Internationaal Privaatrecht
Werkcollege 1: Inleiding & Personen- en familierecht I
Opdrachten
Opdracht A
Lees de onderstaande uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.
Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar 15 mei 2024 (fictief)
Duits/Nederlandse echtscheiding
Echtscheidingsprocedure tussen een Duitse vrouw en een Nederlandse man, die op 1 augustus 1992
in Duitsland zijn gehuwd. Zij woonden tot 1998 in Duitsland en verhuisden in dat jaar naar
Nederland, waar beide echtgenoten nog steeds zijn gevestigd. De vrouw verzoekt primair
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, voorts verdeling van de tussen partijen
bestaande gemeenschap van goederen, alsmede toekenning van een uitkering tot levensonderhoud ten
laste van de man.
Rechtbank:
‘1. Door de omstandigheid dat verzoekster de Duitse nationaliteit bezit (verweerder is
Nederlander) draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te
worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Op grond van art. 3
sub a (i) van de Verordening Brussel II-ter kan deze vraag ten aanzien van het verzoek tot
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed bevestigend worden beantwoord, nu – naar de
rechtbank als vaststaand aanneemt – beide partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift
hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Ten aanzien van de nevenverzoeken komt op grond
van art. 5 lid 1 Verordening Huwelijksvermogensstelsels respectievelijk art. 3 sub a
Alimentatieverordening aan de rechtbank eveneens rechtsmacht toe.
2. Vervolgens komt aan de orde de vraag welk rechtsstelsel op hoofd- en nevenverzoeken van
toepassing is. Op het primaire verzoek tot echtscheiding is op grond van art. 10:56 lid 1 BW
Nederlands recht van toepassing, aangezien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan en daartoe ook
niet – gezien het feit dat zij geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben – de mogelijkheid hebben
(vgl art. 10:56 lid 2 BW).
3. Nu partijen vóór 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden, dient de vraag naar het
toepasselijk recht op het nevenverzoek tot boedelverdeling te worden beantwoord naar ongeschreven
regels van Nederlands internationaal privaatrecht (vgl. art. 21 Haags Huwelijksvermogensverdrag
1978). Op grond van HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 (Chelouche v. Van Leer) is het Duitse
recht van toepassing, aangezien partijen ten tijde van de huwelijkssluiting van nationaliteit
verschilden, maar hun eerste huwelijksdomicilie in Duitsland vestigden. Aangezien het Duitse recht
niet de algehele gemeenschap van goederen, maar een beperkte gemeenschap (de zogenaamde
Zugewinngemeinschaft) kent, begrijpt de rechtbank het nevenverzoek tot boedelverdeling als een
verzoek tot verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.
1
, 4. Het toepasselijk recht op het verzoek tot toekenning van alimentatie ten behoeve van de
vrouw dient op grond van artikel 15 Alimentatieverordening bepaald te worden aan de hand van het
Haags Alimentatieprotocol 2007. Het Haags Alimentatieprotocol is zowel materieel (art: 1
onderhoudsverplichtingen uit huwelijk), formeel (art. 2: universeel) als temporeel (de regels van het
protocol worden na 18 juni 2011 toegepast door rechters van EU lidstaten) van toepassing. Op grond
van art. 3 is het recht van de gewone verblijfplaats van de schuldeiser (de vrouw) van toepassing:
Nederlands recht.
5. Het primaire verzoek tot echtscheiding kan, gelet op het toepasselijke recht, waar ten processe
als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en tegen
dit verzoek geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.
6. Ook de nevenverzoeken kunnen gezien het daarop toe te passen rechtsstelsel - met
inachtneming van het vorenstaande - als gegrond en onbestreden worden toegewezen, met dien
verstande dat het nevenverzoek tot boedelverdeling zal worden verstaan als een verzoek tot
verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.’
Vraag 1
a. Waarom is hier sprake van een IPR-geval?
Het gaat hier om een privaatrechtelijke casus, want het gaat over echtscheiding,
huwelijksvermogensrecht en alimentatie en over grensoverschrijdende aspecten, want het huwelijk is
voltrokken in Duitsland en het verzoek tot echtscheiding is gedaan in Nederland en beide partners
hebben een andere nationaliteit
.
Juiste antwoord:
Privaatrechtelijk + internationaal (grensoverschrijdend) aspect
b. Op welk onderdeel van het IPR hebben de overwegingen 1 t/m 6 betrekking?
Echtscheiding, huwelijksvermogen en alimentatie
.
Juiste antwoord:
In ro 1 gaat het om de bevoegdheidsvraag van de NL rechter
Vraag over bevoegdheid moet je voor ieder onderdeel beantwoorden: dus voor echtscheiding,
alimentatie en verdeling van de goederen
In ro 2-4 gaat het om conflictenrecht (toepasselijk recht)
Rechter is bevoegd, maar welk recht moet de rechter toepassen? Soms moet NL rechter
buitenlands recht toepassen
In ro 5-6 gaat het niet over IPR, maar oordeelt de rechter over de verzoeken volgens NL recht
c. Welk type rechtsbron wordt door de rechtbank op verschillende punten gehanteerd (verordening,
verdrag, wet etc.)?
Het verdrag Brussel II-ter (voor zijn bevoegdheid)
.
Juiste antwoord:
Brussel II-ter Verordening
Alimentatieverordening
Boek 10 BW
Haags Huwelijksvermogensverdrag
2
Werkcollege 1: Inleiding & Personen- en familierecht I
Opdrachten
Opdracht A
Lees de onderstaande uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.
Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar 15 mei 2024 (fictief)
Duits/Nederlandse echtscheiding
Echtscheidingsprocedure tussen een Duitse vrouw en een Nederlandse man, die op 1 augustus 1992
in Duitsland zijn gehuwd. Zij woonden tot 1998 in Duitsland en verhuisden in dat jaar naar
Nederland, waar beide echtgenoten nog steeds zijn gevestigd. De vrouw verzoekt primair
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, voorts verdeling van de tussen partijen
bestaande gemeenschap van goederen, alsmede toekenning van een uitkering tot levensonderhoud ten
laste van de man.
Rechtbank:
‘1. Door de omstandigheid dat verzoekster de Duitse nationaliteit bezit (verweerder is
Nederlander) draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te
worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Op grond van art. 3
sub a (i) van de Verordening Brussel II-ter kan deze vraag ten aanzien van het verzoek tot
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed bevestigend worden beantwoord, nu – naar de
rechtbank als vaststaand aanneemt – beide partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift
hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Ten aanzien van de nevenverzoeken komt op grond
van art. 5 lid 1 Verordening Huwelijksvermogensstelsels respectievelijk art. 3 sub a
Alimentatieverordening aan de rechtbank eveneens rechtsmacht toe.
2. Vervolgens komt aan de orde de vraag welk rechtsstelsel op hoofd- en nevenverzoeken van
toepassing is. Op het primaire verzoek tot echtscheiding is op grond van art. 10:56 lid 1 BW
Nederlands recht van toepassing, aangezien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan en daartoe ook
niet – gezien het feit dat zij geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben – de mogelijkheid hebben
(vgl art. 10:56 lid 2 BW).
3. Nu partijen vóór 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden, dient de vraag naar het
toepasselijk recht op het nevenverzoek tot boedelverdeling te worden beantwoord naar ongeschreven
regels van Nederlands internationaal privaatrecht (vgl. art. 21 Haags Huwelijksvermogensverdrag
1978). Op grond van HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 (Chelouche v. Van Leer) is het Duitse
recht van toepassing, aangezien partijen ten tijde van de huwelijkssluiting van nationaliteit
verschilden, maar hun eerste huwelijksdomicilie in Duitsland vestigden. Aangezien het Duitse recht
niet de algehele gemeenschap van goederen, maar een beperkte gemeenschap (de zogenaamde
Zugewinngemeinschaft) kent, begrijpt de rechtbank het nevenverzoek tot boedelverdeling als een
verzoek tot verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.
1
, 4. Het toepasselijk recht op het verzoek tot toekenning van alimentatie ten behoeve van de
vrouw dient op grond van artikel 15 Alimentatieverordening bepaald te worden aan de hand van het
Haags Alimentatieprotocol 2007. Het Haags Alimentatieprotocol is zowel materieel (art: 1
onderhoudsverplichtingen uit huwelijk), formeel (art. 2: universeel) als temporeel (de regels van het
protocol worden na 18 juni 2011 toegepast door rechters van EU lidstaten) van toepassing. Op grond
van art. 3 is het recht van de gewone verblijfplaats van de schuldeiser (de vrouw) van toepassing:
Nederlands recht.
5. Het primaire verzoek tot echtscheiding kan, gelet op het toepasselijke recht, waar ten processe
als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en tegen
dit verzoek geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.
6. Ook de nevenverzoeken kunnen gezien het daarop toe te passen rechtsstelsel - met
inachtneming van het vorenstaande - als gegrond en onbestreden worden toegewezen, met dien
verstande dat het nevenverzoek tot boedelverdeling zal worden verstaan als een verzoek tot
verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.’
Vraag 1
a. Waarom is hier sprake van een IPR-geval?
Het gaat hier om een privaatrechtelijke casus, want het gaat over echtscheiding,
huwelijksvermogensrecht en alimentatie en over grensoverschrijdende aspecten, want het huwelijk is
voltrokken in Duitsland en het verzoek tot echtscheiding is gedaan in Nederland en beide partners
hebben een andere nationaliteit
.
Juiste antwoord:
Privaatrechtelijk + internationaal (grensoverschrijdend) aspect
b. Op welk onderdeel van het IPR hebben de overwegingen 1 t/m 6 betrekking?
Echtscheiding, huwelijksvermogen en alimentatie
.
Juiste antwoord:
In ro 1 gaat het om de bevoegdheidsvraag van de NL rechter
Vraag over bevoegdheid moet je voor ieder onderdeel beantwoorden: dus voor echtscheiding,
alimentatie en verdeling van de goederen
In ro 2-4 gaat het om conflictenrecht (toepasselijk recht)
Rechter is bevoegd, maar welk recht moet de rechter toepassen? Soms moet NL rechter
buitenlands recht toepassen
In ro 5-6 gaat het niet over IPR, maar oordeelt de rechter over de verzoeken volgens NL recht
c. Welk type rechtsbron wordt door de rechtbank op verschillende punten gehanteerd (verordening,
verdrag, wet etc.)?
Het verdrag Brussel II-ter (voor zijn bevoegdheid)
.
Juiste antwoord:
Brussel II-ter Verordening
Alimentatieverordening
Boek 10 BW
Haags Huwelijksvermogensverdrag
2