Tentamenstof psychopathologie
Week 1:
- Artikel Stein et al t/m pagina 400
- H7
- H9
Week 2:
- H11
- H14
- Artikel Borsboom
Week 3:
- H8
- H10 (alleen depressie)
- H3
Week 4: donderdag 27 februari deeltentamen 1!!!
Week 5:
- H6
- H16
Week 6: dinsdag 11 maart presentatie werkgroep!!!
- H4
- H10 (bipolaire stoornis)
Week 7:
- H5
- H12
- H13
- H17
Week 8:
- H15
- Artikel Lai Baron Cohen
Week 9:
- H19
- H20
, Week 1
Hoofdstuk 7: cognitieve gedragstherapie
7.1: theoretisch kader
7.1.1: gedragstherapie
Eysenck: ongewenst gedrag is aangeleerd. Onderscheid tussen:
- Klassieke conditionering; stimulus-respons/stimulus-stimulus leren
o Prikkels die in eerste instantie niks met elkaar te maken hebben
worden met elkaar in verband gebracht.
- Operante conditionering; leren door gevolgen van gedrag
o Gedrag heeft bepaalde consequenties die de kans vergroten dat het
gedrag in de toekomst opnieuw zal optreden of juist nagelaten
wordt.
o Bekrachtiger: vergroot de kans dat dezelfde reactie in de toekomst
weer zal optreden
o Bestraffer: verkleint de kans dat dezelfde reactie in de toekomst
weer zal optreden
Aangeleerd gedrag kun je ook weer afleren
- Klassieke conditionering; herhaaldelijk de geconditioneerde stimulus
aanbieden zonder dat geconditioneerde respons daarop volgt (=
extinctie)
- Operante conditionering; gewenst gedrag bekrachtigen en ongewenst
gedrag uit doven of bestraffen
7.1.2: de cognitieve theorie
Er was kritiek op de gedragstherapie; het buiten beschouwing laten van mentale
processen zoals gedachten, opvattingen en interpretaties cognitieve
revolutie; cognitieve benadering gaat ervan uit dat gedachten een cruciale rol
spelen in het samenspel van cognitieve, gedragsmatige, fysiologische en
omgevingsfactoren die geassocieerd zijn met psychopathologie
Beck; psychisch lijden ontstaat niet door de dingen die iemand meemaakt, maar
door de manier waarop iemand over deze dingen denkt. (4 niveaus)
1. Basisschema’s: fundamentele opvattingen die iemand heeft over
zichzelf, de wereld en de toekomst. Vaak impliciet.
2. Conditionele assumpties: veronderstellingen over oorzaak-
gevolgrelaties.
3. Strategische ideeën: opvattingen die mensen hebben over hoe ze
gevaren het beste het goof kunnen bieden en goede dingen kunnen
bereiken.
4. Automatische gedachten: de gedachten die meer bewust door iemands
hoofd gaan. Automatische gedachten worden gestuurd door de
basisschema’s via de tussenliggende niveaus van cognities.
Psychopathologie ontstaat en wordt in stand gehouden door problemen in
de informatieverwerking. Bepaalde basisschema’s zijn hyperactief
geworden en domineren de informatieverwerking. Hierdoor vertekeningen
in de interpretatie.
Hypervalentie manifesteert zich via de basisschema’s. automatische
gedachten zijn dus niet de oorzaak van emotioneel welzijn, maar een
product van de onderliggende schema’s.
, Cognitieve therapie wilt de hypervalentie van de basisschema’s veranderen.
Moeilijk, want informatieverwerking bij langbestaande schema’s al zo
geautomatiseerd, dat men alleen nog maar aandacht heeft voor informatie die
het schema bevestigt en niet meer stilstaan bij het feit dat er ook informatie
bestaat die niet strookt met hem schema (= confirmation bias). Het gaat bij
cognitieve therapie om; hot cognitions = opvattingen die nauw verbonden zijn
met negatieve gevoelens en disfunctionele gedragingen.
7.1.3; het samenspel van gebeurtenissen, gevoelens, gedachten en
gedrag
Cognitieve gedragstherapie: integratie van beide stromingen.
- Benadrukt het samenspel van gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en
gedrag (4 G’s)
7.2: basisprincipes van cognitieve gedragstherapie
7.2.1; CGT is probleemgeoriënteerd en legt de nadruk op het heden
CGT is een klachtgerichte behandeling gericht op het hier en nu. De behandeling
zoekt naar manieren om de huidige situatie te verbeteren. Richt zich op het
heden in plaats van verleden.
7.2.2; CGT is kortdurend en afgebakend
Het is de bedoeling dat CGT van korte duur is.
7.2.3; CGT benadrukt samenwerking tussen cliënt en therapeut
Therapeut en cliënt werken nauw samen om tot verbetering van klachten te
komen. Therapeut sluit zo direct en concreet mogelijk aan bij de problemen en
behoeften van de cliënt. Goede balans tussen autonomie en structuur en tussen
empathie en distantie.
7.2.4; CGT vraagt een actieve houding
Actieve houding van zowel therapeut als cliënt. Naast sessies ook
huiswerkopdrachten voor thuis.
7.2.5; CGT sessies zijn gestructureerd
Elke sessie heeft een vaste structuur; update korte terugblik vorige sessie
agenda opstellen huiswerk en agendapunten besproken nieuw huiswerk
afgesproken samenvatting en feedback. (accenten van behandeling hangen af
van de stoornis van de cliënt)
CGT is niet ‘one size fits all’. Veel variatie in de praktijk.
7.2.6; CGT ziet registratie als essentieel onderdeel van de behandeling
Registratie: het maken van aantekeningen, bijhouden van gedachten en
gedrag, kritisch bekijken van cognities.
Coping cards: kleine kaartjes waarop de cliënt conclusies van de therapie kan
noteren.
- Belangrijke inzichten in patronen van denken en doen
- Zaken worden beter in het geheugen opgeslagen wanneer ze worden
opgeschreven
- Draagt bij aan het automatiseren van geleerde technieken
Week 1:
- Artikel Stein et al t/m pagina 400
- H7
- H9
Week 2:
- H11
- H14
- Artikel Borsboom
Week 3:
- H8
- H10 (alleen depressie)
- H3
Week 4: donderdag 27 februari deeltentamen 1!!!
Week 5:
- H6
- H16
Week 6: dinsdag 11 maart presentatie werkgroep!!!
- H4
- H10 (bipolaire stoornis)
Week 7:
- H5
- H12
- H13
- H17
Week 8:
- H15
- Artikel Lai Baron Cohen
Week 9:
- H19
- H20
, Week 1
Hoofdstuk 7: cognitieve gedragstherapie
7.1: theoretisch kader
7.1.1: gedragstherapie
Eysenck: ongewenst gedrag is aangeleerd. Onderscheid tussen:
- Klassieke conditionering; stimulus-respons/stimulus-stimulus leren
o Prikkels die in eerste instantie niks met elkaar te maken hebben
worden met elkaar in verband gebracht.
- Operante conditionering; leren door gevolgen van gedrag
o Gedrag heeft bepaalde consequenties die de kans vergroten dat het
gedrag in de toekomst opnieuw zal optreden of juist nagelaten
wordt.
o Bekrachtiger: vergroot de kans dat dezelfde reactie in de toekomst
weer zal optreden
o Bestraffer: verkleint de kans dat dezelfde reactie in de toekomst
weer zal optreden
Aangeleerd gedrag kun je ook weer afleren
- Klassieke conditionering; herhaaldelijk de geconditioneerde stimulus
aanbieden zonder dat geconditioneerde respons daarop volgt (=
extinctie)
- Operante conditionering; gewenst gedrag bekrachtigen en ongewenst
gedrag uit doven of bestraffen
7.1.2: de cognitieve theorie
Er was kritiek op de gedragstherapie; het buiten beschouwing laten van mentale
processen zoals gedachten, opvattingen en interpretaties cognitieve
revolutie; cognitieve benadering gaat ervan uit dat gedachten een cruciale rol
spelen in het samenspel van cognitieve, gedragsmatige, fysiologische en
omgevingsfactoren die geassocieerd zijn met psychopathologie
Beck; psychisch lijden ontstaat niet door de dingen die iemand meemaakt, maar
door de manier waarop iemand over deze dingen denkt. (4 niveaus)
1. Basisschema’s: fundamentele opvattingen die iemand heeft over
zichzelf, de wereld en de toekomst. Vaak impliciet.
2. Conditionele assumpties: veronderstellingen over oorzaak-
gevolgrelaties.
3. Strategische ideeën: opvattingen die mensen hebben over hoe ze
gevaren het beste het goof kunnen bieden en goede dingen kunnen
bereiken.
4. Automatische gedachten: de gedachten die meer bewust door iemands
hoofd gaan. Automatische gedachten worden gestuurd door de
basisschema’s via de tussenliggende niveaus van cognities.
Psychopathologie ontstaat en wordt in stand gehouden door problemen in
de informatieverwerking. Bepaalde basisschema’s zijn hyperactief
geworden en domineren de informatieverwerking. Hierdoor vertekeningen
in de interpretatie.
Hypervalentie manifesteert zich via de basisschema’s. automatische
gedachten zijn dus niet de oorzaak van emotioneel welzijn, maar een
product van de onderliggende schema’s.
, Cognitieve therapie wilt de hypervalentie van de basisschema’s veranderen.
Moeilijk, want informatieverwerking bij langbestaande schema’s al zo
geautomatiseerd, dat men alleen nog maar aandacht heeft voor informatie die
het schema bevestigt en niet meer stilstaan bij het feit dat er ook informatie
bestaat die niet strookt met hem schema (= confirmation bias). Het gaat bij
cognitieve therapie om; hot cognitions = opvattingen die nauw verbonden zijn
met negatieve gevoelens en disfunctionele gedragingen.
7.1.3; het samenspel van gebeurtenissen, gevoelens, gedachten en
gedrag
Cognitieve gedragstherapie: integratie van beide stromingen.
- Benadrukt het samenspel van gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en
gedrag (4 G’s)
7.2: basisprincipes van cognitieve gedragstherapie
7.2.1; CGT is probleemgeoriënteerd en legt de nadruk op het heden
CGT is een klachtgerichte behandeling gericht op het hier en nu. De behandeling
zoekt naar manieren om de huidige situatie te verbeteren. Richt zich op het
heden in plaats van verleden.
7.2.2; CGT is kortdurend en afgebakend
Het is de bedoeling dat CGT van korte duur is.
7.2.3; CGT benadrukt samenwerking tussen cliënt en therapeut
Therapeut en cliënt werken nauw samen om tot verbetering van klachten te
komen. Therapeut sluit zo direct en concreet mogelijk aan bij de problemen en
behoeften van de cliënt. Goede balans tussen autonomie en structuur en tussen
empathie en distantie.
7.2.4; CGT vraagt een actieve houding
Actieve houding van zowel therapeut als cliënt. Naast sessies ook
huiswerkopdrachten voor thuis.
7.2.5; CGT sessies zijn gestructureerd
Elke sessie heeft een vaste structuur; update korte terugblik vorige sessie
agenda opstellen huiswerk en agendapunten besproken nieuw huiswerk
afgesproken samenvatting en feedback. (accenten van behandeling hangen af
van de stoornis van de cliënt)
CGT is niet ‘one size fits all’. Veel variatie in de praktijk.
7.2.6; CGT ziet registratie als essentieel onderdeel van de behandeling
Registratie: het maken van aantekeningen, bijhouden van gedachten en
gedrag, kritisch bekijken van cognities.
Coping cards: kleine kaartjes waarop de cliënt conclusies van de therapie kan
noteren.
- Belangrijke inzichten in patronen van denken en doen
- Zaken worden beter in het geheugen opgeslagen wanneer ze worden
opgeschreven
- Draagt bij aan het automatiseren van geleerde technieken