Jurisprudentie burgerlijk recht
Week 1
HR Misverstand
Ercenks was eigenaar van perceel en hij wilde dit verkopen aan de gemeente Bunde. De
Gemeente wilde dit stuk grond opkwamen. De partijen spreken af dat de gemeente de
belastingschade van Ercenks zal vergoeden. Echter, de partijen verschillen van menig over
de grootte van de belastingschade. Bunde wilde € 2.000,- vergoeden en Erckens wilde dat
hij € 50.840 vergoed kreeg. De wil van partijen stemde dus niet overeen. Echter, dit komt
heel vaak voor. Daarom is de vertrouwensleer bepaald. Deze leer is opgenomen in art. 3:35
BW. Volgens de Hoge Raad moet het gaan om over en weer vertrouwen. Dit volgt niet uit
art. 3:35 BW. Bij beide partijen moet het vertrouwen gerechtvaardigd zijn. Hierbij zijn er
verschillende mogelijkheden:
1. Er is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij de Gemeente;
2. Er is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij Erkens;
In dit geval komt er een overeenkomst tot stand waarbij de Gemeente € 50.840 moet
vergoeden.
3. Er is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij beide partijen.
In dit geval komt er geen overeenkomst tot stand, omdat de wil van beide partijen niet
overeenkomt.
Dit is alleen gerechtvaardigd als beide partijen niet gerechtvaardigd vertrouwden en
zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ook niet zouden contrateren onder
andere voorwaarden. Dit is een uitzonderingsgrond en deze grond wordt ook niet
vaak gebruikt in de praktijk.
Als de wil van partijen niet overeenstemt dan moet worden gekeken naar wat de partijen
over en weer van elkaar mochten verwachten gelet op de verklaringen en wil over en weer.
Hierbij spelen de volgende omstandigheden een rol:
De betekenis waarin de ene partij de uitdrukking heeft opgevat meer voor de hand
lag dan die van de andere;
Als deze uitdrukking een vaststaande technische betekenis heeft en de partij die van
deze betekenis is uitgegaan, mocht verwachten dat ook de andere partij deze
betekenis zou kennen en die andere partij daaromtrent voorlichte;
Een door de partijen aan de uitdrukking gehechte betekenis zou leiden tot een
resultaat dat met hetgeen de partijen met de overeenkomst beoogd en minder goed
zou zijn te rijmen.
Bij een misverstand situatie zijn de totstandkoming en de inhoud in elkaar verworven. Bij de
inhoud van de overeenkomst is de haviltex norm van toepassing en dit komt sterk overeen
met die van misverstand.
In dit geval was er nog geen bescherming voor de onbevoegdheid van vertegenwoordiging.
De Hoge Raad heeft in dit geval niet geoordeeld welk vertrouwen gerechtvaardigd. Dit laat
de Hoge Raad over aan de feitenrechter.
Echter, ook al is er geen gerechtvaardigd vertrouwen bij beide partijen, dan kan er toch een
overeenkomst tot stand komen. Er moet dan worden gekeken naar de wil van beide partijen.
HR Kribbebijter
In dit arrest wordt een paard verkocht voor € 7.500,-. Bij de onderhandelingen waren
Schiphoff en Lorsch aanwezig. Schiphoff voerde de onderhandelingen, omdat Lorsch geen
Nederlands sprak. Voor Scholte was duidelijk dat het paard werd gekocht voor Scholte. In de
koopovereenkomst werd een garantieclausule opgenomen. Het paard zou goed, eerlijk en
braaf en vrij van enig kwaad zijn. Na de levering werd door twee dierenartsen vastgesteld dat
het paard een kribbebijter was en dat hij een rugziekte had. Dit was tijdens het sluiten van de
overeenkomst al zo. Het paard was aangekocht om wedstrijden mee te rijden, maar dit was
met dit paard niet meer mogelijk. Schiphoff heeft de koopovereenkomst ontbonden en een
schadevergoeding gevorderd van € 11.000,-. Scholte heeft de gebreken aan het paard niet
,betwist. Hij stelt namelijk dat de gebreken zodanig zichtbaar waren dat elke ervaren koper ze
zelf had kunnen ontdekken. Wel betoogde Stolte zich tegen de ontbinding van de
overeenkomst en de schadevergoeding. Stolte stelde dat de koopovereenkomst helemaal
niet is gesloten met Schiphoff, maar met Lorsch. Als Lorsch de wederpartij was dan kon
Schiphoff de koopovereenkomst helemaal niet ontbinden en schadevergoeding vorderen.
Daarnaast stelt Stolte dat de schade niet door Schiphoff, maar door Lorsch is geleden.
De rechtbank wees de vordering van Schiphoff af. Het Hof stelde dat Lorsch geen
contractspartij was bij de overeenkomst, maar Schiphoff heeft in eigen naam gehandeld en
hij heeft zichzelf dus als partij gebonden. Het Hof oordeelde ook dat de schade van Lorsch
ook schade was van Schiphoff. Schiphoff had namelijk toegezegd dat de schade die hij zou
ontvangen zou doorbetalen aan Lorsch.
De Hoge Raad oordeelde dat bij de vraag of iemand wederpartij is, moet worden gekeken
naar hetgeen hij en die ander daaromtrent met elkaar hebben verklaard en over en weer uit
elkaars verklaring en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Wetenschap dat
degene met wie de onderhandelingen werden gedaan dit voor rekening van een ander doet,
betekent niet dat de overeenkomst ook in naam van die ander wordt gesloten. Dit is een
afzonderlijke vraag. In dit geval was daar geen duidelijkheid over. Volgens de Hoge Raad
heeft het hof geen rechtsregel geschonden door aan te nemen dat Schiphoff als wederpartij
is opgetreden. Daarmee mocht het Hof betekent toekennen aan het feit dat Schiphoff als
commissionair voor Lorsch heeft opgetreden. Een commissionair sluit in het algemeen op
eigen naam rechtshandelingen ten behoeve voor een ander.
Ten aanzien van de schade oordeelt de Hoge Raad dat als iemand die in eigen naam, maar
ten behoeve van een opdrachtgever met een ander een overeenkomst sluit, in beginsel ook
in eigen naam ten behoeve van die opdrachtgever uit die overeenkomst voortvloeiende
rechten geldend kan maken. Dit geldt met name voor een vordering tot vergoeding van de
schade die als gevolg van de overeenkomst wegens wanprestatie aan de zijde van de partij
tegen die de wanprestatie is gepleegd, is geleden. Daarbij maakt het in beginsel geen
verschil of deze partij schade in eigen vermogen lijdt of dat hij de vordering uitsluitend of
mede instelt ten behoeve van haar opdrachtgever.
HR Globe/Provincie
In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het onbevoegdelijk handelen in naam van een
ander slechts als onrechtmatig kan worden aangemerkt als het geschiedt op een wijze of
gepaard gaat met omstandigheden, waaruit voortvloeit dat het optreden van de onbevoegde
vertegenwoordiger in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dus de
tussen persoon die zijn bevoegdheid overschrijdt, is niet altijd aansprakelijk op grond van art.
6:162 BW. Wanneer iemand precies aansprakelijk is laat de Hoge Raad in het midden. Het
expres overschrijven van de bevoegdheid of bewust handelen zonder enige bevoegdheid
zorgt altijd voor aansprakelijkheid.
Als iemand aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad, is zijn werkgever ook aansprakelijk
(art. 6:176 BW). Het is onduidelijk of deze regeling ook geldt voor art. 3:70 BW. Asser stelt
dat deze regel ook geldt bij gevallen op grond van art. 3:70 BW.
HR ING/Bera
Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordig kan ook plaats
zijn ingeval de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan de
tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo
achterman komen. Dus met andere woorden art. 3:61 lid 2 BW kan ook zonder verklaring of
gedraging van de achterman worden opgewerkt. Het gerechtvaardigd vertrouwen is dan
opgewekt door feiten en omstandigheden die voor risico van de achterman komen. Het kan
dan gaan om een tussenpersoon die bij de achterman is betrokken en de bankafschriften zijn
op verzoek van de achterman naar de tussenpersoon gestuurd.
De achterman heeft in dit geval dus onvoldoende gedaan om te voorkomen dat bij de derde
het vertrouwen is gewekt dat de tussenpersoon een volmacht heeft gekregen.
Echter, deze regel is niet onbeperkt.
, HR Aventura
In dit arrest was Kloes de advocaat van de verzoeker. Er ontstaat een geschil tussen de
verzoeker en Aventura. Uiteindelijk wordt er een schikkingsovereenkomst gesloten tussen de
verzoeker en Aventura. Deze overeenkomst wordt gesloten door advocaat Kloes. In de
overeenkomst draagt de verzoeker zijn aandelen over aan Aventura. Echter, Kloes heeft
hiervoor nooit een volmacht gekregen. In dit geval bepaalt het hof dat Kloes zich op een
overtuigende wijze heeft gepresenteerd als advocaat met de noodzakelijke
vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof baseert het vertrouwen op de handelingen van
Kloes. De Hoge Raad oordeelt dat het risicobeginsel niet zo ver gaat dat voor toepassing
daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen
uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende
persoon.
Aventura kan dus geen beroep doen op art. 3:61 lid 2 BW. Echter, Aventura kan wel Kloes
aanspreken op grond van art. 3:70 BW.
HR Eelman/Hin
In deze zaak wil Eelman van het pand af, omdat hij denkt dat er spoken in het huis zitten.
Daarom verkoopt hij het pand voor € 50.000,-. Een paar maanden later weigert hij echter
mee te werken aan de levering van het pand. Hij voert aan dat door een geestelijke stoornis,
zijn wil niet overeenstemt met zijn verklaring en dat er daarom geen geldige
koopovereenkomst tot stand is gekomen. De Koper geeft aan dat er absoluut niet kenbaar
was dat Eelman tijdens de verkoop een geestelijke stoornis had. Een jaar later wordt Eelman
onder curatele gesteld wegens schizofrenie. Dit betekent dat hij vanaf dat moment
handelingsonbekwaam is en dat hij tijdens het sluiten van de overeenkomst feitelijk
onbekwaam was. De Hoge Raad oordeelt daarom dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is.
Daarbij zijn twee overwegingen van belang. De eerste overweging is dat Eelman het pand
had verkocht voor een normale economische waarde en dus geen nadeel heeft
ondervonden. Daarnaast had Hin erop mogen vertrouwen dat hij vandoen het met een
persoon die in een normale geestelijke doen was. Deze aspecten zijn opgenomen in art.
3:33 en 3:34 BW.
HR Quint/Te Poel
In deze zaak gaat het om ongerechtvaardigde verkrijging. In de tijd van deze uitspraak was
ongerechtvaardigde verkrijging nog niet opgenomen in art. 6:212 BW. Het was toen de vraag
of je ook een vordering tot schadevergoeding kan instellen als de wet niet met zoveel worden
zegt dat de bron van verbintenis bestaat.
Bouwbedrijf Quint sloot een aannemingsovereenkomst met de heer Te Poel. Quint moest in
opdracht van Te Poel twee winkelwoningen betalen. Na enige tijd stopte Te Poel met betalen
van de rekeningen. Quint sprak toen de broer van de heer Te poel aan, omdat de
winkelwoningen waren gebouwd op de grond van de broer. Dit maakte dat de broer eigenaar
was van de grond en dus de woningen. Quint stelde toen dat de broer zijn rekeningen moest
betalen op grond van ongerechtvaardigde verkrijging. De broer stelde dat
ongerechtvaardigde verrijking niet is opgenomen in dit wet en dat hij daarom niet hoefde te
betalen. Het Hof oordeelde dat het niet mogelijk is om de schade te verhalen, omdat er geen
bron voor de verbintenis als het niet in de wet is opgenomen. De Hoge Raad was van
mening dat dit niet klopte. Volgens de Hoge Raad zijn er wel bronnen van verbintenissen die
niet met zoveel worden in de wet staan. Dit maakt dat het privaatrecht een openstelsel van
verbintenissen heeft. Dit blijkt uit art. 6:1 BW. De Hoge Raad stelt dat in gevallen die niet
door de wet zijn geregeld, de oplossing moet worden aanvaard die in het stelsel van de wet
past en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Er moet dus bij een verbintenis die niet
in de wet is geregeld, worden gekeken naar wat er wel in de wet is geregeld.
HR Goudse Bouwmeester
In dit arrest moest de Hoge Raad oordelen over een natuurlijke verbintenis. Een ambtenaar
van de gemeente Gouda was belast met bouwzaken. Deze bouwmeester ontving
Week 1
HR Misverstand
Ercenks was eigenaar van perceel en hij wilde dit verkopen aan de gemeente Bunde. De
Gemeente wilde dit stuk grond opkwamen. De partijen spreken af dat de gemeente de
belastingschade van Ercenks zal vergoeden. Echter, de partijen verschillen van menig over
de grootte van de belastingschade. Bunde wilde € 2.000,- vergoeden en Erckens wilde dat
hij € 50.840 vergoed kreeg. De wil van partijen stemde dus niet overeen. Echter, dit komt
heel vaak voor. Daarom is de vertrouwensleer bepaald. Deze leer is opgenomen in art. 3:35
BW. Volgens de Hoge Raad moet het gaan om over en weer vertrouwen. Dit volgt niet uit
art. 3:35 BW. Bij beide partijen moet het vertrouwen gerechtvaardigd zijn. Hierbij zijn er
verschillende mogelijkheden:
1. Er is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij de Gemeente;
2. Er is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij Erkens;
In dit geval komt er een overeenkomst tot stand waarbij de Gemeente € 50.840 moet
vergoeden.
3. Er is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij beide partijen.
In dit geval komt er geen overeenkomst tot stand, omdat de wil van beide partijen niet
overeenkomt.
Dit is alleen gerechtvaardigd als beide partijen niet gerechtvaardigd vertrouwden en
zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ook niet zouden contrateren onder
andere voorwaarden. Dit is een uitzonderingsgrond en deze grond wordt ook niet
vaak gebruikt in de praktijk.
Als de wil van partijen niet overeenstemt dan moet worden gekeken naar wat de partijen
over en weer van elkaar mochten verwachten gelet op de verklaringen en wil over en weer.
Hierbij spelen de volgende omstandigheden een rol:
De betekenis waarin de ene partij de uitdrukking heeft opgevat meer voor de hand
lag dan die van de andere;
Als deze uitdrukking een vaststaande technische betekenis heeft en de partij die van
deze betekenis is uitgegaan, mocht verwachten dat ook de andere partij deze
betekenis zou kennen en die andere partij daaromtrent voorlichte;
Een door de partijen aan de uitdrukking gehechte betekenis zou leiden tot een
resultaat dat met hetgeen de partijen met de overeenkomst beoogd en minder goed
zou zijn te rijmen.
Bij een misverstand situatie zijn de totstandkoming en de inhoud in elkaar verworven. Bij de
inhoud van de overeenkomst is de haviltex norm van toepassing en dit komt sterk overeen
met die van misverstand.
In dit geval was er nog geen bescherming voor de onbevoegdheid van vertegenwoordiging.
De Hoge Raad heeft in dit geval niet geoordeeld welk vertrouwen gerechtvaardigd. Dit laat
de Hoge Raad over aan de feitenrechter.
Echter, ook al is er geen gerechtvaardigd vertrouwen bij beide partijen, dan kan er toch een
overeenkomst tot stand komen. Er moet dan worden gekeken naar de wil van beide partijen.
HR Kribbebijter
In dit arrest wordt een paard verkocht voor € 7.500,-. Bij de onderhandelingen waren
Schiphoff en Lorsch aanwezig. Schiphoff voerde de onderhandelingen, omdat Lorsch geen
Nederlands sprak. Voor Scholte was duidelijk dat het paard werd gekocht voor Scholte. In de
koopovereenkomst werd een garantieclausule opgenomen. Het paard zou goed, eerlijk en
braaf en vrij van enig kwaad zijn. Na de levering werd door twee dierenartsen vastgesteld dat
het paard een kribbebijter was en dat hij een rugziekte had. Dit was tijdens het sluiten van de
overeenkomst al zo. Het paard was aangekocht om wedstrijden mee te rijden, maar dit was
met dit paard niet meer mogelijk. Schiphoff heeft de koopovereenkomst ontbonden en een
schadevergoeding gevorderd van € 11.000,-. Scholte heeft de gebreken aan het paard niet
,betwist. Hij stelt namelijk dat de gebreken zodanig zichtbaar waren dat elke ervaren koper ze
zelf had kunnen ontdekken. Wel betoogde Stolte zich tegen de ontbinding van de
overeenkomst en de schadevergoeding. Stolte stelde dat de koopovereenkomst helemaal
niet is gesloten met Schiphoff, maar met Lorsch. Als Lorsch de wederpartij was dan kon
Schiphoff de koopovereenkomst helemaal niet ontbinden en schadevergoeding vorderen.
Daarnaast stelt Stolte dat de schade niet door Schiphoff, maar door Lorsch is geleden.
De rechtbank wees de vordering van Schiphoff af. Het Hof stelde dat Lorsch geen
contractspartij was bij de overeenkomst, maar Schiphoff heeft in eigen naam gehandeld en
hij heeft zichzelf dus als partij gebonden. Het Hof oordeelde ook dat de schade van Lorsch
ook schade was van Schiphoff. Schiphoff had namelijk toegezegd dat de schade die hij zou
ontvangen zou doorbetalen aan Lorsch.
De Hoge Raad oordeelde dat bij de vraag of iemand wederpartij is, moet worden gekeken
naar hetgeen hij en die ander daaromtrent met elkaar hebben verklaard en over en weer uit
elkaars verklaring en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Wetenschap dat
degene met wie de onderhandelingen werden gedaan dit voor rekening van een ander doet,
betekent niet dat de overeenkomst ook in naam van die ander wordt gesloten. Dit is een
afzonderlijke vraag. In dit geval was daar geen duidelijkheid over. Volgens de Hoge Raad
heeft het hof geen rechtsregel geschonden door aan te nemen dat Schiphoff als wederpartij
is opgetreden. Daarmee mocht het Hof betekent toekennen aan het feit dat Schiphoff als
commissionair voor Lorsch heeft opgetreden. Een commissionair sluit in het algemeen op
eigen naam rechtshandelingen ten behoeve voor een ander.
Ten aanzien van de schade oordeelt de Hoge Raad dat als iemand die in eigen naam, maar
ten behoeve van een opdrachtgever met een ander een overeenkomst sluit, in beginsel ook
in eigen naam ten behoeve van die opdrachtgever uit die overeenkomst voortvloeiende
rechten geldend kan maken. Dit geldt met name voor een vordering tot vergoeding van de
schade die als gevolg van de overeenkomst wegens wanprestatie aan de zijde van de partij
tegen die de wanprestatie is gepleegd, is geleden. Daarbij maakt het in beginsel geen
verschil of deze partij schade in eigen vermogen lijdt of dat hij de vordering uitsluitend of
mede instelt ten behoeve van haar opdrachtgever.
HR Globe/Provincie
In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het onbevoegdelijk handelen in naam van een
ander slechts als onrechtmatig kan worden aangemerkt als het geschiedt op een wijze of
gepaard gaat met omstandigheden, waaruit voortvloeit dat het optreden van de onbevoegde
vertegenwoordiger in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dus de
tussen persoon die zijn bevoegdheid overschrijdt, is niet altijd aansprakelijk op grond van art.
6:162 BW. Wanneer iemand precies aansprakelijk is laat de Hoge Raad in het midden. Het
expres overschrijven van de bevoegdheid of bewust handelen zonder enige bevoegdheid
zorgt altijd voor aansprakelijkheid.
Als iemand aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad, is zijn werkgever ook aansprakelijk
(art. 6:176 BW). Het is onduidelijk of deze regeling ook geldt voor art. 3:70 BW. Asser stelt
dat deze regel ook geldt bij gevallen op grond van art. 3:70 BW.
HR ING/Bera
Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordig kan ook plaats
zijn ingeval de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan de
tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo
achterman komen. Dus met andere woorden art. 3:61 lid 2 BW kan ook zonder verklaring of
gedraging van de achterman worden opgewerkt. Het gerechtvaardigd vertrouwen is dan
opgewekt door feiten en omstandigheden die voor risico van de achterman komen. Het kan
dan gaan om een tussenpersoon die bij de achterman is betrokken en de bankafschriften zijn
op verzoek van de achterman naar de tussenpersoon gestuurd.
De achterman heeft in dit geval dus onvoldoende gedaan om te voorkomen dat bij de derde
het vertrouwen is gewekt dat de tussenpersoon een volmacht heeft gekregen.
Echter, deze regel is niet onbeperkt.
, HR Aventura
In dit arrest was Kloes de advocaat van de verzoeker. Er ontstaat een geschil tussen de
verzoeker en Aventura. Uiteindelijk wordt er een schikkingsovereenkomst gesloten tussen de
verzoeker en Aventura. Deze overeenkomst wordt gesloten door advocaat Kloes. In de
overeenkomst draagt de verzoeker zijn aandelen over aan Aventura. Echter, Kloes heeft
hiervoor nooit een volmacht gekregen. In dit geval bepaalt het hof dat Kloes zich op een
overtuigende wijze heeft gepresenteerd als advocaat met de noodzakelijke
vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof baseert het vertrouwen op de handelingen van
Kloes. De Hoge Raad oordeelt dat het risicobeginsel niet zo ver gaat dat voor toepassing
daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen
uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende
persoon.
Aventura kan dus geen beroep doen op art. 3:61 lid 2 BW. Echter, Aventura kan wel Kloes
aanspreken op grond van art. 3:70 BW.
HR Eelman/Hin
In deze zaak wil Eelman van het pand af, omdat hij denkt dat er spoken in het huis zitten.
Daarom verkoopt hij het pand voor € 50.000,-. Een paar maanden later weigert hij echter
mee te werken aan de levering van het pand. Hij voert aan dat door een geestelijke stoornis,
zijn wil niet overeenstemt met zijn verklaring en dat er daarom geen geldige
koopovereenkomst tot stand is gekomen. De Koper geeft aan dat er absoluut niet kenbaar
was dat Eelman tijdens de verkoop een geestelijke stoornis had. Een jaar later wordt Eelman
onder curatele gesteld wegens schizofrenie. Dit betekent dat hij vanaf dat moment
handelingsonbekwaam is en dat hij tijdens het sluiten van de overeenkomst feitelijk
onbekwaam was. De Hoge Raad oordeelt daarom dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is.
Daarbij zijn twee overwegingen van belang. De eerste overweging is dat Eelman het pand
had verkocht voor een normale economische waarde en dus geen nadeel heeft
ondervonden. Daarnaast had Hin erop mogen vertrouwen dat hij vandoen het met een
persoon die in een normale geestelijke doen was. Deze aspecten zijn opgenomen in art.
3:33 en 3:34 BW.
HR Quint/Te Poel
In deze zaak gaat het om ongerechtvaardigde verkrijging. In de tijd van deze uitspraak was
ongerechtvaardigde verkrijging nog niet opgenomen in art. 6:212 BW. Het was toen de vraag
of je ook een vordering tot schadevergoeding kan instellen als de wet niet met zoveel worden
zegt dat de bron van verbintenis bestaat.
Bouwbedrijf Quint sloot een aannemingsovereenkomst met de heer Te Poel. Quint moest in
opdracht van Te Poel twee winkelwoningen betalen. Na enige tijd stopte Te Poel met betalen
van de rekeningen. Quint sprak toen de broer van de heer Te poel aan, omdat de
winkelwoningen waren gebouwd op de grond van de broer. Dit maakte dat de broer eigenaar
was van de grond en dus de woningen. Quint stelde toen dat de broer zijn rekeningen moest
betalen op grond van ongerechtvaardigde verkrijging. De broer stelde dat
ongerechtvaardigde verrijking niet is opgenomen in dit wet en dat hij daarom niet hoefde te
betalen. Het Hof oordeelde dat het niet mogelijk is om de schade te verhalen, omdat er geen
bron voor de verbintenis als het niet in de wet is opgenomen. De Hoge Raad was van
mening dat dit niet klopte. Volgens de Hoge Raad zijn er wel bronnen van verbintenissen die
niet met zoveel worden in de wet staan. Dit maakt dat het privaatrecht een openstelsel van
verbintenissen heeft. Dit blijkt uit art. 6:1 BW. De Hoge Raad stelt dat in gevallen die niet
door de wet zijn geregeld, de oplossing moet worden aanvaard die in het stelsel van de wet
past en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Er moet dus bij een verbintenis die niet
in de wet is geregeld, worden gekeken naar wat er wel in de wet is geregeld.
HR Goudse Bouwmeester
In dit arrest moest de Hoge Raad oordelen over een natuurlijke verbintenis. Een ambtenaar
van de gemeente Gouda was belast met bouwzaken. Deze bouwmeester ontving