Hoorcollege bestuurs(proces)recht
Week 1
Bestuursbevoegdheid
Het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat het openbaar bestuur alleen mag handelen als
er een bevoegdheid is. Wanneer door de uitoefening van deze bevoegdheid een grondrecht
wordt geschonden. Dan moeten er voldoende waarborgen worden opgenomen in de wet.
Het beginsel van wetmatigheid van het bestuur
De hoofdregel is dat de bevoegdheid van het bestuur moet rusten op een wet.
Waterschappen
De Waterschappen zijn belast met de kwaliteit van de wateren in Nederland. De
waterschappen hebben de bevoegdheid om verboden in te stellen. Zo kunnen zij een
beregeningsverbod in stellen van akkers. Een beregeningsverbond is er om te voorkomen
dat er algemene droogte ontstaat.
Algemeen belang discretie belangenafweging
Het bestuursrecht gaat om het algemeen belang. De overheid en het bestuur moeten het
algemeen belang dienen. Een algemeen belang is het resultaat van een discussie over
belangenafweging.
Discretie is ruimte om tot rechtsvorming te komen. De discretie wordt gevormd door de
belangenafweging. Voor de belangenafweging gelden verschillende bestuursrechtelijke
normen.
Beschikking
De weigering van de aanvraag voor een vergunning is ook een beschikking. Een beschikking
is ook een besluit.
Het ontstaan van het hedendaagse bestuursrecht
De groei van het bestuursrecht vond begin van de 19 e eeuw plaats. Voor de groei van de
bestuursrecht zijn er twee factoren:
1. Industriële revolutie;
De omwenteling van een samenleving die bouwde op landbouw naar een industriële
samenleving.
2. Franse revolutie.
In de Franse revolutie vond er een staatsrechtelijke omslag plaats. Er ontstonden
verschillende grondrechten, zoals vrijheid en gelijkheid.
Ook de monarchie kreeg veel minder macht tijdens de Franse revolutie. Daarnaast
bloeide de democratie op.
Het bestuursrecht volgt de ontwikkelingen in het land. Bijvoorbeeld toen er na de tweede
wereldoorlog sprake was van woningnood dan maakt zorgt het bestuursrecht voor een
nieuwe wet die de woningnood tegen moet gaan.
Door de revoluties ontstond er steeds meer aandacht voor de waarborg functie en de
instrumentele functie.
Staatsrecht en bestuursrecht
Bestuursrecht kun je zonder staatsrecht niet goed begrijpen en andersom ook niet.
Het bestuursrecht als rechtsgebied
Het bestuursrecht is een relatief jong bestuursrecht, omdat het bestuursrecht nog steeds
wrodt uitgebreid. Het bestuursrecht is nog steeds aan het ordenen, omdat het constant de
ontwikkelingen in de samenlevingen bij houdt.
,De toekomst van het bestuursrecht
Doordat de invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen op het bestuursrecht zeer groot
zijn blijft het bestuursrecht steeds in ontwikkeling. Bijvoorbeeld de invloed van de
digitalisering op het bestuursrecht. Door de digitalisering van het bestuursrecht moeten
verschillende wetten worden aangepast.
Ook het Europese en internationale recht krijgt een steeds grotere invloed op het
bestuursrecht.
Grensvlakken van het bestuursrecht
Het bestuursrecht grenst aan verschillende rechtsgebieden, namelijk:
Europees en internationaal recht;
Strafrecht;
Staatsrecht;
Privaatrecht.
Privaatrecht vs. Bestuursrecht
In veel gevallen is gebruik van het privaatrecht door de overheid niet problematisch.
Bijvoorbeeld als de overheid een auto koopt. Het probleem ontstaat pas als het bestuur het
privaatrecht inzet als hij ook bestuursrechtelijke bevoegdheden in kan zetten.
Verhouding tot andere rechtsgebieden
Tussen het staatsrecht en het bestuursrecht bestaat een oude, hechte en noodzakelijke
relatie.
Aanvullen
Kenmerken van het bestuursrecht
Het bestuursrecht heeft verschillende kenmerken, namelijk:
Het belang van de wet en het begrip bestuursbevoegdheid;
Legaliteit (primaat van de wetgever);
Specialiteit (doelbinding van het bestuur).
De rechtsbetrekking in het bestuursrecht;
Het dominante besluitmodel;
Alles ligt in de hand van het bestuur voor de burger. Als de burger een vergunning
wil aanvragen en het bestuur wijst dit af dan is dit een eenzijdige handeling van het
bestuur. De burger kan daar tegen procederen, maar verder kan hij daar niks tegen
doen.
De ongelijkwaardige relatie tussen bestuur en burger.
Burgers zijn veel minder zelfredzaam bij tijdens contacten met de overheid.
Gelede normstelling en bestuurlijke discretie.
Trias-vraagstukken kenmerken het bestuursrecht (bijvoorbeeld rechterlijke
toetsing van de beleidsruimte).
Daarnaast moet de overheid maatwerk leveren. De overheid moet er voor zorgen dat
iedereen recht moet worden gedaan. Daarom is een menselijke toetst zeer van belang bij het
leveren van maatwerk.
Gelede normstelling
Als een burger een relatie aangaat met een bestuursorgaan dan gaat de burger in feite ook
een relatie aan met de overheid.
De komst van de Awb
De Awb is er, omdat in art. 107 lid 2 Gw staat dat er een algemene wet moet zijn voor het
regelen van het bestuursrecht. Echter, er zijn nog drie andere redenen waarom de Awb is
ontstaan:
Het oude bestuursrecht was in Nederland chaotisch tot stand gekomen;
, Er waren honderden verschillende wetten en deze wetten hadden wel overeenstemming,
maar er waren ook veel verschillen. Het was van belang dat er orde werd geschept
tussen de verschillende wetten.
In de twintigste eeuw is er veel ongeschreven recht door de rechter tot stand
gekomen.
Er was veel behoefte om dit ongeschreven recht te codificeren.
Het versnipperde stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
De Awb is een belangrijke bron van verschillende begrippen.
In de Awb worden algemene begrippen uitgewerkt, zoals besluiten.
Daarnaast worden in de Awb definities van en bepalingen over algemene leerstukken van
het bestuursrecht gegeven. Bijvoorbeeld van delegatie, mandaat, toezicht etc. Ook zijn er
codificaties en uitwerkingen van rechtsbeginselen opgenomen in de Awb (bijvoorbeeld de
uitwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel).
Tot slot zijn de algemene regelingen voor bepaalde besluiten opgenomen in de Awb
(bijvoorbeeld handhavingsbesluiten en subsidies).
Relativering: er is veel meer bestuursrecht dan de Awb-recht
De Awb is slechts een algemene wet die betekenis heeft naast een heel stel van bijzondere
wetgeving. De bijzondere wetten verschaffen bevoegdheden aan het bestuur. De Awb
reguleert vaak bestaande bevoegdheden van het bestuur.
Ook blijft het ongeschreven bestuursrecht nog steeds bestaan.
Daarnaast bestaat het Europese bestuursrecht naast het Nederlandse bestuursrecht.
Tot slot zijn overige algemene wetten van belang, zoals de Wet openbaring van bestuur,
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, Gemeentewet, etc.
Het systeem van de Awb
De Awb is een aanbouwwet. Dit betekent dat delen van de Awb later tot stand zijn gekomen.
Tevens kent de Awb een gelaagde structuur. Dit betekent dat de Awb is opgebouwd van
algemeen naar bijzonder. Dit zie je bijvoorbeeld bij de last onder dwangsom. Er zijn
bepalingen over de dwangsom, maar een last onder dwangsom is ook een beschikking.
Daarom zijn de bepalingen over beschikkingen ook van belang voor de last onder
dwangsom. Een beschikking is ook een besluit. Daarom zijn ook de bepalingen over
besluiten van toepassing.
Bovendien zijn er specifieke bepalingen over de toepassing van schakelbepalingen en
gelijkstellingen.
Awb en de bijzondere wet: een verraderlijke combinatie
De Awb is in beginsel niet bevoegdheid verschaffend. De Awb werkt met verschillende
soorten regels en bepalingen, namelijk:
Regels die de standaard zijn voor het gehele bestuursrecht;
Bijvoorbeeld art. 1:2 Awb.
Regels voor normale gevallen, tenzij;
Bijvoorbeeld art. 4:1 Awb.
Het vertrouwensbeginsel wordt bijvoorbeeld gekleurd door bijzondere wetgeving.
Rest- of vangnetbepalingen;
Art. 4:13 Awb
De wet gaat er van uit dat de bijzondere wet bepalingen geeft, maar als de bijzondere
wet dit niet doet dan kan er worden teruggevallen op de Awb. Bijvoorbeeld bepalingen
over termijnen.
Facultatieve bepalingen.
Bijvoorbeeld art. 3:10 lid 1 Awb.
, Hoorcollege bestuurs(proces)recht
Week 2
Bestuursorganen
Op grond van art. 1:1 Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:
a. Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of;
b. Een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Dit worden ook wel de a- en b-organen genoemd.
Eerst kijk je of een orgaan een a-orgaan is, zo niet dan kijk je of het een b-orgaan is. Als het
ook geen b-orgaan is, is het geen bestuursorgaan.
Een a-orgaan
Een a-orgaan is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.
Een a-orgaan zit verweven met een specifieke rechtsvorm. In boek 2 BW is bepaald welke
rechtspersonen er zijn. In art. 2:1 BW zijn de publiekrechtelijke rechtspersonen opgenomen.
In art. 2:2 BW vind je de kerkgenootschappen. In art. 2:3 BW zijn de privaatrechtelijke
rechtspersonen opgenomen. De privaatrechtelijke rechtspersonen zijn de B.V, N.V,
vereniging, stichting en coöperatie.
Publiekrechtelijke rechtspersoon
Een rechtspersoon die krachtens publiekrechtelijk is ingesteld is een publiekrechtelijke
rechtspersoon die is genoemd in art. 2:1 BW. Er worden verschillende termen gebruikt in het
bestuursrecht en in het burgerlijkrecht. Deze rechtsgebieden weten weinig van elkaar
rechtsgebied en daarom verschillende deze termen van elkaar.
Op grond van art. 2:1 lid 1 BW zijn de Staat, de provincies, de gemeenten, de
waterschappen alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordende
bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid. Op grond van art. 2:1 lid 2 BW
hebben andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten
slechts rechtspersoonlijk, indien dit uit de wet volgt.
Op grond van art. 2:1 lid 3 BW geldt art. 2:5 BW niet voor de publiekrechtelijke personen.
Volgens art. 2:5 BW wordt een rechtspersoon gelijkgesteld met een natuurlijk persoon. Dit
wordt bij de overheid niet gedaan.
Rechtspersonen art. 2:1 lid 1 BW
De Staat, provincie, gemeente en waterschap bezitten rechtspersoonlijkheid.
Rechtspersoonlijkheid is iets privaatrechtelijk en daarom is dit opgenomen in het Burgerlijk
Wetboek en niet in bijvoorbeeld de Grondwet. Echter, inmiddels treft de
rechtspersoonlijkheid ook het strafrecht en het bestuursrecht. De rechtspersoonlijkheid treft
het bestuursrecht, omdat organen van de Staat worden aangemerkt als rechtspersoon en dit
geeft hen bevoegdheden.
Ook bepaald art. 2:1 lid 1 BW dat lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende
bevoegdheid is verleend rechtspersonen zijn. Volgens het staatsrecht zijn dit organen met
een verordenende bevoegdheid.
Kortom, volgens art. 2:1 lid 1 BW kan er rechtspersoonlijkheid worden toebedeeld aan:
1. Een openbaar lichaam;
De Staat, de provincie, de gemeente en de waterschappen.
2. Een orgaan met een verordende bevoegdheid.
Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (art. 2 lid 1 Wet
op accountantsberoep), de Nederlandse Orde van Advocaten (art. 17 lid 1 en 28
Advocatenwet), Koninklijke beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (art. 56 en 65
Gerechtsdeurwaarderswet) en de Koninklijke notariële beroepsorganisatie (art. 60 en 69
Wet op het notarisambt).
Week 1
Bestuursbevoegdheid
Het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat het openbaar bestuur alleen mag handelen als
er een bevoegdheid is. Wanneer door de uitoefening van deze bevoegdheid een grondrecht
wordt geschonden. Dan moeten er voldoende waarborgen worden opgenomen in de wet.
Het beginsel van wetmatigheid van het bestuur
De hoofdregel is dat de bevoegdheid van het bestuur moet rusten op een wet.
Waterschappen
De Waterschappen zijn belast met de kwaliteit van de wateren in Nederland. De
waterschappen hebben de bevoegdheid om verboden in te stellen. Zo kunnen zij een
beregeningsverbod in stellen van akkers. Een beregeningsverbond is er om te voorkomen
dat er algemene droogte ontstaat.
Algemeen belang discretie belangenafweging
Het bestuursrecht gaat om het algemeen belang. De overheid en het bestuur moeten het
algemeen belang dienen. Een algemeen belang is het resultaat van een discussie over
belangenafweging.
Discretie is ruimte om tot rechtsvorming te komen. De discretie wordt gevormd door de
belangenafweging. Voor de belangenafweging gelden verschillende bestuursrechtelijke
normen.
Beschikking
De weigering van de aanvraag voor een vergunning is ook een beschikking. Een beschikking
is ook een besluit.
Het ontstaan van het hedendaagse bestuursrecht
De groei van het bestuursrecht vond begin van de 19 e eeuw plaats. Voor de groei van de
bestuursrecht zijn er twee factoren:
1. Industriële revolutie;
De omwenteling van een samenleving die bouwde op landbouw naar een industriële
samenleving.
2. Franse revolutie.
In de Franse revolutie vond er een staatsrechtelijke omslag plaats. Er ontstonden
verschillende grondrechten, zoals vrijheid en gelijkheid.
Ook de monarchie kreeg veel minder macht tijdens de Franse revolutie. Daarnaast
bloeide de democratie op.
Het bestuursrecht volgt de ontwikkelingen in het land. Bijvoorbeeld toen er na de tweede
wereldoorlog sprake was van woningnood dan maakt zorgt het bestuursrecht voor een
nieuwe wet die de woningnood tegen moet gaan.
Door de revoluties ontstond er steeds meer aandacht voor de waarborg functie en de
instrumentele functie.
Staatsrecht en bestuursrecht
Bestuursrecht kun je zonder staatsrecht niet goed begrijpen en andersom ook niet.
Het bestuursrecht als rechtsgebied
Het bestuursrecht is een relatief jong bestuursrecht, omdat het bestuursrecht nog steeds
wrodt uitgebreid. Het bestuursrecht is nog steeds aan het ordenen, omdat het constant de
ontwikkelingen in de samenlevingen bij houdt.
,De toekomst van het bestuursrecht
Doordat de invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen op het bestuursrecht zeer groot
zijn blijft het bestuursrecht steeds in ontwikkeling. Bijvoorbeeld de invloed van de
digitalisering op het bestuursrecht. Door de digitalisering van het bestuursrecht moeten
verschillende wetten worden aangepast.
Ook het Europese en internationale recht krijgt een steeds grotere invloed op het
bestuursrecht.
Grensvlakken van het bestuursrecht
Het bestuursrecht grenst aan verschillende rechtsgebieden, namelijk:
Europees en internationaal recht;
Strafrecht;
Staatsrecht;
Privaatrecht.
Privaatrecht vs. Bestuursrecht
In veel gevallen is gebruik van het privaatrecht door de overheid niet problematisch.
Bijvoorbeeld als de overheid een auto koopt. Het probleem ontstaat pas als het bestuur het
privaatrecht inzet als hij ook bestuursrechtelijke bevoegdheden in kan zetten.
Verhouding tot andere rechtsgebieden
Tussen het staatsrecht en het bestuursrecht bestaat een oude, hechte en noodzakelijke
relatie.
Aanvullen
Kenmerken van het bestuursrecht
Het bestuursrecht heeft verschillende kenmerken, namelijk:
Het belang van de wet en het begrip bestuursbevoegdheid;
Legaliteit (primaat van de wetgever);
Specialiteit (doelbinding van het bestuur).
De rechtsbetrekking in het bestuursrecht;
Het dominante besluitmodel;
Alles ligt in de hand van het bestuur voor de burger. Als de burger een vergunning
wil aanvragen en het bestuur wijst dit af dan is dit een eenzijdige handeling van het
bestuur. De burger kan daar tegen procederen, maar verder kan hij daar niks tegen
doen.
De ongelijkwaardige relatie tussen bestuur en burger.
Burgers zijn veel minder zelfredzaam bij tijdens contacten met de overheid.
Gelede normstelling en bestuurlijke discretie.
Trias-vraagstukken kenmerken het bestuursrecht (bijvoorbeeld rechterlijke
toetsing van de beleidsruimte).
Daarnaast moet de overheid maatwerk leveren. De overheid moet er voor zorgen dat
iedereen recht moet worden gedaan. Daarom is een menselijke toetst zeer van belang bij het
leveren van maatwerk.
Gelede normstelling
Als een burger een relatie aangaat met een bestuursorgaan dan gaat de burger in feite ook
een relatie aan met de overheid.
De komst van de Awb
De Awb is er, omdat in art. 107 lid 2 Gw staat dat er een algemene wet moet zijn voor het
regelen van het bestuursrecht. Echter, er zijn nog drie andere redenen waarom de Awb is
ontstaan:
Het oude bestuursrecht was in Nederland chaotisch tot stand gekomen;
, Er waren honderden verschillende wetten en deze wetten hadden wel overeenstemming,
maar er waren ook veel verschillen. Het was van belang dat er orde werd geschept
tussen de verschillende wetten.
In de twintigste eeuw is er veel ongeschreven recht door de rechter tot stand
gekomen.
Er was veel behoefte om dit ongeschreven recht te codificeren.
Het versnipperde stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
De Awb is een belangrijke bron van verschillende begrippen.
In de Awb worden algemene begrippen uitgewerkt, zoals besluiten.
Daarnaast worden in de Awb definities van en bepalingen over algemene leerstukken van
het bestuursrecht gegeven. Bijvoorbeeld van delegatie, mandaat, toezicht etc. Ook zijn er
codificaties en uitwerkingen van rechtsbeginselen opgenomen in de Awb (bijvoorbeeld de
uitwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel).
Tot slot zijn de algemene regelingen voor bepaalde besluiten opgenomen in de Awb
(bijvoorbeeld handhavingsbesluiten en subsidies).
Relativering: er is veel meer bestuursrecht dan de Awb-recht
De Awb is slechts een algemene wet die betekenis heeft naast een heel stel van bijzondere
wetgeving. De bijzondere wetten verschaffen bevoegdheden aan het bestuur. De Awb
reguleert vaak bestaande bevoegdheden van het bestuur.
Ook blijft het ongeschreven bestuursrecht nog steeds bestaan.
Daarnaast bestaat het Europese bestuursrecht naast het Nederlandse bestuursrecht.
Tot slot zijn overige algemene wetten van belang, zoals de Wet openbaring van bestuur,
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, Gemeentewet, etc.
Het systeem van de Awb
De Awb is een aanbouwwet. Dit betekent dat delen van de Awb later tot stand zijn gekomen.
Tevens kent de Awb een gelaagde structuur. Dit betekent dat de Awb is opgebouwd van
algemeen naar bijzonder. Dit zie je bijvoorbeeld bij de last onder dwangsom. Er zijn
bepalingen over de dwangsom, maar een last onder dwangsom is ook een beschikking.
Daarom zijn de bepalingen over beschikkingen ook van belang voor de last onder
dwangsom. Een beschikking is ook een besluit. Daarom zijn ook de bepalingen over
besluiten van toepassing.
Bovendien zijn er specifieke bepalingen over de toepassing van schakelbepalingen en
gelijkstellingen.
Awb en de bijzondere wet: een verraderlijke combinatie
De Awb is in beginsel niet bevoegdheid verschaffend. De Awb werkt met verschillende
soorten regels en bepalingen, namelijk:
Regels die de standaard zijn voor het gehele bestuursrecht;
Bijvoorbeeld art. 1:2 Awb.
Regels voor normale gevallen, tenzij;
Bijvoorbeeld art. 4:1 Awb.
Het vertrouwensbeginsel wordt bijvoorbeeld gekleurd door bijzondere wetgeving.
Rest- of vangnetbepalingen;
Art. 4:13 Awb
De wet gaat er van uit dat de bijzondere wet bepalingen geeft, maar als de bijzondere
wet dit niet doet dan kan er worden teruggevallen op de Awb. Bijvoorbeeld bepalingen
over termijnen.
Facultatieve bepalingen.
Bijvoorbeeld art. 3:10 lid 1 Awb.
, Hoorcollege bestuurs(proces)recht
Week 2
Bestuursorganen
Op grond van art. 1:1 Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:
a. Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of;
b. Een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Dit worden ook wel de a- en b-organen genoemd.
Eerst kijk je of een orgaan een a-orgaan is, zo niet dan kijk je of het een b-orgaan is. Als het
ook geen b-orgaan is, is het geen bestuursorgaan.
Een a-orgaan
Een a-orgaan is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.
Een a-orgaan zit verweven met een specifieke rechtsvorm. In boek 2 BW is bepaald welke
rechtspersonen er zijn. In art. 2:1 BW zijn de publiekrechtelijke rechtspersonen opgenomen.
In art. 2:2 BW vind je de kerkgenootschappen. In art. 2:3 BW zijn de privaatrechtelijke
rechtspersonen opgenomen. De privaatrechtelijke rechtspersonen zijn de B.V, N.V,
vereniging, stichting en coöperatie.
Publiekrechtelijke rechtspersoon
Een rechtspersoon die krachtens publiekrechtelijk is ingesteld is een publiekrechtelijke
rechtspersoon die is genoemd in art. 2:1 BW. Er worden verschillende termen gebruikt in het
bestuursrecht en in het burgerlijkrecht. Deze rechtsgebieden weten weinig van elkaar
rechtsgebied en daarom verschillende deze termen van elkaar.
Op grond van art. 2:1 lid 1 BW zijn de Staat, de provincies, de gemeenten, de
waterschappen alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordende
bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid. Op grond van art. 2:1 lid 2 BW
hebben andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten
slechts rechtspersoonlijk, indien dit uit de wet volgt.
Op grond van art. 2:1 lid 3 BW geldt art. 2:5 BW niet voor de publiekrechtelijke personen.
Volgens art. 2:5 BW wordt een rechtspersoon gelijkgesteld met een natuurlijk persoon. Dit
wordt bij de overheid niet gedaan.
Rechtspersonen art. 2:1 lid 1 BW
De Staat, provincie, gemeente en waterschap bezitten rechtspersoonlijkheid.
Rechtspersoonlijkheid is iets privaatrechtelijk en daarom is dit opgenomen in het Burgerlijk
Wetboek en niet in bijvoorbeeld de Grondwet. Echter, inmiddels treft de
rechtspersoonlijkheid ook het strafrecht en het bestuursrecht. De rechtspersoonlijkheid treft
het bestuursrecht, omdat organen van de Staat worden aangemerkt als rechtspersoon en dit
geeft hen bevoegdheden.
Ook bepaald art. 2:1 lid 1 BW dat lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende
bevoegdheid is verleend rechtspersonen zijn. Volgens het staatsrecht zijn dit organen met
een verordenende bevoegdheid.
Kortom, volgens art. 2:1 lid 1 BW kan er rechtspersoonlijkheid worden toebedeeld aan:
1. Een openbaar lichaam;
De Staat, de provincie, de gemeente en de waterschappen.
2. Een orgaan met een verordende bevoegdheid.
Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (art. 2 lid 1 Wet
op accountantsberoep), de Nederlandse Orde van Advocaten (art. 17 lid 1 en 28
Advocatenwet), Koninklijke beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (art. 56 en 65
Gerechtsdeurwaarderswet) en de Koninklijke notariële beroepsorganisatie (art. 60 en 69
Wet op het notarisambt).