History
1. Inleiding tot het vak
Dit vak behandelt de interactie tussen genetica en omgeving in de psychologie.
Het doel is om kritisch na te denken over genetische invloeden en omgevingsfactoren.
Het boek is ondersteunend, maar bevat niet alles wat in de colleges wordt besproken.
De cursus bestaat uit multiple-choice examens, een presentatie en een YouTube-
opdracht.
2. Het belang van genetica in psychologie
Genetica speelt een steeds grotere rol in psychologie, psychiatrie, en andere sociale
wetenschappen.
Genetische technologieën zoals polygenetische scores (PGS) en genome-wide
association studies (GWAS) maken onderzoek toegankelijker.
Kennis van genetica helpt psychologen om cliënten beter te informeren over mentale
gezondheidsrisico’s.
Voorbeelden:
Mensen kunnen negatiever gaan denken over hun mentale gezondheid als ze horen dat
ze genetisch risico lopen op een stoornis.
Anderen kunnen hun symptomen onderschatten als ze geen genetisch risico hebben.
3. Historische ontwikkeling van genetica en erfelijkheid
3.1 Oude ideeën over erfelijkheid
Pythagoras: De vader geeft de essentiële karakteristieken en de moeder de materiële
bouwstenen.
Aristoteles: Dacht dat kinderen gemaakt waren van gezuiverd bloed van de testes en
menstruatiebloed.
Antonie van Leeuwenhoek & Nicolaas Hartsoeker: ontwikkelden de microscoop en
dachten dat spermacellen een miniatuur mensje bevatten ("homunculus").
3.2 Francis Galton (1822-1911)
Stichter van gedragsgenetica en psychometrie.
Onderzocht familiegeschiedenis om erfelijkheid te bestuderen.
Voerde tweelingstudies uit, maar had niet de juiste methoden om de invloed van
genetica en omgeving goed te scheiden.
, Was een voorstander van "nature boven nurture," maar negeerde sociale klasse als
factor.
3.3 Charles Darwin (1809-1882)
Ontwikkelde de evolutietheorie: soorten evolueren door natuurlijke selectie.
Zijn "Pangenese"-theorie over erfelijkheid was incorrect; hij dacht dat alle
lichaamsdelen bijdragen aan erfelijk materiaal.
3.4 Gregor Mendel (1822-1884)
Ontdekte de basisprincipes van erfelijkheid door experimenten met erwtenplanten.
Toonde aan dat erfelijke kenmerken worden doorgegeven via discrete eenheden
(genen), in plaats van door "blending inheritance."
4. Moderne gedragsgenetica
Gedragsgenetica onderzoekt hoe genetische en omgevingsfactoren gedrag
beïnvloeden.
Twin studies en adoptieonderzoeken helpen de invloed van genetica en omgeving te
onderscheiden.
Nieuwe methoden zoals GWAS en PGS maken het mogelijk om specifieke genen te
koppelen aan psychologische eigenschappen.
Praktische toepassingen:
Persoonlijke therapieën: genetische data kunnen helpen bij het personaliseren van
behandelingen.
Sociaal-maatschappelijke kwesties: ethische vragen rond embryo-selectie en
genetische modificatie worden steeds relevanter.
5. Conclusie
Genetica en omgeving werken samen om psychologische eigenschappen te vormen.
Kritisch denken over genetische invloeden is belangrijk, zowel in onderzoek als in
therapieën.
De impact van genetica in psychologie groeit, maar moet altijd in combinatie met
omgevingsfactoren worden bekeken.
Samenvatting hoorcollege 2: Mendel’s Laws en Uitzonderingen
,1. Inleiding
Deze les behandelt de basisprincipes van erfelijkheid volgens Mendel en de
uitzonderingen op deze regels.
Hoofdonderwerpen:
1. Mendel’s wetten (segregatie en onafhankelijke overerving)
2. Genetische aandoeningen die deze wetten volgen
3. Uitzonderingen op Mendel’s tweede wet (zoals gekoppelde genen en
geslachtsgebonden overerving)
4. Complexe (kwantitatieve) eigenschappen
2. Mendel’s Wetten
Gregor Mendel (1822-1884) wordt beschouwd als de grondlegger van de genetica. Hij
ontdekte erfelijkheidsregels door experimenten met erwtenplanten.
2.1 Wet van Segregatie (1e Wet)
Elk individu heeft twee erfelijkheidselementen (allelen) voor elke eigenschap.
Tijdens de voortplanting scheiden deze allelen en krijgt het nageslacht één allel van
elke ouder.
Dit verklaart waarom eigenschappen in bepaalde verhoudingen worden doorgegeven.
Illustratie:
Een ouder met genotype Ss (heterozygoot) kan een S of een s doorgeven.
Het nageslacht kan de combinaties SS, Ss, of ss krijgen.
Dit wordt weergegeven met een Punnett-square.
Belangrijke begrippen:
Dominant allel (bijv. ‘S’): Dit overheerst en bepaalt het uiterlijk van het individu.
Recessief allel (bijv. ‘s’): Dit wordt alleen zichtbaar als beide allelen recessief zijn
(ss).
Homozygoot: Twee dezelfde allelen (SS of ss).
Heterozygoot: Twee verschillende allelen (Ss).
, 2.2 Wet van Onafhankelijke Assortiment (2e Wet)
De overerving van één eigenschap beïnvloedt niet de overerving van een andere
eigenschap.
Dit betekent dat genen onafhankelijk worden doorgegeven, tenzij ze gekoppeld zijn
(zie uitzonderingen).
Voorbeeld:
o S = korte staart, s = lange staart
o B = bruine vacht, b = witte vacht
o De overerving van vachtkleur beïnvloedt niet de overerving van staartlengte.
3. Mendeliaanse Eigenschappen en Aandoeningen
Sommige erfelijke ziektes volgen Mendel’s wetten.
3.1 Dominante aandoeningen
Een ziekte die wordt veroorzaakt door één dominant allel (AA of Aa).
Voorbeeld: Huntington’s Disease
o Progressieve hersenaandoening die leidt tot cognitieve achteruitgang en
bewegingsstoornissen.
o Erfelijk patroon: 50% kans op overerving als een ouder heterozygoot is.
3.2 Recessieve aandoeningen
Een ziekte komt alleen voor als beide allelen recessief zijn (aa).
Voorbeeld: PKU (Phenylketonurie)
o Metabole aandoening die leidt tot hersenschade door een opstapeling van
fenylalanine.
o Behandeling: dieet zonder fenylalanine.
3.3 Waarom is scheurbuik (Scurvy) géén genetische aandoening?
De oorzaak is een gebrek aan vitamine C, niet een genetische mutatie.
De mutatie die vitamine C-productie verhindert, zit bij iedereen in het DNA,
waardoor er geen genetische variatie is.
4. Uitzonderingen op Mendel’s Tweede Wet
Mendel’s wetten zijn niet altijd correct. Er zijn uitzonderingen:
4.1 Gekoppelde genen