Inhoud boek en aanvullende informatie van VAC’s
Openingscollege ............................................................................................................................ 1
Hoofdstuk 5: verstandelijke beperkingen (mash) blz. 78-115 .............................................................. 4
Hoofdstuk 6: autismespectrumstoornis (mash) blz. 116-154 .............................................................. 8
Hoofdstuk 7: Taal- en communicatieproblemen en leerproblemen (Mash) blz. 162-198 ..................... 11
Hoofdstuk 8: aandachtsproblemen en hyperactiviteit (Mash) blz. 199-245 ........................................ 14
Hoofdstuk 9: gedragsproblemen (Mash) blz. 246-296 ....................................................................... 19
Boek: Clinical Development Psychology 2nd custom edition ISBN: 978-1-80503-095-9
Schooljaar: 2024/2025
Openingscollege
In de kinderpsychologie gebruiken we eerder ‘abnormaal’ en ‘normaal’, omdat dit een minder medisch model
is en ontwikkelingsproblemen op deze manier niet meteen beschouwd worden als hardnekkige stoornis. De
problemen liggen op een dimensie van meer of minder aangepast zijn aan een specifieke context
➢ Meer dimensioneel i.p.v. categoraal
➢ Problemen in de ontwikkeling ontstaan meer als een (ongewenste) variatie van de ontwikkeling, maar…
o Er is altijd veel individuele variatie in de ontwikkeling
o Een ontwikkeling is zelden zonder problemen
o Het gaat vaak over dingen als ‘te veel’, ‘te weinig’, of ‘niet leeftijdsadequaat’ > extreme vormen
o Het heeft negatieve gevolgen voor het welzijn, functioneren en verdere ontwikkeling
Equifinality: kinderen met eenzelfde probleem of stoornis (stemmingsproblematiek) hoeven dit niet om
dezelfde redenen gekregen te hebben
➢ Niet dezelfde oorzaak die altijd leidt tot een specifiek probleem
➢ Andere oorzaak betekent ook andere hulp nodig, ook al zelfde stoornis
Multifinality: kinderen hebben dezelfde risicofactoren (verlies van een ouder),
dat zorgt voor verschillende problemen/uitkomsten
➢ Het is altijd nodig om het hele systeem (om het kind heen) te begrijpen,
om te snappen waarom een kind een bepaald probleem heeft
Vaak zijn er meerdere factoren die de ontwikkeling bepalen, met gewenste of
minder gewenste uitkomsten. Kind en omgevingsfactoren beïnvloeden elkaar hierdoor ook
- Factoren kunnen elkaar versterken of juist het risico verhogen
- Maar beschermende factoren kunnen dit risico weer verlagen
o Beschermende kind kenmerken: veerkracht
o Beschermende omgevingsfactoren: positieve en steunende relaties
- Vroege interacties kunnen latere interacties beïnvloeden = cascade
- Door het veranderen van de omgeving (kind halen uit een slechte omgeving) zal het kind meer baat
hebben dan wanneer je ze apart gaat aanspreken > omgeving heeft grote invloed
Genetische factoren voor hoger risico op een stoornis heeft vaak niet meteen een grote
invloed. Vaak verhogen genetische factoren pas het risico wanneer er andere factoren
(zoals zware mishandeling) invloed gaan hebben > genetische aanleg zegt dus niet alles
,Ontwikkelingsproblemen ontstaan vaak tijdens bepaalde transities (gaan lopen, pubertijd ingaan etc.) >
kenmerken van zulke problemen kunnen daarom vaak leeftijdsspecifiek zijn
- Jongens en meisjes verschillen in hun kans op het ontstaan van bepaalde problematiek
o Externaliserende problematiek en vroege neurodevelopmental problemen
(breinontwikkelingsproblemen) komen vaker voor bij jongens dan meisjes
o Internaliserende problematiek komt vaker voor bij meisjes, vooral adolescentie
- Sommige kenmerken kunnen pas ontstaan op latere leeftijd, doordat kinderen op latere leeftijd pas
bepaalde cognitieve vaardigheden of capaciteiten leren/krijgen
- Kinderen kunnen problematiek anders uiten wanneer ze jonger zijn
Diagnostiek gaat vooral om het hele proces van de intake tot en met de behandeling (en dus niet per se het
vaststellen van een stoornis). Daarbij is er belang bij preventie door een gezonde ontwikkeling te ondersteunen
➢ Hierbij is het belangrijk om goede vragen te stellen en je keuzes, conclusies en afwegingen goed te
onderbouwen daarbij > diagnostiek is besliskunde
Diagnostische cyclus
Aanmelding / intakegesprek:
Wat is er anders bij een intake met een kind
dan met volwassenen?
- Ethiek: kind is meestal niet zelf
aanmelder
- Meerdere informanten (ouders,
docenten)
- Kind kan nog niet goed praten over
problemen
- Kind niet altijd zelf gemotiveerd voor
hulp
- Leeftijdsspecifieke uitingen
- Andere betrokken instanties (voogden, kinderbescherming)
Rechtsposities:
- Jonger dan 12: beide ouders (ook bij gescheiden) hebben zeggenschap
- 12-16 jaar: ouders, maar ook de adolescent
- 16-18 jaar: adolescenten heeft zeggenschap en als diens wil, ook de ouders
>> er is wel altijd een informatieplicht van beide ouders & je moet ALTIJD toestemming vragen aan de ouders
wanneer je informatie wil opvragen
Klachtanalyse: MEER SUBJECTIEVE OPVATTINGEN
Door gerichte vragen kan je de klachten en hulpvragen van alle betrokkenen expliciet maken, a.d.h.v. concrete
voorbeelden en specifiek gedrag in specifieke situaties
➢ Altijd controleren of je een juiste vertaalslag maakt (samenvatten/parafraseren)
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD): wat heeft een kind NODIG? i.p.v. wat HEEFT het kind?
- Interventiegericht
- Benutten van positieve elementen van de client > in welke contexten gewenst gedrag?
- Samen met het kind, ouders en leerkrachten = het hele cliëntsysteem
- Transactioneel perspectief: kind -en omgevingskenmerken zijn constant in interactie met elkaar,
waardoor je naar alle perspectieven in interactie moet kijken
- Systematisch en transparant
Kenmerken van HGD: (dikgedrukt = vooral handelsgericht en belangrijk van HGD)
- Persoonsgegevens
- Reden voor aanmelding > aanleiding? Incident? problemen?
- Klachten expliciteren (gedrag in context) > voorbeelden om te concretiseren
- Positieve aspecten > wat gaat er wél goed met het kind? > voor bewustwording, balans
, - Wensen en verwachtingen van alle betrokkenen > vanaf begin duidelijk aangeven wat mogelijk is
- Attributies over de oorzaak = wat denkt de client zelf wat er aan de hand is?
- Relevante voorgeschiedenis (ingrijpende gebeurtenissen) en genomen maatregelen
- Hulpvragen > waar willen ze een oplossing voor?
- Wat is er al gedaan en wat heeft het opgeleverd? > wat werkt en wat werkt niet?
- Niet onderschatten van slecht zien of gehoor van kind wat problemen kan opleveren
>> Algemene probleemvragenlijsten (ASEBA) worden vaak ook ingezet bij de klachtanalyse
Probleemanalyse: DE SUBJECTIEVE BELEVINGEN OBJECTIVEREN
In deze analyse ga je de klachten van de cliënt vertalen naar professionele beschrijvingen van de problematiek.
Deze ga je clusteren in bepaalde probleemgebieden
1. Clusteren van problemen (bijv. impulsiviteit) > om info te reduceren en overzicht te creëren
2. Ernsttaxatie > hoe erg zijn deze probleemclusters? Kans op erger worden?
3. Onderkennende hypotheses opstellen en toetsen bij ernstige problemen
4. Eventuele DSM5-TR classificaties
Bij clusteren is er een nul-ordening, waarbij er verbinding is met ontwikkelingspsychologie kennis EN kennis
over factoren die een rol spelen bij het ontstaan van (clusters van) probleemgedrag
Clusters moeten bestaan uit WAARNEEMBAAR gedrag, dus geen cognities die kinderen hebben, want die
kan je niet waarnemen en zijn vaak de mogelijke verklaringen voor het gedrag.
Daarbij moeten clusters gaan over het gedrag van de client zelf > gepest worden hoort daar dus niet bij,
doordat dit meer een omgevingsfactor is en niet bij de client ZELF hoort.
➢ Clusters moeten researchable zijn: de cluster ‘ontwikkelingsproblemen’ is niet specifiek genoeg
In de ASEBA-vragenlijsten worden een aantal clusters van probleemgedrag gemaakt. Op basis van onderzoek
in grote populaties is hiervoor een normering gemaakt, om te checken of een bepaalde score op de ASEBA
uitzonderlijk is per leeftijd en sekse > In clustering informatie van normen benoemen, wanneer boven de norm
➢ In zetten als info niet volledig is of bij vertekening van waarneming
o Ook om info van diverse informanten te verzamelen en verschillen onderzoeken
➢ 2 clusters: brede band (externaliserend/internaliserend) & smalle band (specifiek: angst, agressie)
➢ Ook clusters gemaakt die verwijzen naar mogelijke DSM-classificaties, maar dat niet bewijzen
➢ Scores van 0 (niet) tot 2 (helemaal) > cut-off punten bepaald > vanaf 98e p. = klinisch, subklinisch >95e p
Criteria ernsttaxatie volgens Rutter:
- Is het probleem bij de leeftijd passend?
- Mate van frequentie en duur gedrag
- Hardnekkigheid > wat is er geprobeerd om het probleem en gedrag te verminderen
- Verstoring van functioneren? Is het nog een probleem als een kind er geen last van heeft?
o Sociale beperkingen
o Schoolprestaties
o Belemmering/verstoringen in de ontwikkeling
- Situatie gebonden of algemeen probleem?
- Pas het bij de socioculturele achtergrond?
- Is het op zichzelf staand of een reactie op een gebeurtenis?
- Voor wie is het een probleem? Wie geeft de psychosociale stress?
o Kind, Gezin, Maatschappij
- Gedrag specifiek voor bepaalde stoornis (en geen onderdeel van normale ontwikkeling?)
o Bijv. wanen of stereotype gedragingen
>> De ASEBA vragenlijsten geven ook normen voor ernstindicatie > boven bepaalde score voor deze leeftijd
en deze sekse = het niet passend bij de leeftijd
Onderkennende hypotheses a.d.h.v. probleemclusters = meer classificeren
1. Hypotheses opstellen > welke DSM5 stoornis beschrijft de problematiek het best?
2. Indicaties en contra-indicaties (gaat tegen je hypothese) uit de intake
o indicaties die passen bij die DSM5 omschrijving en die NIET passen (= contra)
3. Welke informatie heb je nog nodig om te toetsen?
, o Alle criteria in de DSM5
o Baseer je zelf nooit op 1 instrument of op informatie van 1 informant
o Multi-method, multi-informant + gedegen weging van informatie (kijk CONAN)
4. Alle criteria toetsen
o Vooraf duidelijk zijn wat je wil toetsen
>> je gaat je onderzoekshypothesen met heldere toetsingscriteria toetsen > wanneer aannemen hypothese?
De DSM5 is nuttig voor overeenstemming creëren, bruikbaarheid in de klinische praktijk en onderzoek
- Voor K&J is er soms beperkte interbeoordelaars betrouwbaarheid
- Nog te weinig gericht op de K&J periode > beperkte beschrijving uitingsvormen per leeftijd
- Het is te categorisch (wel/niet) > wat doe je als een kind ‘net niet’ voldoet aan de criteria?
Je wilt juist de probleemclusters verklaren i.p.v. de stoornis, doordat:
- Ook al voldoe je niet aan een DSM5-stoornis, kan je alsnog problemen ervaren
- Niet elk kind heeft zelfde oorzaken voor hun probleem
Hoofdstuk 5: verstandelijke beperkingen (mash) blz. 78-115
In 2022 was de term verstandelijke beperking aangepast in de DSM5-TR, om zo meer aan te sluiten aan de
definitie van de WHO. Ook zijn er veel aanpassingen in termen, waarbij termen zoals ‘retardatie’ niet meer
mogen, om stigmatisering te voorkomen. Daarbij moet er hedendaags gekeken worden naar drie aspecten
om te diagnosticeren of een mens een verstandelijke beperking heeft:
1. IQ-scores, twee standaarddeviaties onder het gemiddelde wordt beschouwd als verstandelijk beperkt
2. Significante limitaties in adaptief functioneren
3. Onset (begin klachten) onder de 18 jaar
Een verstandelijke beperking wordt geclassificeerd als een neurodevelopmental disorder, wat stoornissen
zijn die vóór je 18e al aanwezig zijn en veel sociale, persoonlijke en werk/school problemen veroorzaken
➢ Gekarakteriseerd door limitaties in mentale vaardigheden > plannen, oordelen, redeneren
Evolutionary degeneracy theory was een fenomeen uit de 19e eeuw, die een mogelijke verklaring gaf over
kinderen met verstandelijke beperkingen > geïntroduceerd door onderzoeker Down
➢ Ouders in een bepaalde etnische groep krijgen eerder kinderen met verstandelijke beperking
In 1910 werd de ‘eugenics movement’ populair. Hierdoor veranderde het individuele belang van de beperking
naar een meer sociaal belang: de maatschappij. Individuen met verstandelijke beperking kregen nu de schuld
voor maatschappelijke problemen. Termen als ‘moron’ ontstonden, doordat ze volgens het volk geen moraal
hadden. Ze werden gezien als een threat to society.
Binet en Simon hebben de eerste intelligentie testen ontwikkeld die oordelen en redenering testte bij kinderen.
Dit instrument heeft veel revisies gekregen en wordt nu de Stanford-Binet scale genoemd, wat nog steeds een
veelgebruikt instrument om intelligentie te testen is
General intellectual functioning: een intelligentie maat (IQ) die gebaseerd is op de assesment van meerdere
intelligentietesten > deze testen meten de verbale en visueel-spatiale vaardigheden
➢ Een IQ van ongeveer 70 (2SD onder gemiddelde) wordt gezien als een verstandelijke beperking
Adaptive functioning: hoe effectief individuen (gegeven hun leeftijd en ontwikkelingsfase) kunnen omgaan
met gewone levenszaken en hoe goed ze kunnen adapteren tot hun omgeving
➢ Conceptuele vaardigheden: geld, lezen, schrijven, expressieve taal
➢ Sociale vaardigheden: interpersoonlijk, regels navolgen, zelfvertrouwen, verantwoordelijkheid
➢ Praktische adaptie vaardigheden: eten, omkleden, telefoongebruik, schoonmaken
>> sommige mensen met laag IQ kunnen goed adapteren op hun omgeving, waardoor ze niet meer behoren tot
een verstandelijke beperking
➢ Iemand kan alsnog een verstandelijke beperking hebben wanneer diegene het bijvoorbeeld op
academisch niveau wel goed doet, maar op sociaal, praktisch of conceptueel gebied minder
, Het IQ zal weinig veranderen (relatief tot leeftijden), ook bij lage IQ. Wel kunnen goede omgevingsfactoren
ervoor zorgen dat het IQ tot zijn volledige potentie kan stijgen > vooral tijdens de vroege kindertijd
➢ Voor sommigen kan IQ veranderen met 10-20 punten tussen kindertijd en adolescentie, maar vooral bij
kinderen die opgroeien in een gezonde, veilige en vertrouwde omgeving
➢ Flynn-effect: IQ-scores blijven omhooggaan over generaties heen (3 punten per decennia)
o Door betere leefomstandigheden, scholing, voeding, medici en stimulerende omgevingen
o De exacte oorzaak van dit effect blijkt onbekend
➢ Er zijn ook verschillen tussen etniciteiten: gemiddelde IQ voor zwarte mensen is 1SD lager dan die van
witte mensen > komt waarschijnlijk door economische en sociale oneerlijkheden bij minderheidsgroep
o Geadopteerde zwarte kinderen met rijke ouders (en goede omgeving) behalen ongeveer zelfde
IQ als een wit kind in zelfde omgeving > ligt dus vaak niet aan etniciteit maar omgeving
o In achterstandswijken waar vooral minderheidsgroepen zijn, zijn ook slechtere scholen
Verstandelijke beperkingen hebben de grootste variatie in cognitieve en gedragsvaardigheden van alle
kinderlijke stoornissen > sommige kinderen doen het prima in school, terwijl anderen veel last ervaren van hun
fysieke en cognitieve limitaties.
➢ Veel kinderen hebben problemen met effectief communiceren, taal en probleemoplossend vermogen
DSM5-TR criteria voor verstandelijke beperking (IDD):
A. Verminderingen in intelligentievaardigheden, zoals oordelen, probleem oplossen, planning etc.
B. Verminderingen in adaptief functioneren, met als resultaat falen in hebben van standaard sociaal-
culturele -en ontwikkelingsnormen en sociale verantwoordelijkheid
o Een persoon moet dus ook limitaties hebben op min. 1 gebied: communiceren, self-care,
sociale/interpersoonlijke vaardigheden en academische/werk vaardigheden
o Clinici moeten de omgeving en cultuur meenemen bij diagnosticeren, doordat de
omgevingscontext belangrijk is in of iemand een bepaalde taak kan doen
C. Onset van de beperking is tijdens de ontwikkelingsperiode (voor 18e jaar)
o Door deze criteria toe te voegen, neem je mensen met vroege onset Alzheimer uit de kwestie
o Door deze criteria wordt er benadrukt dat de stoornis aanwezig is tijdens de kindertijd
Typen verstandelijke beperkingen:
- Milde IDD (LVB): grootste groep > ongeveer 85% van alle mensen met IDD
o Kleine haperingen in ontwikkeling tijdens peutertijd, maar worden pas opgemerkt tijdens
academische prestaties op de basisschool (tijdens tienerjaren prestaties van groep 8’er)
o Problemen met sociale cues, reguleren leeftijd gepaste humor, inzien van risico’s
o Hebben soms support of hulp nodig, vooral als ze opgroeien in slechte omgevingen
- Moderate IDD: 10%
o Vaak geïdentificeerd tijdens basisschool. Kinderen die in de kleuterklas komen communiceren
vaak met een paar woorden en hebben motorische en self-care vaardigheden van een 2-jarige
o Veel mensen met Downsyndroom functioneren op dit niveau
o Vaak veel hulp nodig in sociale en taalvaardigheden > academisch niveau van basisschool
o Mensen hebben moeite met gepaste humor of kleding
- Severe IDD: 4%
o Meesten hebben genetische afwijkingen en worden al op jonge leeftijd geïdentificeerd doordat
ze enorme ontwikkelingsachterstanden en fysieke afwijkingen (ook intern) hebben
o Basis self-care vaardigheden worden pas geleerd bij 9 jaar, academische prestaties bij 15 jaar
vergelijkbaar van een 4-jarige
o veel hulp nodig van familie of tehuizen
- Profound IDD: 2%
o Geïdentificeerd tijdens babytijd door gezichtsafwijkingen en ontwikkelingsachterstanden
o Hebben levenslange hulp nodig en lijden vaak aan medische condities (hartfalen, epilepsie)
o Non-verbale teken dat ze iets willen, weinig/geen begrip van taal
Prevalentie IDD:
- 1-3% van de normale bevolking lijdt aan een IDD, waarvan mannen het vaker hebben (1.6:1)
- IDD komt vaker voor bij kinderen met een lagere SES en bij kinderen met andere etniciteiten
o Door lagere kwaliteit onderwijs, minder stimulerende omgevingen en racisme/discriminatie