DE ORGANISATIE
Je moet aan alle 4 voorwaarden voldoen om een organisatie te zijn: “een organisatie (1) is een sociale entiteit
die (2) doelgericht is, (3) die ontworpen is als een bewust gestructureerde en gecoördineerde
activiteitensystemen en de (4) in relatie staan tot haar externe omgeving.
1) Sociale entiteit
Menselijke component: organisaties zijn geen machines, maar brengen mensen met eigen
ideeën, opvattinge, competenties en vaardigheden bewust bij elkaar om een gezamenlijk doel
te bereiken
Moeten minstens 2 mensen zijn (alleen kan je geen organisatie starten)
2) Doelgericht
Bewust samenbrengen om doelen (“missie”) te bereiken, is geen optelsom van een aantal
losse individuen die zich toevallig samen in een mentale/fysieke ruimte bevinden
3) Bewust gestructureerd en gecoördineerd
Er zit een systeem in, ze hebben afspraken gemaakt (bv iemand is de baas, ingedeeld in
subgroepen)
4) In relatie tot externe omgeving
Een organisatie opereert niet in een vacuum, maar staat steeds in relatie tot haar externe
omgeving. Een publieke organisatie gebruikt de hulpbronnen uit deze omgeving om ze te
transformeren in allerhande beleid en dienstverlening.
Publieke vs. Private organisaties?
- Het doel dat men nastreeft is meteen één van de cruciale elementen dat gebruikt wordt om
onderscheid te maken tussen publieke en private organisaties
A) Zuiver publieke organisaties: organisaties die enkel een publieke of maatschappelijke
waarde nastreven
B) Zuiver private organisaties: organisaties die enkel economische waarde nastreven
- Realiteit is genuanceerder
- Andere parameters die gebruikt worden om het onderscheid te maken zijn (1) eigendomsstructuur, (2)
mate waarin de organisatie afhankelijk is van publieke, dan wel private middelen, (3) mate waarin
organisatie zelf haar doelen kan bepalen
VOORBEELDEN
1) Een treincoupé = een groep mensen in een trein
a. Is dit een organisatie? Nee, waarom niet?
i. Is een sociale entiteit want er is iets ‘afgebakend’ in
ii. Niet echt doelgericht: willen wel een bestemming bereiken maar niet wat bedoeld
wordt, zitten daar niet samen om die bestemming te bereiken
iii. Niet gestructureerd en gecöordineerd
iv. Wel in relatie tot externe omgeving
2) Studenten 2de bachelor criminologie aan de kuleuven
a. Is dit een organisatie? Nee, waarom niet?
i. Er is sociale entiteit: een groep mensen die samen interageren
ii. Doelgericht zelfde als trein; gedeeltelijks want willen zelfde doel bereiken maar
zitten niet echt samen om dit doel te bereiken
iii. Niet gestructureerd en gecöordineerd
iv. Wel in relatie tot externe omgeving
3) Crimen, studentenvereniging
a. Is dit een organisatie? Nee, waarom niet?
i. Er is sociale entiteit: een groep mensen die samen interageren
ii. Doelgericht wel: ene meer voor feesten en andere meer voor studie dus onderlings
kleine verschillen maar globaal gezien wel doel
iii. Wel gestructureerd want praesidium + gecoördineerd
iv. Wel in relatie tot externe omgeving
,WAT IS ORGANISATIESTRUCTUUR?
o Er zijn 4 perspectieven om organisaties te benaderen: het structureel perspectief, HR-perspectief,
politieke perspectief en het symbolisch perspectief
o Vijf structurele dimensies: als je organisaties wil begrijpen, kan je die begrijpen door te kijken naar 5
dimensies
o Formalisatie
o Specialisatie
o Gezagshiërarchie
o Complexiteit
o Centralisatie
VIJF DIMENSIES:
1. FORMALISATIE
o Organisaties verschillen in de mate waarin gewenst gedrag en activiteiten formeel gedocumenteerd
en uitgeschreven zijn
• Bv de manier waarop de vakken methodologie worden georganiseerd is heel hard
geformuleerd (deadlines, wie je voor wat moet contacteren,...) maar is geen organisatie
• Bv politie en justitie heel veel geformaliseerd
o Vaak veel formalisatie bij publieke organisaties
• Publieke organisatie = overheid zoals politie
i. belangrijkste reden is de gelijke behandeling: moeten kunnen aantonen en
garanderen dat ze burgers gelijk behandelen
j. maar ook transparantie: publieke organisaties moeten transparant en helder kunnen
rapporteren hoe ze hun budgetten besteden
k. legaliteit: rechtsregels moeten correct worden toegepast
a. Waarom zijn bovenste zaken belangrijker in de overheid dan in de
fietsenwinkel?
b. Je kan bij een fietsenwinkel nog beslissen om naar een andere fietsenwinkel
te gaan
o Formalisatie gaat vaak samen met standaardisatie:
• Formalisatie gaat over dingen ‘op papier’ en standaardisatie ‘je wil dingen zoveel mogelijk op
dezelfde manier doen’
• Steeds zelfde verloop van processen met als doel steeds dezelfde kwaliteit
• Continuïteit dienstverlening door kennisborging
o We hebben iets geleerd, deze opdrachtomschrijving werkt niet dus we gaan onze
procedure veranderen
o Kan ook te veel worden: overmatige formalisatie of red tape
• Er zijn limieten aan: als je te veel formaliseerd ga je naar red tape: verwijzing naar de
perverse effecten van dit soort formalisatie
i. Een teveel aan formele regels en procedures die het goed functioneren van de
publieke organisatie in het gedrang brengen
a. Bv 40 richtlijnenpaginas: regels gaan elkaar tegenspreken en leerlingen
gaan ze niet meer lezen
b. Als je er teveel van neemt kan het dus fataal worden
2. SPECIALISATIE
o Mate van arbeidsverdeling
Hoge mate van specialisatie: taken en activiteiten sterk opgedeeld en verspreid over
afdelingen en medewerkers
o Stel je hebt heel veel aparte diensten met allemaal mensen die gespecialiseerd zijn
bv aparte verkeersdienst dan heeft dit evidente voordelen
o Voordeel is mensen kennen wetgeving goed en kunnen ook goed toepassen
o Nadeel is probleem van coördinatie: iedereen werkt op eigen ‘eiland’ en
soms werken ze elkaar tegen
Lage mate van specialisatie: een medewerker of afdeling voert brede waaier van activiteiten
of taken uit
, o Daarom soms geen aparte diensten maar per wijk organiseren: op niveau van de wijk
doen we zowel interventie als wijk als verkeer
o Voordeel is dat er meer samenwerking is, minder spanning tussen
wijkinspecteur en interventie-inspecteur want ene dag ben jij eerste en
andere dag jij 2de
o Nadeel is dat je veel minder specialisatie hebt, wat de exacte
uitzonderingen zijn etc.
o Verdeelde taken moeten wel terug gecoördineerd worden in functie van hoger doel van de organisatie
3. GEZAGSHIËRARCHIE
o Verticale rapporteringsrelaties: wie rapporteert aan wie in de organisatie over wat?
De relatie tussen bazen en medewerkers: wie is de baas van wie?
o In moderne organisaties niet altijd duidelijk; Wie gaat je evalueren? Naar wie moet
je luisteren als 3 bazen iets anders zeggen? Wie rapporteert aan wie?
o Waarom verticale rapporteringsrelatie? In wijze van een organogram: federale
politie met bovenaan commissaris generaal - deze heeft 3 onmiddelijke reports
o Verwijst ook naar ‘Span of control’
Span of control = het aantal werknemers die rechtstreeks aangestuurd worden door en
rapporteren aan één leidinggevende
o Bv je hebt een korpschef van lokale politiezone en dan heb je ondersteunende
diensten met telkens een teamchef en onder elke teamchef bv 10-tal politiemensen
telkens
o Korpschef is baas van iedereen, van bv de 200 mensen dat er werken in totaal maar
zijn span of control is niet de 200 mensen maar bv de 5 teamchefs, de mensen die
direct aan hem gaan rapporteren - de directs rapports
o De span of control van elke teamchef is bv 10 mensen dan, mensen die rechtstreeks
worden aangestuurd
Meetbaar: kan groot of klein zijn
o Beperkte span of controle in steile organisaties
o Stel je hebt korpschef en die heeft maar 2 mensen onder zich, en die ook 2
mensen onder zich, dan ga je heel veel bazen hebben
o Lage span of control
o Grotere span of controle in vlakke organisaties
o Je hebt een vlakke organisatie, een korpschef waar 10 mensen onder zitten
en dan terug veel, dus dan heb je niet veel bazen
o Hoge span of control
De optimale span of control hangt o.m. af van:
o Wat is de perfecte, geschikte span of control? Men dacht een tijdje dat de optimale
span of control 7 was maar is niet
o Kenmerken van werkinhoud (complexiteit, nood aan uniformiteit, mate van routine,
…)
o Als het werk is dat makkelijk te controleren is, heel mooi in regels te vatten,
bv in een fabriek aan de lopende band waar mensen duidelijke taak
hebben, dan heb je relatief grote span of control ( hoe meer
standaardisatie, hoe meer span of control)
o Hoe complexer je taken zijn, hoe kleiner je span of control zijn
o Kenmerken en persoonlijkheid van manager
o Hoe goed kan een manager delegeren? Is het een controlefreak of niet? Als
je baas zou zijn van 10 mensen, heb je weinig controle
o Kenmerken en persoonlijkheid van medewerker
o Als het een onervaren medewerker is, meer begeleiding nodig dus dan zal
je span of control kleiner zijn
o Als het een gemotiveerde medewerker is, grotere span of control
o Kenmerken van organisatie (geografische opbouw, middelen,…)
o Team verspreid over de wereld? Dan zal je span of control kleiner zijn dan
dat je in een ruimte hetzelfde aan het doen bent
Technologische ontwikkelingen maken grotere span of control mogelijk
, o Als werknemers bv niet meer uitgebreid mondeling moeten terugkoppelen
maar er digitale dossiersopvolgingssystemen bestaan met ruimte voor
digitale feedback door de leidinggevende, is individueel contact van elke
werknemer met de coördinator wellicht minder vaak noodzakelijk en kan
deze een grotere span of control aan
4. COMPLEXITEIT
o Aantal verschillende afdelingen en activiteiten
o Gevat in drie dimensies
Verticale complexiteit (depth of control): aantal hiërarchische niveaus
o Het aantal niveaus, aantal hiërarchische lagen
Hoe meer niveaus, hoe complexer op dit vlak
Een organisatie met 10 lagen is complexer dan een organisatie met 5
lagen
Depth of control is aantal lagen tussen korpschef en degene die helemaal
onderaan de piramide staat
Horizontale complexiteit: aantal nevengeschikte afdelingen in een organisatie
o In hoeveel afdelingen is je organisatie opgedeeld
Opnieuw: hoe meer nevengeschikte afdelingen, hoe complexer op dit vlak
Een organisatie die verticaal complex is omdat 5/6 niveaus in de hiërarchie
kent, kan horizontaal relatief eenvoudig zijn
Ruimtelijke complexiteit: aantal fysieke locaties
De mate waarin afdelingen en werknemers ruimtelijk gespreid zijn: als de
hele organisatie op één fysieke plek te vinden is, is dit vanuit dit oogpunt
eenvoudig
Als de publieke organisatie daarintegen uitgewaaierd is en bv in elk vlaamse
gemeente een filiaal heeft, is dat vanuit dit oogpunt zeer complex
5. CENTRALISATIE (1)
o Welke beslissingsbevoegdheid op welk niveau binnen de organisatie?
o Enerzijds centralisatie
Centralisatie: zoveel mogelijk macht/ beslissingsbevoegdheid in het centrum legt; is meestal de
grote baas van de organisatie
o Decentralisatie is zoveel mogelijk macht weg van het centrum bv veel macht op
niveau van diensthoofden
Veel bevoegdheid bij het topmanagement (in extremis hypercentralisatie)
o Bv een grote publieke organisatie waar een medewerker een handtekening van de
leidinggevende nodig heeft om potlood en papier te kunnen krijgen (: voorbeeld van
hypercentralisatie)
o Als er daarintegen veel autonome beslissingen worden gemaakt op de werkvloer, is
er sprake van een grote mate van decentralisatie
Voordelen van centralisatie: bv korpschef wil alles gezien hebben
o Eenheid van leiding en bevel (duidelijk en krachtdadig optreden)
Belangrijk dat je weet wie de beslissing neemt, geen discussie, er is 1 baas
en die neemt alle beslissingen
Heel efficient als er een botsing gebeurt op moment van een crisis is goed
om te weten ‘wie is er hier de baas’
o Beschermen van het algemeen organisatiedoel
Interventieagent is bezig met zijn doel, rechercheur is bezig met zijn doel,..
niemand doet iets verkeerd maar doelstellingen lopen elkaar tegen dus heb
je iemand nodig die de 2 overstijgt en die beslissing kan maken
Elke functie heeft zijn eigen tunnel dus iemand nodig die globaal beeld in de
gaten houdt
o Uniformiteit, gelijke behandeling
Uniformiteit is zeer belangrijk; je wil dat je als burger overal op dezelfde
manier wordt behandeld
Wat is beste manier om dit te garanderen? 1 grote baas hebben want bij
decentralisatie waar iedreen eigen ding doet, gaat ene wijk heel streng
worden aangepakt en andere wijk heel mild