Tentamenstof
Inhoud
Hoorcollege 1......................................................................................................... 2
Hoorcollege 3......................................................................................................... 5
Hoorcollege 5......................................................................................................... 9
H1 Karreman & van Enschot................................................................................. 10
Hoeken et al (2011).............................................................................................. 13
Renkema et al (1994)........................................................................................... 14
H2 Hoeken et al.................................................................................................... 15
H3 Hoeken et al.................................................................................................... 18
H5 Hoeken et al.................................................................................................... 20
Lentz (2004)......................................................................................................... 22
De Jong & Schellens (1995a)................................................................................ 24
De Jong & Schellens (1995b)................................................................................ 25
De Jong & Schellens (1996).................................................................................. 25
Hustinx & Karreman 2.4....................................................................................... 26
Lentz & Pander Maat (2010)................................................................................. 27
, Hoorcollege 1
Elke taaluiting verricht een taalhandeling:
1. Locutie: wat de spreker zegt
2. Illocutie: wat de spreker middels de woorden doet
3. Perlocutie: wat de ontvanger middels de woorden doet
Voorbeeld:
1. “Pas op voor beren op de weg!”
2. Waarschuwen (voor beren op de weg)
3. Gealarmeerd zijn / uitkijken (voor beren op de weg)
Directe taaluiting: Ga je mee naar de film vanavond?
Indirecte taaluiting: Er draait vanavond een leuke film.
Wanneer is een tekst geslaagd?
Als de tekst zijn doelen bereikt. Doelen van wie?
- de afzender van de tekst, d.w.z. organisatie van waaruit de tekst is gemaakt
- de beoogde lezer van de tekst, d.w.z. degene voor wie de tekst gemaakt is en hem
leest om er ‘iets mee te doen of te weten te komen.
Wat voor doelen?
In elk geval communicatieve doelen: er is dan iets bereikt in het hoofd van de
beoogde lezer die weet, kan, wil, vindt, voelt, komt tot een oordeel etc.
In het ideale geval gedraagt de lezer zich daar vervolgens naar, op de manier die de
afzender voor ogen heeft. Dan is ook een specifiek consecutief doel bereikt.
Met een functionele analyse kan je:
- inzicht krijgen in de doelen die afzender van een tekst probeert te bereiken in het
hoofd van de beoogde ontvanger van een tekst
- inzicht krijgen of die doelen bereikt zullen worden
- op basis daarvan verbetervoorstellen doen
Stap 1: analyse van de context zender, organisatiedoel, onderwerp, doelgroep.
Stap 2: analyse van de ideale doelen communicatieve en consecutieve doelen.
Inhoud
Hoorcollege 1......................................................................................................... 2
Hoorcollege 3......................................................................................................... 5
Hoorcollege 5......................................................................................................... 9
H1 Karreman & van Enschot................................................................................. 10
Hoeken et al (2011).............................................................................................. 13
Renkema et al (1994)........................................................................................... 14
H2 Hoeken et al.................................................................................................... 15
H3 Hoeken et al.................................................................................................... 18
H5 Hoeken et al.................................................................................................... 20
Lentz (2004)......................................................................................................... 22
De Jong & Schellens (1995a)................................................................................ 24
De Jong & Schellens (1995b)................................................................................ 25
De Jong & Schellens (1996).................................................................................. 25
Hustinx & Karreman 2.4....................................................................................... 26
Lentz & Pander Maat (2010)................................................................................. 27
, Hoorcollege 1
Elke taaluiting verricht een taalhandeling:
1. Locutie: wat de spreker zegt
2. Illocutie: wat de spreker middels de woorden doet
3. Perlocutie: wat de ontvanger middels de woorden doet
Voorbeeld:
1. “Pas op voor beren op de weg!”
2. Waarschuwen (voor beren op de weg)
3. Gealarmeerd zijn / uitkijken (voor beren op de weg)
Directe taaluiting: Ga je mee naar de film vanavond?
Indirecte taaluiting: Er draait vanavond een leuke film.
Wanneer is een tekst geslaagd?
Als de tekst zijn doelen bereikt. Doelen van wie?
- de afzender van de tekst, d.w.z. organisatie van waaruit de tekst is gemaakt
- de beoogde lezer van de tekst, d.w.z. degene voor wie de tekst gemaakt is en hem
leest om er ‘iets mee te doen of te weten te komen.
Wat voor doelen?
In elk geval communicatieve doelen: er is dan iets bereikt in het hoofd van de
beoogde lezer die weet, kan, wil, vindt, voelt, komt tot een oordeel etc.
In het ideale geval gedraagt de lezer zich daar vervolgens naar, op de manier die de
afzender voor ogen heeft. Dan is ook een specifiek consecutief doel bereikt.
Met een functionele analyse kan je:
- inzicht krijgen in de doelen die afzender van een tekst probeert te bereiken in het
hoofd van de beoogde ontvanger van een tekst
- inzicht krijgen of die doelen bereikt zullen worden
- op basis daarvan verbetervoorstellen doen
Stap 1: analyse van de context zender, organisatiedoel, onderwerp, doelgroep.
Stap 2: analyse van de ideale doelen communicatieve en consecutieve doelen.