Het oog in de storm – hoofdstuk 3 (p.182-228)
Kennen en weten
kenleer en wetenschapsfilosofie
3.1 Inleiding
3.1.1 De man die zijn vrouw voor een hoed hield
- Het vermogen de wereld te kennen en te herkennen is van levensbelang. Het zal
moeilijk zijn als je dat niet meer kunt.
- De herkenning van een vertrouwd voorwerp of persoon blijkt echter een
ingewikkeld proces.
- Je kan enkel functioneren in onze op mensen afgestemde omgeving, als je je tot
de omgeving door kan dringen; je moet de dingen die je tegenkomt willen kennen
en herkennen.
- Kennis is voor de homo sapiens van levensbelang.
- Aristoteles: ‘’alle mensen streven van nature naar kennis’’.
3.1.2 Wat is kennis?
- De kennisleer houdt zich bezig met vragen als wat is kennis? Hoe komt kennis
tot stand? Of vergissing?
- Plato: ‘’kennis komt van waarneming’’.
- Er is tot op heden geen antwoord op de vraag wat kennis is. Echter blijven
mensen constant belang tonen aan de kwestie.
3.1.3 Soorten kennis
1. Kennis van dingen of personen op basis van een directe bekendheid of
vertrouwdheid
2. Kennis van feiten omtrent dingen of personen, niet op basis van directe
bekendheid of vertrouwdheid (zoals omschrijvingen door anderen)
3. Vaardigheid/ kundigheid (speelt in de kenleer nauwelijks een rol)
- Je kan kennis van iemand hebben, maar diegene niet kennen. Iets weten over
iemand is niet hetzelfde als de persoon kennen.
- De grens tussen kennen en weten/ vertrouwdheid en feitenkennis is soms vaag.
Voorbeeld: ‘’ik ken mijn theepot’’.
- Kennis van feiten is overdraagbaar, bekendheid niet.
- Veel kennis, zo niet de meeste, is zo vanzelfsprekend dat ze niet de moeite van
het vertellen waard is. Het is werkzaam (operatief) in ons doen en laten, in onze
handelingen. We merken het niet op. Het valt pas op als je niet meer over de
kennis beschikt.
, - We houden ons niet bezig met de kennis die we gebruiken, maar zijn gefocust op
het object of het doel van onze activiteiten.
- Verplaats je nu de aandacht, richt je je op de praktische kennis en maak je die
tot onderwerp, dan is plotseling alles anders. Het gezond verstand wordt tijdelijk
in de wacht gezet. Er duiken dan vragen op die we normaal gesproken niet
stellen, zoals: Hoe weet je wat je weet? Is je kennis betrouwbaar? Wat kunnen
we weten en wat niet? Kan je daar absoluut zeker van zijn?
3.1.4 Weten dat…
- Is kennis alles wat men weet, zowel iedereen afzonderlijk als allemaal samen?
‘Men’ suggereert dat het over mensen gaat, maar dat lijkt een onterechte
inperking: katten ‘weten’ toch ook wat er gaat gebeuren als een blikje met
brokjes wordt geopend?
- Kennis is dus niet alleen een zaak van mensen. Echter wel één verschil: mensen
kunnen hun kennis uiten in taal.
- Door taal kunnen we kennis bewaren en overdragen.
- De kenleer richt zich vooral op kennis van feiten (‘’Ik weet dat..’’), terwijl
kennisoordelen en cognitieve uitspraken kennis overdragen. Ze verschaffen
informatie over een ding, persoon, of een bepaalde stand van zaken.
- Cognitieve vermogens zijn vermogens die een rol spelen in het proces van
kennisverwerving.
In ‘’Ik weet dat p’’ zitten minstens vijf claims opgesloten:
1. Het is duidelijk wat met p wordt bedoeld
2. P is kenbaar (het valt binnen de grenzen van wat ik kan weten)
3. P is waar (waarheid)
4. Ik ben ervan overtuigd dat p (zekerheid)
5. Ik heb redenen voor mijn overtuiging (rechtvaardiging)
Problemen met deze claims:
1. Een verkeerde interpretatie (over wat iemand zegt) kan fataal zijn voor een juiste
beoordeling van p
2. P kan inhoud zijn van een weten. Wat kunnen we weten? Antwoord van een
scepticus: niets. Echter beweert hij dan niets te weten, maar wel dit antwoord te
weten.
3. De mogelijkheid dat p onwaar is kan leiden tot vergissing, misleiding, en bedrog
4. Zekerheid biedt geen garantie voor waarheid, omdat ik mij kan vergissen in de
betekenis of de waarheid van p
5. Wat zijn ‘overtuigende’ redenen dat p klopt?
, - Edmund Gettier schreef een aantal gevallen waarin wel aan de claims is
voldaan, maar we toch niet zouden zeggen dat ’S weet dat p’. Het probleem is
hierbij dat je steeds toevallig een gerechtvaardigde juiste overtuiging hebt.
Voorbeeld: twee verschillende voetbalwedstrijden, allebei 2-1, maar jij en je
vrienden hebben het toch over een andere wedstrijd. Toch is de overtuiging
‘’Nederland heeft met 2-1 verloren’’ juist en ook gegrond.
3.1.5 Bronnen van kennis
1. Zintuigelijke waarneming (uiterlijke waarneming)
2. Herinnering
3. Introspectie (innerlijke waarneming (zelfkennis)(reflectie))
4. Intuïtie
5. Redenering
6. Autoriteit
- De zintuigen vormen het vermogen tot zintuigelijke waarneming, het verstand is
het vermogen tot introspectie.
- De empiristen menen dat kennis komt van ervaring, de rationalisten zeggen dat
de bron van kennis het verstand is. Kant meende echter dat kennis bestaat uit
een samenwerking tussen beide bronnen.
3.2 Verstandskennis: het rationalisme
- Rationalisten zijn tegen zintuigen als bron van kennis, omdat zintuigen ons
kunnen misleiden. Daarom hechten ze waarde aan wiskundig en logisch
redeneren.
- De eerste rationalist was vermoedelijk Parmenides. Volgens hem kan dat wat
niet is, niet gedacht worden. Denken en zijn liggen in elkaars verlengde. Wat niet
gedacht kan worden, is schijn. Omdat verandering betekent dat iets van niet-zijn
tot zijn wordt, of andersom, is verandering volgens Parmenides schijn.
- Parmenides keert zich hiermee tegen Heraclitus, voor wie verandering nu juist
het ware zijn was. ‘Alles stroomt’, zei hij, en dat is precies wat de zintuigen ons
voorschotelen.
- Plato probeerde beide opmerkingen te verzoenen, maar was zelf wel meer
rationalist.
Kennen en weten
kenleer en wetenschapsfilosofie
3.1 Inleiding
3.1.1 De man die zijn vrouw voor een hoed hield
- Het vermogen de wereld te kennen en te herkennen is van levensbelang. Het zal
moeilijk zijn als je dat niet meer kunt.
- De herkenning van een vertrouwd voorwerp of persoon blijkt echter een
ingewikkeld proces.
- Je kan enkel functioneren in onze op mensen afgestemde omgeving, als je je tot
de omgeving door kan dringen; je moet de dingen die je tegenkomt willen kennen
en herkennen.
- Kennis is voor de homo sapiens van levensbelang.
- Aristoteles: ‘’alle mensen streven van nature naar kennis’’.
3.1.2 Wat is kennis?
- De kennisleer houdt zich bezig met vragen als wat is kennis? Hoe komt kennis
tot stand? Of vergissing?
- Plato: ‘’kennis komt van waarneming’’.
- Er is tot op heden geen antwoord op de vraag wat kennis is. Echter blijven
mensen constant belang tonen aan de kwestie.
3.1.3 Soorten kennis
1. Kennis van dingen of personen op basis van een directe bekendheid of
vertrouwdheid
2. Kennis van feiten omtrent dingen of personen, niet op basis van directe
bekendheid of vertrouwdheid (zoals omschrijvingen door anderen)
3. Vaardigheid/ kundigheid (speelt in de kenleer nauwelijks een rol)
- Je kan kennis van iemand hebben, maar diegene niet kennen. Iets weten over
iemand is niet hetzelfde als de persoon kennen.
- De grens tussen kennen en weten/ vertrouwdheid en feitenkennis is soms vaag.
Voorbeeld: ‘’ik ken mijn theepot’’.
- Kennis van feiten is overdraagbaar, bekendheid niet.
- Veel kennis, zo niet de meeste, is zo vanzelfsprekend dat ze niet de moeite van
het vertellen waard is. Het is werkzaam (operatief) in ons doen en laten, in onze
handelingen. We merken het niet op. Het valt pas op als je niet meer over de
kennis beschikt.
, - We houden ons niet bezig met de kennis die we gebruiken, maar zijn gefocust op
het object of het doel van onze activiteiten.
- Verplaats je nu de aandacht, richt je je op de praktische kennis en maak je die
tot onderwerp, dan is plotseling alles anders. Het gezond verstand wordt tijdelijk
in de wacht gezet. Er duiken dan vragen op die we normaal gesproken niet
stellen, zoals: Hoe weet je wat je weet? Is je kennis betrouwbaar? Wat kunnen
we weten en wat niet? Kan je daar absoluut zeker van zijn?
3.1.4 Weten dat…
- Is kennis alles wat men weet, zowel iedereen afzonderlijk als allemaal samen?
‘Men’ suggereert dat het over mensen gaat, maar dat lijkt een onterechte
inperking: katten ‘weten’ toch ook wat er gaat gebeuren als een blikje met
brokjes wordt geopend?
- Kennis is dus niet alleen een zaak van mensen. Echter wel één verschil: mensen
kunnen hun kennis uiten in taal.
- Door taal kunnen we kennis bewaren en overdragen.
- De kenleer richt zich vooral op kennis van feiten (‘’Ik weet dat..’’), terwijl
kennisoordelen en cognitieve uitspraken kennis overdragen. Ze verschaffen
informatie over een ding, persoon, of een bepaalde stand van zaken.
- Cognitieve vermogens zijn vermogens die een rol spelen in het proces van
kennisverwerving.
In ‘’Ik weet dat p’’ zitten minstens vijf claims opgesloten:
1. Het is duidelijk wat met p wordt bedoeld
2. P is kenbaar (het valt binnen de grenzen van wat ik kan weten)
3. P is waar (waarheid)
4. Ik ben ervan overtuigd dat p (zekerheid)
5. Ik heb redenen voor mijn overtuiging (rechtvaardiging)
Problemen met deze claims:
1. Een verkeerde interpretatie (over wat iemand zegt) kan fataal zijn voor een juiste
beoordeling van p
2. P kan inhoud zijn van een weten. Wat kunnen we weten? Antwoord van een
scepticus: niets. Echter beweert hij dan niets te weten, maar wel dit antwoord te
weten.
3. De mogelijkheid dat p onwaar is kan leiden tot vergissing, misleiding, en bedrog
4. Zekerheid biedt geen garantie voor waarheid, omdat ik mij kan vergissen in de
betekenis of de waarheid van p
5. Wat zijn ‘overtuigende’ redenen dat p klopt?
, - Edmund Gettier schreef een aantal gevallen waarin wel aan de claims is
voldaan, maar we toch niet zouden zeggen dat ’S weet dat p’. Het probleem is
hierbij dat je steeds toevallig een gerechtvaardigde juiste overtuiging hebt.
Voorbeeld: twee verschillende voetbalwedstrijden, allebei 2-1, maar jij en je
vrienden hebben het toch over een andere wedstrijd. Toch is de overtuiging
‘’Nederland heeft met 2-1 verloren’’ juist en ook gegrond.
3.1.5 Bronnen van kennis
1. Zintuigelijke waarneming (uiterlijke waarneming)
2. Herinnering
3. Introspectie (innerlijke waarneming (zelfkennis)(reflectie))
4. Intuïtie
5. Redenering
6. Autoriteit
- De zintuigen vormen het vermogen tot zintuigelijke waarneming, het verstand is
het vermogen tot introspectie.
- De empiristen menen dat kennis komt van ervaring, de rationalisten zeggen dat
de bron van kennis het verstand is. Kant meende echter dat kennis bestaat uit
een samenwerking tussen beide bronnen.
3.2 Verstandskennis: het rationalisme
- Rationalisten zijn tegen zintuigen als bron van kennis, omdat zintuigen ons
kunnen misleiden. Daarom hechten ze waarde aan wiskundig en logisch
redeneren.
- De eerste rationalist was vermoedelijk Parmenides. Volgens hem kan dat wat
niet is, niet gedacht worden. Denken en zijn liggen in elkaars verlengde. Wat niet
gedacht kan worden, is schijn. Omdat verandering betekent dat iets van niet-zijn
tot zijn wordt, of andersom, is verandering volgens Parmenides schijn.
- Parmenides keert zich hiermee tegen Heraclitus, voor wie verandering nu juist
het ware zijn was. ‘Alles stroomt’, zei hij, en dat is precies wat de zintuigen ons
voorschotelen.
- Plato probeerde beide opmerkingen te verzoenen, maar was zelf wel meer
rationalist.