaam niet bekend zijn, kan de Koning verzoeken voor hem een
geslachtsnaam of voornamen vast te stellen (art. 1:7 lid 2 BW).
23. Het voeren van de naam van een ander
Hij die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, handelt jegens die persoon
onrechtmatig, wanneer hij daarvoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of
gezin te behoren (art. 1:8 BW).
24. Het belang van de regeling van woonplaats
Voor de toepassing van verschillende wettelijke bepalingen is het van belang te weten waar
iemand zijn woonplaats heeft. Die bepalingen kunnen zowel van privaatrechtelijke als van
publiekrechtelijke aard zijn.
25. De woonplaats van een natuurlijk persoon
De woonplaats van een natuurlijk persoon is zijn woonstede en bij gebreke van woonstede
ter plaatse van zijn werkelijk verblijf (art. 1:10 lid 1 BW). Met woonstede is een woning en
niet een gemeente bedoeld.
26. De woonplaats van een rechtspersoon
Op grond van art. 1:10 lid 2 BW heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaatse waar hij
volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.
27. Verlies van woonstede
Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daten waaruit zijn wil blijkt om haar prijs
te geven (art. 1:11 lid 1 BW).