Begrippenlijst weblecture 1:
De eerste 1000 dagen: Begint bij de bevruchting tot aan het 2e levensjaar. De invloeden uit de
omgeving tijdens deze periode zijn bepalend voor de rest van je leven en ook op je brein. Het is
de slimste investering die we kunnen doen, vanuit menselijk, maatschappelijk en economisch
perspectief.
Beschermende factoren (eerste 1000 dagen): Veilige hechting, veerkracht,
opvoedvaardigheden, hulp vragen en accepteren, sociale competenties, positieve relaties met
familie, sociaal netwerken, verbonden met de buurt, vertrouwensrelatie met professional, goede
partnerrelatie en stabiel inkomen.
Risicofactoren (eerste 1000 dagen): Ongezonde leefstijl, psychische problemen, licht
verstandelijke beperking, lage sociaal economische status, eenouder of samengesteld gezin,
huiselijk geweld, stress, laag geletterdheid, fysieke of medische problemen en specifieke kind
problemen.
Early life stress: verwijst naar stressvolle situaties die zich voordoen tijdens de vroege
ontwikkeling van een kind, zoals mishandeling, fysieke of emotionele verwaarlozing of andere
ingrijpende gebeurtenissen. Deze early life stress heeft impact op de ontwikkeling van een kind
en kan gevolgen hebben voor het verder leven van het kind. Door veerkracht en een
ondersteunende omgeving kunnen de gevolgen beperkt blijven.
Gevolgen early life stress: Deze early life stress heeft impact op de ontwikkeling van een kind
en kan gevolgen hebben voor het verder leven van het kind. Het kind kan last krijgen van: angst,
depressie of gedragsproblematiek. Door veerkracht en een ondersteunende omgeving kunnen
de gevolgen beperkt blijven
Positieve stress: Kortdurend, zelden voorkomend en milde stress
Verdraagbare stress: Ontstaat door zelden optredende stressoren, deze zijn matig tot ernstig.
Chronische stress: Frequent voorkomende en aanhoudende stress, als gevolg langdurige
activering van het stressnetwerk.
Stressor: Elke invloed op het kind die het balans in de ontwikkeling kan bedreigen.
Acute stressor: Zijn situaties die om een onmiddellijke reactie vragen, bijvoorbeeld een kind
verslikt zich of valt met zijn fiets.
Chronische stressor: Zijn langdurige of steeds terugkerende situaties, bijvoorbeeld opgroeien in
armoede, constant gepest of mishandeld worden.
Concrete stressor: Zijn situaties die grijpbaar of feitelijk zijn, bijvoorbeeld giftig voedsel,
aangevallen, geslagen of uitgescholden worden.
Abstracte stressor: zijn gedachten (angsten, zorgen, anticipatie op onaangename ervaringen,
ingebeelde gedachten), zoals ‘andere kinderen denken vast dat ik …’, ‘anderen vinden mij niets
waard’ en ‘waarom moet ik bij de juffrouw komen’. Aan een abstracte stressor kun je moeilijker
ontsnappen, omdat je hem in je hoofd meedraagt.
, Window of tolorance: Dit is een soort raamwerk waarmee mensen hun emoties kunnen
reguleren. Als mensen binnen deze zone blijven kunnen ze hun emoties goed reguleren en
adequaat reageren op situaties. Als zij buiten deze zone zitten kunnen zij prikkelbaar zijn of
gebrek aan emotie en motivatie hebben. Het begrijpen van je eigen window of tolerance helpt je
bij het verbeteren van je eigen emotie regulatie.
Adrenaline: Stresshormoon van het reptielen stressnetwerk en wordt geproduceerd in het
bijniermerg, de productie wordt beïnvloed vanuit de hersenstam als onderdeel van de
stressrespons (Bv kou, hitte, honger, dorst, pijn). Effecten van adrenaline kunnen zijn: Versnelde
hartslag of ademhaling, vrijmaken van glucose, stijging bloeddruk, vermindering bloedtoevoer
naar darmen, vergrote pupillen, verhoogde concentratie, korte bloedstollingstijd, zweterige
handpalmen en tijdelijke verbetering geheugen.
Cortisol: Stresshormoon van het zoogdier netwerk, dat wordt geproduceerd door de schors van
de bijnieren. Het zorgt voor aanpassing op de stressor: helpt onze reacties op stressvolle
gebeurtenissen, helpt reactie op kortdurende stress te stoppen en helpt voorbereid te zijn op
nieuwe stress.
Begrippenlijst weblecture 2:
Sensitieve responsiviteit: Heeft te maken met hoe er op de behoeftes en signalen van een kind
wordt gereageerd, dit heeft invloed op hun emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Als
er sensitief responsief gereageerd wordt, dan voelt een kind zich begrepen, gehoord en gezien en
draagt het bij aan de band die je opbouwt met een kind. Bij sensitieve responsiviteit herken je de
emoties van een kind, kun je je eigen reactie aanpassen naar de behoefte van het kind en bied je
troost en ondersteuning wanneer dat nodig is.
Interactievaardigheden: Vaardigheden die gebruikt worden om te communiceren en interactie
te hebben met andere mensen. Je hebt basale en educatieve interactievaardigheden.
Basale interactie vaardigheden: Deze is belangrijk voor een kind om zich veilig en gezien te
voelen. Onder basale interactievaardigheden vallen: sensitieve responsiviteit, respect voor de
autonomie en structuur en grenzen stellen.
Educatieve interactie vaardigheden: Deze is belangrijk voor een kind om zichzelf en anderen te
ontdekken en zo nieuwe dingen te leren. Onder educatieve interactievaardigheden vallen:
praten, uitleggen en luisteren, stimuleren van de ontwikkeling en begeleiden en stimuleren van
de onderlinge interactievaardigheden.
Proceskwaliteit: Dit gaat om de leer en ontwikkelvaardigheden die een kind op de opvang
opdoet, wat ervaart deze in de groep en met zichzelf. De kwaliteit in de interactie tussen de
pedagogische medewerker en het kind is een belangrijke factor voor de proceskwaliteit.
Structurele kwaliteit: Dit bevat de randvoorwaarden in het beleid van de organisatie. Dit heeft
invloed op de dagelijkse verzorging en opvoeding van kinderen. Hierbij kun je o.a denken aan:
beleidsplan, groepsgrootte, groepssamenstelling, inrichting, beschikbare ruimte, hygiene,
scholing, spelmaterialen en personeelsbeleid. Dit heeft dus ook weer invloed op de ontwikkeling
van het kind.
De eerste 1000 dagen: Begint bij de bevruchting tot aan het 2e levensjaar. De invloeden uit de
omgeving tijdens deze periode zijn bepalend voor de rest van je leven en ook op je brein. Het is
de slimste investering die we kunnen doen, vanuit menselijk, maatschappelijk en economisch
perspectief.
Beschermende factoren (eerste 1000 dagen): Veilige hechting, veerkracht,
opvoedvaardigheden, hulp vragen en accepteren, sociale competenties, positieve relaties met
familie, sociaal netwerken, verbonden met de buurt, vertrouwensrelatie met professional, goede
partnerrelatie en stabiel inkomen.
Risicofactoren (eerste 1000 dagen): Ongezonde leefstijl, psychische problemen, licht
verstandelijke beperking, lage sociaal economische status, eenouder of samengesteld gezin,
huiselijk geweld, stress, laag geletterdheid, fysieke of medische problemen en specifieke kind
problemen.
Early life stress: verwijst naar stressvolle situaties die zich voordoen tijdens de vroege
ontwikkeling van een kind, zoals mishandeling, fysieke of emotionele verwaarlozing of andere
ingrijpende gebeurtenissen. Deze early life stress heeft impact op de ontwikkeling van een kind
en kan gevolgen hebben voor het verder leven van het kind. Door veerkracht en een
ondersteunende omgeving kunnen de gevolgen beperkt blijven.
Gevolgen early life stress: Deze early life stress heeft impact op de ontwikkeling van een kind
en kan gevolgen hebben voor het verder leven van het kind. Het kind kan last krijgen van: angst,
depressie of gedragsproblematiek. Door veerkracht en een ondersteunende omgeving kunnen
de gevolgen beperkt blijven
Positieve stress: Kortdurend, zelden voorkomend en milde stress
Verdraagbare stress: Ontstaat door zelden optredende stressoren, deze zijn matig tot ernstig.
Chronische stress: Frequent voorkomende en aanhoudende stress, als gevolg langdurige
activering van het stressnetwerk.
Stressor: Elke invloed op het kind die het balans in de ontwikkeling kan bedreigen.
Acute stressor: Zijn situaties die om een onmiddellijke reactie vragen, bijvoorbeeld een kind
verslikt zich of valt met zijn fiets.
Chronische stressor: Zijn langdurige of steeds terugkerende situaties, bijvoorbeeld opgroeien in
armoede, constant gepest of mishandeld worden.
Concrete stressor: Zijn situaties die grijpbaar of feitelijk zijn, bijvoorbeeld giftig voedsel,
aangevallen, geslagen of uitgescholden worden.
Abstracte stressor: zijn gedachten (angsten, zorgen, anticipatie op onaangename ervaringen,
ingebeelde gedachten), zoals ‘andere kinderen denken vast dat ik …’, ‘anderen vinden mij niets
waard’ en ‘waarom moet ik bij de juffrouw komen’. Aan een abstracte stressor kun je moeilijker
ontsnappen, omdat je hem in je hoofd meedraagt.
, Window of tolorance: Dit is een soort raamwerk waarmee mensen hun emoties kunnen
reguleren. Als mensen binnen deze zone blijven kunnen ze hun emoties goed reguleren en
adequaat reageren op situaties. Als zij buiten deze zone zitten kunnen zij prikkelbaar zijn of
gebrek aan emotie en motivatie hebben. Het begrijpen van je eigen window of tolerance helpt je
bij het verbeteren van je eigen emotie regulatie.
Adrenaline: Stresshormoon van het reptielen stressnetwerk en wordt geproduceerd in het
bijniermerg, de productie wordt beïnvloed vanuit de hersenstam als onderdeel van de
stressrespons (Bv kou, hitte, honger, dorst, pijn). Effecten van adrenaline kunnen zijn: Versnelde
hartslag of ademhaling, vrijmaken van glucose, stijging bloeddruk, vermindering bloedtoevoer
naar darmen, vergrote pupillen, verhoogde concentratie, korte bloedstollingstijd, zweterige
handpalmen en tijdelijke verbetering geheugen.
Cortisol: Stresshormoon van het zoogdier netwerk, dat wordt geproduceerd door de schors van
de bijnieren. Het zorgt voor aanpassing op de stressor: helpt onze reacties op stressvolle
gebeurtenissen, helpt reactie op kortdurende stress te stoppen en helpt voorbereid te zijn op
nieuwe stress.
Begrippenlijst weblecture 2:
Sensitieve responsiviteit: Heeft te maken met hoe er op de behoeftes en signalen van een kind
wordt gereageerd, dit heeft invloed op hun emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Als
er sensitief responsief gereageerd wordt, dan voelt een kind zich begrepen, gehoord en gezien en
draagt het bij aan de band die je opbouwt met een kind. Bij sensitieve responsiviteit herken je de
emoties van een kind, kun je je eigen reactie aanpassen naar de behoefte van het kind en bied je
troost en ondersteuning wanneer dat nodig is.
Interactievaardigheden: Vaardigheden die gebruikt worden om te communiceren en interactie
te hebben met andere mensen. Je hebt basale en educatieve interactievaardigheden.
Basale interactie vaardigheden: Deze is belangrijk voor een kind om zich veilig en gezien te
voelen. Onder basale interactievaardigheden vallen: sensitieve responsiviteit, respect voor de
autonomie en structuur en grenzen stellen.
Educatieve interactie vaardigheden: Deze is belangrijk voor een kind om zichzelf en anderen te
ontdekken en zo nieuwe dingen te leren. Onder educatieve interactievaardigheden vallen:
praten, uitleggen en luisteren, stimuleren van de ontwikkeling en begeleiden en stimuleren van
de onderlinge interactievaardigheden.
Proceskwaliteit: Dit gaat om de leer en ontwikkelvaardigheden die een kind op de opvang
opdoet, wat ervaart deze in de groep en met zichzelf. De kwaliteit in de interactie tussen de
pedagogische medewerker en het kind is een belangrijke factor voor de proceskwaliteit.
Structurele kwaliteit: Dit bevat de randvoorwaarden in het beleid van de organisatie. Dit heeft
invloed op de dagelijkse verzorging en opvoeding van kinderen. Hierbij kun je o.a denken aan:
beleidsplan, groepsgrootte, groepssamenstelling, inrichting, beschikbare ruimte, hygiene,
scholing, spelmaterialen en personeelsbeleid. Dit heeft dus ook weer invloed op de ontwikkeling
van het kind.