Rechtsfilosofie (18/20)
HC ’s en OG’s
,HC 1: Inleiding en de bevelstheorie van
Austin
Politieke strijd: legitiem conflict veel vrijheid, liberalisme (beweert dat over al die dingen
tussen inhoudelijke tegenstanders een redelijk debat mogelijk is)
Juridische strijd: geen debat, maar criteria liggen al vast in de wetgeving, rechtspraak etc.
de overheid is in haar optreden aan regels gebonden: bij sterke interpretatie zal iemand
gelijk krijgen
John Austin, Brits rechtsfilosoof, eerste helft 19e eeuw
- Probeerde als een van de eerste rechtsfilosofen het recht op een systematische
manier te ordenen veel positieve en negatieve kritiek
Twee belangrijke stromingen: rechtspositivisme >< natuurrechttheorie
- Rechtspositivisme: het bestaan en de inhoud van het recht hangt af van sociale feiten,
niet van de morele waarde van het recht (Austin)
- Beperken tot de neutrale beschrijving van het positieve recht, houdt zich niet bezig
met een normatieve beoordeling of waardering van het recht
- (Om te definiëren wat recht is, is de vraag naar rechtvaardigheid niet relevant
Bevelstheorie: de inhoud en het bestaan van het recht wordt bepaald door wat een
(menselijke) wetgever heeft bevolen, in de vorm van een soort bevel
- Rechtspositivisme: feiten >< God mensen bestaan feiten, dus een bevel afkomstig
van een soevereine wetgever is feitelijk vaststelbaar
- Austin: recht = bevel
The Province of Jurisprudence Determined, 1832: Austin wil bepalen wat het onderwerp is
van de rechtsgeleerdheid (was niet helder afgebakend)
Definitie van het recht is vermengd geraakt met andere onderwerpen (bv. moraal, religie)
Doel van het boek = via een ordelijk en samenhangend systeem het recht definiëren door
een analytische methode (concrete juridische begrippen abstract begrip van recht)
Positief recht/wetten/regels in strikte zin = gesteld door politiek superieure mensen aan
politiek ondergeschikte mensen
Wetten/regels in algemene zin = gesteld ter sturing van het gedrag van een redelijk wezen
door een ander redelijk wezen dat macht uitoefent over het eerste = bevel
1. Goddelijke wetten (geen positief, door mensen gesteld recht)
2. Menselijke wetten (positief recht en positieve moraal)
, Wetten of
regels
Goddelijk wetten: Menselijke wetten: Figuurlijke ‘wetten’:
wetten/regels gesteld wetten/regels gesteld bv. ‘wetten’ van het
door God aan mensen door mensen aan instinct, ‘wetten’ van de
(ook wel: ‘natuurrecht’) mensen natuur
POSITIEF RECHT: POSITIEVE MORAAL:
wetten/regels gesteld feitelijk bestaande
door politiek superieur morele wetten/regels
wetten/regels gesteld ‘wetten/regels’ gevestigd
door niet politiek door publieke opinie:
superieur, maar bv. ‘gewoonterecht’,
menselijke overtuiging ‘internationaal recht’
Austin wil komen tot het positief recht
- Goddelijke wetten: bv. 10 geboden
- Menselijke wetten: wetten/regels gesteld door mensen aan mensen
- Figuurlijke wetten: bv. wet van de zwaartekracht = door niemand gesteld en aan
niemand gericht
- Positieve moraal= geen recht in strikte zin (niet juridisch van aard), bv. regels van je
ouders
Essentiële eigenschappen van een wet of een regel:
Een wet of een regel is een algemeen BEVEL van een superieur1, oftewel de soeverein, welk
bevel een verplichting oplegt aan zijn ondergeschikten en is voorzien van een (dreiging van
een) sanctie ingeval van niet-nakoming.
Bevel:
1. Een wens van een redelijk wezen X dat een ander redelijk wezen Y iets zal doen of nalaten;
2. Een kwaad dat door X wordt aangedaan aan Y, ingeval Y niet voldoet aan de wens van X;
1
Superioriteit betekent hier macht, nl. het vermogen van X om Y met kwaad te treffen en Y daarmee te
dwingen tot het door X gewenste gedrag.
, 3. Een uitdrukking van de wens door woorden of andere tekens
Y is verplicht X te gehoorzamen omdat hij geen kwaad wol riskeren (risico van kwaad
ontlopen)
Wet/regel = een algemeen bevel: verplichting tot algemene klasse van handelingen, wet of
regel schrijft gedrag voor dat herhaalbaar is
Als je niet voldoet aan het bevel, riskeer je een sanctie = feitelijk vaststelbaar
Soeverein2:
1. Het merendeel van de mensen binnen een onafhankelijke politieke samenleving heeft
de gewoonte om X te gehoorzamen
2. X zelf heeft niet de gewoonte om een (menselijk) superieur te gehoorzamen
‘Kale’ theorie: sommige elementen ontbreken aan de bevelstheorie:
- Recht heeft niet altijd de vorm van een bevel dat ondersteund wordt door een sanctie
(bv. hoe een huwelijk rechtens tot stand komt, de definitie van een meerderjarige...)
- Het hebben of voelen van een plicht om ons te houden aan een bevel, is niet altijd
omdat we een sanctie willen ontlopen
- Het recht is niet altijd te herleiden tot een aanwijsbare soeverein
- Het uitsluiten van o.a. gewoonterecht, internationaal recht en eventueel ook het
natuurrecht, doet mogelijk tekort aan wat recht is en respectievelijk behoort te zijn.
2
Koning, president, dictator of groep van personen: overheid...
,OG 1: Bevelstheorie als problematisch
vertrekpunt
Recht als raadsel: Inleiding en Hoofdstuk 1
Austin: recht definiëren zonder te leunen op een bestaand rechtssysteem, zonder voorkennis
van de lezer te veronderstellen, zonder juridische begrippen te gebruiken
Zonder beroep te doen op morele noties
Bevel = plicht: als je het bevel niet opvolgt, ben je gebonden door het bevel en verplicht aan
het bevel te gehoorzaken
Het bevel of de plicht wordt voorzien van een sanctie of afgedwongen door de kans dat men
zich blootstelt aan kwaad
De gehoorzaamheidsplicht van de burger berust op de macht van de soeverein om
sancties op te leggen
Soeverein: de enige partij die daadwerkelijk onafhankelijk is, is het soevereine deel van de
samenleving
Hoe vaak moet iemand iets doen, willen we spreken van gewoonte? Wanneer spreken we
over een merendeel van de bevolking? Daarover laat Austin zich niet uit.
Bevel = incidenteel en bijzonder: de handelingen die worden vereist of verboden, worden op
een speciale manier bepaald of aangewezen
- Bv. Regel heeft betrekking op één aanwijsbaar en concreet individu
Bevel = algemeen: verplichting tot handelingen van een bepaalde categorie op een algemene
manier
- Bv. Regel heeft betrekking op alle burgers
Austin: Bevelen van de soeverein zijn de enige bron van recht
>< recht wortelt uiteindelijk in het gewoonterecht: stilzwijgende afspraken, zeden en
gewoonten
>< plaats nodig voor het recht dat door de rechter wordt gevormd (common-
lawsystemen)
- Gewoonterecht heeft wel een bevelskarakter: is slechts een regel van de positieve
moraal, totdat het als wet wordt aanvaard en afgedwongen door de macht van de
soeverein
Positieve moraal: regels van het gewoonterecht ontspringen vanuit de instemming
van de rechtssubjecten, niet vanuit de vaststelling door politieke superieuren
- Een ondergeschikte rechter is uitsluitend een dienaar: de regels die hij vaststelt
hebben enkel wettelijke kracht omdat het gezag hem is verleend door de staat
Kort: Als gewoonten worden omgezet in wettelijke regels door rechterlijke beslissingen, dan
zijn de wettelijke regels die uit de gewoonten voortvloeien op te vatten als stilzwijgende
bevelen van de soevereine wetgever. Heeft een bevelskarakter
,Gewoonterecht is in de ogen van Austin dus niets anders dan een verzameling opvattingen
over wat men al dan niet behoort te doen, die geen enkele rechtskracht hebben als ze niet
als zodanig zijn erkend en bekrachtigd door de soeverein.
Samenvatting:
Bevelstheorie van Austin (neutraal, zonder juridische termen uitgelegd): rechtspositivist
geen waardeoordeel, inhoud van het recht staat niet ter discussie
Recht = bevelen van soeverein die sanctie als gevolg heeft bij niet-naleving
Bevel = wens ten aanzien van iemand anders, algemeen, voor herhaling vatbaar
Sanctie = het kwaad
Soeverein = iemand die wordt gehoorzaamd, maar gehoorzaamt zelf niemand (>< advies van
de bevolking, zolang het geen gewoonte wordt
Kritiek:
- Hart vergelijkt staat met een roversbende morele waarde ontbreekt
- Kelsen vergelijkt belastinginner met roofovervaller (gebaseerd op de wet/grondwet,
die teruggaat naar de eerste historische grondwet) legitimatie door hogere
rechtsnormen ontbreekt
- Augustinus vergelijkt een koninkrijk met een roversbende gerechtigheid ontbreekt
Gewoonterecht: afspraak tussen staten geen soeverein keurt goed
Wanneer bekrachtigd door soeverein: wel positief recht
Austin past binnen het common-lawsysteem: rechter is geen soeverein, maar wordt
benoemd door een soeverein en is de dienaar ervan
Kritiek:
- Wet bepaalt wie de soeverein is (procedureregels in de wet)
- Verdragen: staten komen overeen, dus een soeverein is niet nodig
- Internationaal recht komt niet van een soeverein, maar vaak van een verdrag tussen
staten veel straffeloosheid in IR (maar volgens Austin sanctie nodig)
X wordt gewoonlijk
gehoorzaamd door
Soeverein X meerderheid van
mensen.
(=politiek X zelf heeft niet de
gewoonte aan een
superieur) superieur te
gehoorzamen.
Wetten of regels,
Recht afkomstig voorzien van een
dreiging van een
van soeverein X sanctie.
(in de vorm van Deze bevelen
creëren een
algemene bevelen) verplichting tot
gehoorzaamheid.
Ze volgen de
bevelen op
Onderdanen van vanwege de
soeverein X dreiging van
een sanctie.
(=politiek Als ze deze niet
inferieur) opvolgen, volgt
een rechtmatige
sanctie.
,HC 2: Theorie(en) van het Rechtspositivisme
Comte = vader van het positivisme: 3 stadia van de mensheid (geschiedenis van de mens en
hoe hij de wereld heeft proberen te begrijpen)
Mens is recentelijk in het positivistische stadium terechtgekomen
1. Theologisch (religieus) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gefundeerd in God:
naar (een) persoonlijke, concrete God(en). Goddelijke Wetten.
2. Metafysisch (filosofisch/abstract) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gegrond in
naar onpersoonlijke, absolute/abstracte begrippen. absolute/abstracte beginselen: Natuurrecht.
3. Positivistisch (wetenschappelijk) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gebaseerd op de
naar observeerbare, relatieve feiten. wil/macht van de feitelijke wetgever: Positief Recht.
1. Theleologisch stadium: als de mens iets niet begrijpt, verwijst hij naar God alle
wetten komen van God = goddelijke wetten
2. Metafysisch stadium: recht is gebaseerd in absolute begrippen/beginselen (variant
van het natuurrecht)
3. Positivistisch stadium: geen abstracte/absolute feiten, maar relatief en observeerbar
feitelijke macht van de wetgever = het positieve recht.
- Positivisme = stroming die het gebied van het weten beperkt tot wat met de zintuigen
kan worden waargenomen (alles wordt empirisch vastgesteld)
- Rechtspositivisme = stroming die het gebied van de rechtswetenschap beperkt tot het
zintuiglijk waarneembare.
- Positief recht = recht dat door mensen is gesteld of erkend en dat op vastgestelde
wetten of gewoonten berust
>< natuurrechttheorie: breidt het gebied van de rechtsleer uit tot het bovenzinnelijke,
beschouwt het natuurrecht als ideaal. Een universeel recht dat niet door de mensen is
gemaakt, maar gebaseerd is op algemene principes van de natuur
Rechtspositivisme gaat uit van twee stellingen (>< natuurrechttheorie)
1. Rechtsgeldigheid is afhankelijk van sociale/waarneembare feiten in de samenleving
a. Bv. Austin: bevelen komen van een soeverein, regels ontstaan uit gewoonten...
, 2. Recht en moraal zijn niet noodzakelijk verbonden met elkaar rechtspositivisme
houdt zich enkel bezig met wat het recht is, ipv wat recht behoort te zijn
Austin met bevelstheorie: variant van het rechtspositivisme
- Recht zijn bevelen van de soeverein, inhoudende gedragsregels, voorzien van een
dreiging van een sanctie ingeval van niet-nakoming
o = feiten die empirisch kunnen waargenomen worden: er is een soeverein,
wetten voorzien een sanctie...
- Rechtsgeldigheid wordt bepaald door de feitelijke bron van de wet of regel, NIET door
de morele waarde van de inhoud ervan
- Wat het recht is, wordt beantwoord door te verwijzen naar sociale feiten, niet naar
morele waarden.
‘Te kaal’: zijn theorie beschrijft niet voldoende wat het recht feitelijk is
Ehrlich: recht als gewoonten (Grundleggung der Soziologie des Rechts) fundering
rechtssociologie, sociologisch-positivistische theorie
1. Observeren hoe mensen zich gedragen in een samenleving recht bestaat uit
gedragsregels waarnaar mensen gewoonlijk handelen.
2. Geen statische regels met één bron, maar dynamisch geheel van verschillende regels
(fatsoen, zeden, moraal) van verschillende gemeenschappen (familie, werk, kerk)
= levende recht.
3. Er zijn slechts een paar officiële regels van de staat, en daarnaast gewoonteregels niet
van de staat
Wetten van de staat worden pas zichtbaar wanneer superieuren moeten beslissen
(na een conflict, pas wanneer het fout gaat) = juristenrecht
Recht van een samenleving: geheel van gedragsregels waarnaar
mensen in verschillende gemeenschappen gewoon zijn te
handelen: ‘Levend recht’ en ‘Juristenrecht’
‘Levend recht’ (Law in action):
= Geschreven en ongeschreven recht
= Statelijk en niet-statelijk recht
= ‘Werkelijke’/‘Echte’ recht
‘Juristenrecht’ (Law in the books):
(gewoonten, zeden, = Geschreven recht (door juristen)
morele/sociale normen) = Recht van de staat (voor juristen)
= Regels waarnaar mensen = ‘Officiële’ recht (wetten en
jurisprudentie)
daadwerkelijk/gewoonlijk handelen
= Regels ‘in de boeken’ waarnaar
rechters geschillen beslechten
HC ’s en OG’s
,HC 1: Inleiding en de bevelstheorie van
Austin
Politieke strijd: legitiem conflict veel vrijheid, liberalisme (beweert dat over al die dingen
tussen inhoudelijke tegenstanders een redelijk debat mogelijk is)
Juridische strijd: geen debat, maar criteria liggen al vast in de wetgeving, rechtspraak etc.
de overheid is in haar optreden aan regels gebonden: bij sterke interpretatie zal iemand
gelijk krijgen
John Austin, Brits rechtsfilosoof, eerste helft 19e eeuw
- Probeerde als een van de eerste rechtsfilosofen het recht op een systematische
manier te ordenen veel positieve en negatieve kritiek
Twee belangrijke stromingen: rechtspositivisme >< natuurrechttheorie
- Rechtspositivisme: het bestaan en de inhoud van het recht hangt af van sociale feiten,
niet van de morele waarde van het recht (Austin)
- Beperken tot de neutrale beschrijving van het positieve recht, houdt zich niet bezig
met een normatieve beoordeling of waardering van het recht
- (Om te definiëren wat recht is, is de vraag naar rechtvaardigheid niet relevant
Bevelstheorie: de inhoud en het bestaan van het recht wordt bepaald door wat een
(menselijke) wetgever heeft bevolen, in de vorm van een soort bevel
- Rechtspositivisme: feiten >< God mensen bestaan feiten, dus een bevel afkomstig
van een soevereine wetgever is feitelijk vaststelbaar
- Austin: recht = bevel
The Province of Jurisprudence Determined, 1832: Austin wil bepalen wat het onderwerp is
van de rechtsgeleerdheid (was niet helder afgebakend)
Definitie van het recht is vermengd geraakt met andere onderwerpen (bv. moraal, religie)
Doel van het boek = via een ordelijk en samenhangend systeem het recht definiëren door
een analytische methode (concrete juridische begrippen abstract begrip van recht)
Positief recht/wetten/regels in strikte zin = gesteld door politiek superieure mensen aan
politiek ondergeschikte mensen
Wetten/regels in algemene zin = gesteld ter sturing van het gedrag van een redelijk wezen
door een ander redelijk wezen dat macht uitoefent over het eerste = bevel
1. Goddelijke wetten (geen positief, door mensen gesteld recht)
2. Menselijke wetten (positief recht en positieve moraal)
, Wetten of
regels
Goddelijk wetten: Menselijke wetten: Figuurlijke ‘wetten’:
wetten/regels gesteld wetten/regels gesteld bv. ‘wetten’ van het
door God aan mensen door mensen aan instinct, ‘wetten’ van de
(ook wel: ‘natuurrecht’) mensen natuur
POSITIEF RECHT: POSITIEVE MORAAL:
wetten/regels gesteld feitelijk bestaande
door politiek superieur morele wetten/regels
wetten/regels gesteld ‘wetten/regels’ gevestigd
door niet politiek door publieke opinie:
superieur, maar bv. ‘gewoonterecht’,
menselijke overtuiging ‘internationaal recht’
Austin wil komen tot het positief recht
- Goddelijke wetten: bv. 10 geboden
- Menselijke wetten: wetten/regels gesteld door mensen aan mensen
- Figuurlijke wetten: bv. wet van de zwaartekracht = door niemand gesteld en aan
niemand gericht
- Positieve moraal= geen recht in strikte zin (niet juridisch van aard), bv. regels van je
ouders
Essentiële eigenschappen van een wet of een regel:
Een wet of een regel is een algemeen BEVEL van een superieur1, oftewel de soeverein, welk
bevel een verplichting oplegt aan zijn ondergeschikten en is voorzien van een (dreiging van
een) sanctie ingeval van niet-nakoming.
Bevel:
1. Een wens van een redelijk wezen X dat een ander redelijk wezen Y iets zal doen of nalaten;
2. Een kwaad dat door X wordt aangedaan aan Y, ingeval Y niet voldoet aan de wens van X;
1
Superioriteit betekent hier macht, nl. het vermogen van X om Y met kwaad te treffen en Y daarmee te
dwingen tot het door X gewenste gedrag.
, 3. Een uitdrukking van de wens door woorden of andere tekens
Y is verplicht X te gehoorzamen omdat hij geen kwaad wol riskeren (risico van kwaad
ontlopen)
Wet/regel = een algemeen bevel: verplichting tot algemene klasse van handelingen, wet of
regel schrijft gedrag voor dat herhaalbaar is
Als je niet voldoet aan het bevel, riskeer je een sanctie = feitelijk vaststelbaar
Soeverein2:
1. Het merendeel van de mensen binnen een onafhankelijke politieke samenleving heeft
de gewoonte om X te gehoorzamen
2. X zelf heeft niet de gewoonte om een (menselijk) superieur te gehoorzamen
‘Kale’ theorie: sommige elementen ontbreken aan de bevelstheorie:
- Recht heeft niet altijd de vorm van een bevel dat ondersteund wordt door een sanctie
(bv. hoe een huwelijk rechtens tot stand komt, de definitie van een meerderjarige...)
- Het hebben of voelen van een plicht om ons te houden aan een bevel, is niet altijd
omdat we een sanctie willen ontlopen
- Het recht is niet altijd te herleiden tot een aanwijsbare soeverein
- Het uitsluiten van o.a. gewoonterecht, internationaal recht en eventueel ook het
natuurrecht, doet mogelijk tekort aan wat recht is en respectievelijk behoort te zijn.
2
Koning, president, dictator of groep van personen: overheid...
,OG 1: Bevelstheorie als problematisch
vertrekpunt
Recht als raadsel: Inleiding en Hoofdstuk 1
Austin: recht definiëren zonder te leunen op een bestaand rechtssysteem, zonder voorkennis
van de lezer te veronderstellen, zonder juridische begrippen te gebruiken
Zonder beroep te doen op morele noties
Bevel = plicht: als je het bevel niet opvolgt, ben je gebonden door het bevel en verplicht aan
het bevel te gehoorzaken
Het bevel of de plicht wordt voorzien van een sanctie of afgedwongen door de kans dat men
zich blootstelt aan kwaad
De gehoorzaamheidsplicht van de burger berust op de macht van de soeverein om
sancties op te leggen
Soeverein: de enige partij die daadwerkelijk onafhankelijk is, is het soevereine deel van de
samenleving
Hoe vaak moet iemand iets doen, willen we spreken van gewoonte? Wanneer spreken we
over een merendeel van de bevolking? Daarover laat Austin zich niet uit.
Bevel = incidenteel en bijzonder: de handelingen die worden vereist of verboden, worden op
een speciale manier bepaald of aangewezen
- Bv. Regel heeft betrekking op één aanwijsbaar en concreet individu
Bevel = algemeen: verplichting tot handelingen van een bepaalde categorie op een algemene
manier
- Bv. Regel heeft betrekking op alle burgers
Austin: Bevelen van de soeverein zijn de enige bron van recht
>< recht wortelt uiteindelijk in het gewoonterecht: stilzwijgende afspraken, zeden en
gewoonten
>< plaats nodig voor het recht dat door de rechter wordt gevormd (common-
lawsystemen)
- Gewoonterecht heeft wel een bevelskarakter: is slechts een regel van de positieve
moraal, totdat het als wet wordt aanvaard en afgedwongen door de macht van de
soeverein
Positieve moraal: regels van het gewoonterecht ontspringen vanuit de instemming
van de rechtssubjecten, niet vanuit de vaststelling door politieke superieuren
- Een ondergeschikte rechter is uitsluitend een dienaar: de regels die hij vaststelt
hebben enkel wettelijke kracht omdat het gezag hem is verleend door de staat
Kort: Als gewoonten worden omgezet in wettelijke regels door rechterlijke beslissingen, dan
zijn de wettelijke regels die uit de gewoonten voortvloeien op te vatten als stilzwijgende
bevelen van de soevereine wetgever. Heeft een bevelskarakter
,Gewoonterecht is in de ogen van Austin dus niets anders dan een verzameling opvattingen
over wat men al dan niet behoort te doen, die geen enkele rechtskracht hebben als ze niet
als zodanig zijn erkend en bekrachtigd door de soeverein.
Samenvatting:
Bevelstheorie van Austin (neutraal, zonder juridische termen uitgelegd): rechtspositivist
geen waardeoordeel, inhoud van het recht staat niet ter discussie
Recht = bevelen van soeverein die sanctie als gevolg heeft bij niet-naleving
Bevel = wens ten aanzien van iemand anders, algemeen, voor herhaling vatbaar
Sanctie = het kwaad
Soeverein = iemand die wordt gehoorzaamd, maar gehoorzaamt zelf niemand (>< advies van
de bevolking, zolang het geen gewoonte wordt
Kritiek:
- Hart vergelijkt staat met een roversbende morele waarde ontbreekt
- Kelsen vergelijkt belastinginner met roofovervaller (gebaseerd op de wet/grondwet,
die teruggaat naar de eerste historische grondwet) legitimatie door hogere
rechtsnormen ontbreekt
- Augustinus vergelijkt een koninkrijk met een roversbende gerechtigheid ontbreekt
Gewoonterecht: afspraak tussen staten geen soeverein keurt goed
Wanneer bekrachtigd door soeverein: wel positief recht
Austin past binnen het common-lawsysteem: rechter is geen soeverein, maar wordt
benoemd door een soeverein en is de dienaar ervan
Kritiek:
- Wet bepaalt wie de soeverein is (procedureregels in de wet)
- Verdragen: staten komen overeen, dus een soeverein is niet nodig
- Internationaal recht komt niet van een soeverein, maar vaak van een verdrag tussen
staten veel straffeloosheid in IR (maar volgens Austin sanctie nodig)
X wordt gewoonlijk
gehoorzaamd door
Soeverein X meerderheid van
mensen.
(=politiek X zelf heeft niet de
gewoonte aan een
superieur) superieur te
gehoorzamen.
Wetten of regels,
Recht afkomstig voorzien van een
dreiging van een
van soeverein X sanctie.
(in de vorm van Deze bevelen
creëren een
algemene bevelen) verplichting tot
gehoorzaamheid.
Ze volgen de
bevelen op
Onderdanen van vanwege de
soeverein X dreiging van
een sanctie.
(=politiek Als ze deze niet
inferieur) opvolgen, volgt
een rechtmatige
sanctie.
,HC 2: Theorie(en) van het Rechtspositivisme
Comte = vader van het positivisme: 3 stadia van de mensheid (geschiedenis van de mens en
hoe hij de wereld heeft proberen te begrijpen)
Mens is recentelijk in het positivistische stadium terechtgekomen
1. Theologisch (religieus) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gefundeerd in God:
naar (een) persoonlijke, concrete God(en). Goddelijke Wetten.
2. Metafysisch (filosofisch/abstract) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gegrond in
naar onpersoonlijke, absolute/abstracte begrippen. absolute/abstracte beginselen: Natuurrecht.
3. Positivistisch (wetenschappelijk) stadium
Mens verklaart de werkelijkheid door te verwijzen Mens interpreteert het recht als gebaseerd op de
naar observeerbare, relatieve feiten. wil/macht van de feitelijke wetgever: Positief Recht.
1. Theleologisch stadium: als de mens iets niet begrijpt, verwijst hij naar God alle
wetten komen van God = goddelijke wetten
2. Metafysisch stadium: recht is gebaseerd in absolute begrippen/beginselen (variant
van het natuurrecht)
3. Positivistisch stadium: geen abstracte/absolute feiten, maar relatief en observeerbar
feitelijke macht van de wetgever = het positieve recht.
- Positivisme = stroming die het gebied van het weten beperkt tot wat met de zintuigen
kan worden waargenomen (alles wordt empirisch vastgesteld)
- Rechtspositivisme = stroming die het gebied van de rechtswetenschap beperkt tot het
zintuiglijk waarneembare.
- Positief recht = recht dat door mensen is gesteld of erkend en dat op vastgestelde
wetten of gewoonten berust
>< natuurrechttheorie: breidt het gebied van de rechtsleer uit tot het bovenzinnelijke,
beschouwt het natuurrecht als ideaal. Een universeel recht dat niet door de mensen is
gemaakt, maar gebaseerd is op algemene principes van de natuur
Rechtspositivisme gaat uit van twee stellingen (>< natuurrechttheorie)
1. Rechtsgeldigheid is afhankelijk van sociale/waarneembare feiten in de samenleving
a. Bv. Austin: bevelen komen van een soeverein, regels ontstaan uit gewoonten...
, 2. Recht en moraal zijn niet noodzakelijk verbonden met elkaar rechtspositivisme
houdt zich enkel bezig met wat het recht is, ipv wat recht behoort te zijn
Austin met bevelstheorie: variant van het rechtspositivisme
- Recht zijn bevelen van de soeverein, inhoudende gedragsregels, voorzien van een
dreiging van een sanctie ingeval van niet-nakoming
o = feiten die empirisch kunnen waargenomen worden: er is een soeverein,
wetten voorzien een sanctie...
- Rechtsgeldigheid wordt bepaald door de feitelijke bron van de wet of regel, NIET door
de morele waarde van de inhoud ervan
- Wat het recht is, wordt beantwoord door te verwijzen naar sociale feiten, niet naar
morele waarden.
‘Te kaal’: zijn theorie beschrijft niet voldoende wat het recht feitelijk is
Ehrlich: recht als gewoonten (Grundleggung der Soziologie des Rechts) fundering
rechtssociologie, sociologisch-positivistische theorie
1. Observeren hoe mensen zich gedragen in een samenleving recht bestaat uit
gedragsregels waarnaar mensen gewoonlijk handelen.
2. Geen statische regels met één bron, maar dynamisch geheel van verschillende regels
(fatsoen, zeden, moraal) van verschillende gemeenschappen (familie, werk, kerk)
= levende recht.
3. Er zijn slechts een paar officiële regels van de staat, en daarnaast gewoonteregels niet
van de staat
Wetten van de staat worden pas zichtbaar wanneer superieuren moeten beslissen
(na een conflict, pas wanneer het fout gaat) = juristenrecht
Recht van een samenleving: geheel van gedragsregels waarnaar
mensen in verschillende gemeenschappen gewoon zijn te
handelen: ‘Levend recht’ en ‘Juristenrecht’
‘Levend recht’ (Law in action):
= Geschreven en ongeschreven recht
= Statelijk en niet-statelijk recht
= ‘Werkelijke’/‘Echte’ recht
‘Juristenrecht’ (Law in the books):
(gewoonten, zeden, = Geschreven recht (door juristen)
morele/sociale normen) = Recht van de staat (voor juristen)
= Regels waarnaar mensen = ‘Officiële’ recht (wetten en
jurisprudentie)
daadwerkelijk/gewoonlijk handelen
= Regels ‘in de boeken’ waarnaar
rechters geschillen beslechten