HOOFDSTUK 1: SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING
1. Hebben mensen een vrije wil?
Beslissing concurreren tussen genotcentrum & pijncentrum
- We nemen beslissingen, maar we zijn er niet bewust van bv.:
Het land waarin je geboren bent, bepaald de kans op het halen ve job
De sociologische verbeelding
Bv. kiezen voor een universiteit (of jeugdbewegingen, telefoon, …)
- Stap 1: de biografie studiekeuze
- Stap 2: levensloop gelikt aan sociale omgeving bedrijven vragen hooggeschoolden
- Stap 3: sociale omgeving = resultaat historische ontwikkeling
2. Bouwstenen van de samenleving
De gebouwde samenleving
- Dagdagelijkse interacties (waarden, regels, …) groepscultuur
- Ongelijke posities sociale structuur (bv. opbrengst boer A > boer B)
De samenleving = gestolde interactie (cultuur + structuur) we creëren de samenleving zelf
3. Van gedrag tot samenleving
Gedrag
Objectief (extern): 2 individuen (ego/alter) worden waargenomen (bv. lichamelijke beweging)
Subjectief (intern): 1 waarnemer (ego)
- Motivationele component = drijfveer vh handelen die aanzet tot gedrag
- Emotionele component = innerlijke gevoelens
- Cognitieve component = beelden die we vormen over de werkelijkheid
- Reflexieve component = het beeld dat je van jezelf vormt
Sociaal handelen
= gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtheid, onderbouw van interactie
1) Instrumenteel rationeel handelen efficiënt de beste middelen kiezen om doel te bereiken
2) Rationeel handelen bevat ook morele of normatieve afwegingen
3) Waarderationeel handelen geloof in de waardevolheid staat centraal
4) Affectief handelen navolgen van gevoelens
5) Traditioneel handelen gewoonte handelen (geeft zekerheid)
Interactie
Handelingen van persoon 1 + reactie van persoon 2
Geslaagde onderlinge afstelling van ‘opdat’ & ‘omdat’ motieven
Vormen van interactie
Samenwerking: sociale eenheden proberen samen een doel te realiseren, maar er moet eerst een
akkoord afgesproken zijn
Conflict: tegengestelde van samenwerking, geen akkoord bij verdeling van schaarse middelen,
waarden, aanzien en macht
Ruil: belangrijk voor de studie van interactie
De context
Demografische factoren:
- Primaire: geboortes, huwelijken, migraties en sterfte
- Secundaire (vloeien voort uit 1): leeftijdsstructuur, bevolkingsdichtheid,…
Ecologische factoren: topografie, klimaat, bodemgesteldheid, milieu, …
Materiële en technologische factoren: ontwikkelingen, economie, huisvestingsnormen, …
1
,SOCIOLOGIE
4. De sociologie en haar verwante disciplines
De 2 stelregels van de sociologie
Regel 1: sociologen streven naar het vinden van algemene wetmatigheden
Regel 2: sociologen verklaren gedrag, sociale handelingen en interacties door invloed omgeving
- Microsociologie: klemtoon ligt op studie van (kleine) groepen en interacties tussen individuen
- Macrosociologie: nadruk ligt op sociale systemen en ruime populaties
Andere wetenschappen die menselijk gedrag bestuderen
Biologie en psychologie studie vd interne mechanismen
Sociale psychologie attitudevorming en attitudeverandering
Sociobiologie evolutionaire oorsprong van sociaal gedrag
Biosociale verklaring wisselwerking tussen het biologische en het sociale
5. Basisregels bij de uitvoering van sociologisch onderzoek
Generalisatie
Doel = set van algemene regels ter verklaring vh sociale leven
Generaliserende verklaring = een verklaring beperkte stellingen meerdere situaties
verklaart die feitelijk van elkaar verschillen, maar een identieke onderliggende dynamiek hebben
Theories of the middle range = ontwikkelen van meerdere veralgemenende, objectieve
verklaringsmodellen die elk n verklaring voor diverse deelaspecten vd sociale werkelijkheid vatten
Empirisch materiaal
Primaire gegevens: socioloog bepaalt zelf hoe hij aan informatie komt (bv. interview, enquête, …)
Secundaire gegevens: gegevens die niet door de socioloog zelf verzameld worden
6. Kwantitatieve en kwalitatieve sociologie
Kwantitatieve benadering: het positivisme
1) Concepten: denkbeeldig object
2) Model: concepten causaal geordend indirect / direct effect
3) Variabelen meetbaar via operationalisatie (klaar om te gebruiken)
4) Modellen testen via statische analyse covariantie? (= samenhang tussen variabelen)
5) Algemene wetmatigheden? herhaald testen en bijsturen vh model
Kwalitatieve benadering
Verstehende sociologie: opzoek naar betekenis van menselijk handelen (motieven, argument, …)
Delicate onderwerpen/groepen participerende observaties, diepte-interviews vertrouwen
Kwantitatief Kwalitatief
- Veralgemening - Overeenstemming met onze gewoonlijke
- Een kans dat een bepaald oorzaak gevolg denk en voelpatronen
patroon zal voorkomen - Als zinvol ervaren
7. Sociologie voor wie en voor wat
Fundamentele sociologie
Professionele sociologie (= instrumenteel – specifiek doel) gericht op het voeren v onderzoek
Kritische sociologie (= reflexief – breed doel) manier waarop we sociale puzzels oplossen
Toegepaste sociologie
Beleidssociologie (= instrumenteel – specifiek doel):
- Klassieke beleidssociologie: in opdracht ve organisatie, … als adviserend externe expert
- Organische beleidssociologie: lid v organisatie specifiek sociale problemen rol als burger
Publieke sociologie (= reflexief – breed doel):
- Klassieke publieke sociologie: publieke opinie beïnvloeden via bv. boeken, artikels, …
- Organisch publieke sociologie: werken ondersteunend, representeren, geven mensen n stem
2
,SOCIOLOGIE
3
, SOCIOLOGIE
HOOFDSTUK 2: CULTUUR
2. Inleiding
Cultuur volgens Tyler
Cultuur = het complexe geheel van kennis, geloofsovertuigingen, kunst, wetgeving, waarden en
normen, tradities en alle andere capaciteiten en gewoonten die door de mens als lid van een
samenleving verworven worden
Deze gedragskeuzes = collectief en niet individueel
Verdere cultuurbegrip door Kroeber
De sfeer van het culturele wordt gekenmerkt door accumulatie en niet door evolutie
Mensen passen mee hun omgeving aan i.p.v. enkel hun genetische kenmerken
Mensen verschillen v dieren, want wij hebben taal niet erfelijk aangeleerd via leerprocessen
White
Mensen verschillen van dieren, want mensen gebruiken symbolen
- Een symbool (vredesduif) heeft een betekenis (vrede) die niet voortvloeit uit de fysische
kenmerken vd drager (duif) vh symbool
- De betekenis wordt door de mens aan een fysische drager toegekend
Alfred Schütz
De materiële wereld waarin we leven = dominante realiteit (paramount reality)
Niet-materiële realiteiten = zingevingsdomeinen (finite provinces of meaning)
kluckhohn
Cultuur is afhankelijk en van biologische kenmerken eigen aan de menselijke soort en van de
omgeving waarin mensen leven
Cultuur = een antwoord op de eisen die de fysische omgeving stelt om te overleven
Midgley
Gesloten instincten: leiden tot handelingspatronen die genetisch bepaald zijn in elk detail
Open instincten: de soort beschikt over een algemene neiging die enkel werkt binnen een context
waarin algemene directieven aanwezig zijn = belangrijkste uitrusting
4. Symbolen, tekens en taal
Cultuur heeft beetrekking op het toekennen van betekenissen
Om deze betekenis te kunnen delen is communicatie nodig taal als communicatiemiddel
Symbool: geen verband tussen de betekenis en de drager (bv. x, y, z in de wiskunde)
Teken: verband tussen het teken en waar het voor staat (bv. x, y, z in het alfabet)
Kenmerken
Artefacts = objecten zoals juwelen die kenmerken ve individu uitdrukken
Haptics = aanrakingen zoals handdruk, schouderklop, kussen, …
Chronemics = tijd dat iemand praat, punctualiteit
Proxemics = nabijheid
Kinesics = lichaamstaal, houding
Taal is zowel verbaal als non-verbaal
Non-verbale taal is niet universeel gebonden aan een specifieke omgeving
Verbale communicatie = belangrijkste
- Ervaring doorgeven, herinneringen delen, afspraken maken, standpunten delen, …
Sapir-Whorfhypothese = de specifieke taal die we spreken heeft invloed op de manier waarop we
denken over de werkelijkheid
4