Bijlage 1: Welvaartsmodellen
Bijlage 2: Herman Deleeck: verschillende types van welvaartsstaten
,Praktisch erkend men in de Europese Unie vier soorten:
1. Angelsaksische landen
2. Continentaal Europa
3. Scandinavische landen
4. Zuid-Europa
Globaal bekeken komen er drie criteria respectievelijke indicatoren in aanmerking:
- Formele rechten en instellingen
- Aangewende middelen: sociale uitgaven in % van het BBP = welfare effort
- Behaalde resultaten: welfare result
Zeer recent werd een nieuwe norm voorgesteld: de decommodification-index.
Typologie van Titmuss met drie modellen van sociaal beleid (1974):
- Residuele model: overheid komt enkel tussen als private markt en gezin
tekortschieten, steunt op bijstandsbeginsel: Angelsaksische landen
- Industrieel model: welvaartstaat sterk geïntegreerd in economie en sociale
rechten o.b.v. verdienste, arbeidsprestatie en productiviteit, steunt op
equivalentiebeginsel: C-EU landen
- Institutioneel herverdelend model: universele voorzieningen, los van markt en
sociale noden: Scandinavische landen
Gösta Esping-Andersen (Deen): “The Three Worlds of Welfare Capitalism” (1990):
centraal in zijn werk: begrip “decommodificatie”: meet de graad van perfectie
verwezenlijkt door bepaalde welvaartstaat = mate waarin in een kapitalistische staat
de burgers onafhankelijk gemaakt worden van hun positie op de markt, de
arbeidsmarkt in het bijzonder: waarborgen sociale rechten of inkomens, los van een
band met arbeid = er wordt afgestapt van traditionele evaluatie- criteria:
decommodificatie-index = puntenstelsel ter beoordeling
socialezekerheidsuitkeringen, al dan niet arbeidsgebonden.
Binnen het geheel van de kapitalistische welvaarsstaten onderscheidt Esping-
Andersen drie types of clusters, aan de hand van drie criteria:
1. De rol van de bestaanszekerheidsbediende instellingen: staat, markt of gezin
2. Het behoud of de verdwijning van sociale stratificaties en ongelijkheden
3. De graad van decommodificatie: de mogelijkheid om een behoorlijke
welvaartsstandaard aan te houden onafhankelijk van de deelname aan het
marktgebeuren
Cluster 1: Liberale welvaartsstaat (Angelsaksische landen):
- De markt is dominant
- De welvaartsvoorzieningen zijn een van bijkomende aard, vaak na onderzoek
van bestaansmiddelen
- Ze gaan niet in tegen de bestaande sociale stratificatie
- Privé-verzekeringsstelsel spelen een grote rol
- Arbeidsmarktproblemen worden opgelost door de schepping van aantal
laagbetaalde jobs
- De rol van de sociale partners in besluitvorming en uitvoering is uiterst
beperkt
Cluster 2: Conservatief-corporatistische type (Europees continent):
- Socialezekerheid-syteem per beroepscategorie (aansluitend op
arbeidsmarktpositie)
- Daardoor blijven de sociale verschillen tussen beroepen en gezinstoestanden
bestaan
, - Ideologisch vinden deze regimes hun wortels in de katholieke sociale leer en
bij de zogenaamde kathedersocialisten, en steunen zij op het
arbeidssyndicalisme
- Het sociaal beleid steunt op overleg, waarbij de sociale partners institutioneel
worden betrokken
Cluster 3: Sociaaldemocratisch type (scandinavische landen):
- Universele sociale voorzieningen en hoge mate van decommodificatie
(inkomensbescherming en actief beleid)
- Welvaartsstaat = werkgever (garantie volledige werkgelegendheid) en in
laatste instantie uitkeringsverstrekker
- Hoge individuele uitkeringsrechten, gericht op alle burgers
- Gefinancierd met algemene belastingsgelden, financiële duurzaamheid
veronderstelt dat omvang behoeften zo klein mogelijk wordt gehouden: kan
enkel als velen werken
- Universele en hoge (niet-loongebonden) uitkeringen leiden tot vlakkere
inkomstenverdeling
- Sociaaldemocratische ideologie
De rangorde van demodificatiescores, berekend op 18 landen op grond van gegevens
voor 1980, bevestigen de conceptuele hypothese dat welvaartsstaatregimes een
drie-tal clusters vormen en dat deze clusters sterk verschilellende mate van
decommodificatie kennen.
- Zweden, Noorwegen en Denemarken (Scandinavische landen) halen de
hoogste scores
- Alle Angelsaksische landen bevinden zich beneden
- Nederland, België en Oostenrijk halen een hoge decommificatiescore
(Europees)
Deze constructie bracht ook een hele reeks kritische reflecties op gang.
1. Belangrijk is de kritiek op de samenstelling van de decommodificatie-index als
criterium van rangschikking en onderscheid.
- Men kan aanvoeren dat dit criterium te eenzijdig vanuit de Scandinaafse
opvatting van de welvaartstaat tot algemeen geldend criterium verheven
heeft
o Historisch en kwantitatief is de Scandinaafse versie te beperkt om als
dominant of normatief model gesteld te kunnen worden
2. Ook de mate van het inkomensgelijkheid effectief is bereikt door herverdeling, of
de mate van armoede-uit-banning, respectievelijk minimum-inkomenswaarborging.
3. Door een bijna uitsluitende gerichtheid op Angelsaksische literatuur enerzijds, en
op het optimaal geachte Scandinavische model anderzijds worden de eigen logica en
de bereikte prestaties van het zogenaamd conservatief-corporatisch model
ondergewaardeerd.
Aan de classificaties werd nog een rudimentair model toegevoegd dat betrekking
heeft op de zogenaamde Latin-rim-landen (Griekenland, Spanje, Italië en Portugal),
omdat de driedeling geen recht doet aan het socialezekerheidsstelsel van de Zuid-
Europese landen.
- De rudimentaire verzorgingsstaat is beperkt van opzet en is een mengsel van
Bismarckiaanse proportionele vervangingsinkomen en beveridgiaanse
regelingen
- Er ontbreekt een algemeen gewaarborgd recht op bijstand
Een bijzondere melding binnen de reeks van het internationaal vergelijkend
onderzoek. (Mitchell) Zij vergelijkt de prestaties van deze landen niet op grond van
de welfare effort, maar van de welfare outcome of welvare result.
, Het empirische internationaal comparatief onderzoek heeft onze feitelijke kennis van
de
welvaartstaat verfijnd, en vooral, de horizon verbreed.
Vanuit methodologisch standpunt moet evenwel benadrukt worden dat een typologie
nooit volledig afgeleid kan worden uit of overeenstemmen met de empirie.
Types of modellen zichten zich precies naar wat als het hoofdzakelijke beschouwd
wordt, met weglating van afwijkende of tegenstrijdige vaststellingen.
De welvaart heeft in de onderscheiden Europese landen een zeer eigen nationale
invulling gekregen.
- Dit houdt verband met de nationaal-culturele eigenheid van deze landen
- Met de historische wortels van de welvaarstaat
Bijlage 2: Herman Deleeck: verschillende types van welvaartsstaten
,Praktisch erkend men in de Europese Unie vier soorten:
1. Angelsaksische landen
2. Continentaal Europa
3. Scandinavische landen
4. Zuid-Europa
Globaal bekeken komen er drie criteria respectievelijke indicatoren in aanmerking:
- Formele rechten en instellingen
- Aangewende middelen: sociale uitgaven in % van het BBP = welfare effort
- Behaalde resultaten: welfare result
Zeer recent werd een nieuwe norm voorgesteld: de decommodification-index.
Typologie van Titmuss met drie modellen van sociaal beleid (1974):
- Residuele model: overheid komt enkel tussen als private markt en gezin
tekortschieten, steunt op bijstandsbeginsel: Angelsaksische landen
- Industrieel model: welvaartstaat sterk geïntegreerd in economie en sociale
rechten o.b.v. verdienste, arbeidsprestatie en productiviteit, steunt op
equivalentiebeginsel: C-EU landen
- Institutioneel herverdelend model: universele voorzieningen, los van markt en
sociale noden: Scandinavische landen
Gösta Esping-Andersen (Deen): “The Three Worlds of Welfare Capitalism” (1990):
centraal in zijn werk: begrip “decommodificatie”: meet de graad van perfectie
verwezenlijkt door bepaalde welvaartstaat = mate waarin in een kapitalistische staat
de burgers onafhankelijk gemaakt worden van hun positie op de markt, de
arbeidsmarkt in het bijzonder: waarborgen sociale rechten of inkomens, los van een
band met arbeid = er wordt afgestapt van traditionele evaluatie- criteria:
decommodificatie-index = puntenstelsel ter beoordeling
socialezekerheidsuitkeringen, al dan niet arbeidsgebonden.
Binnen het geheel van de kapitalistische welvaarsstaten onderscheidt Esping-
Andersen drie types of clusters, aan de hand van drie criteria:
1. De rol van de bestaanszekerheidsbediende instellingen: staat, markt of gezin
2. Het behoud of de verdwijning van sociale stratificaties en ongelijkheden
3. De graad van decommodificatie: de mogelijkheid om een behoorlijke
welvaartsstandaard aan te houden onafhankelijk van de deelname aan het
marktgebeuren
Cluster 1: Liberale welvaartsstaat (Angelsaksische landen):
- De markt is dominant
- De welvaartsvoorzieningen zijn een van bijkomende aard, vaak na onderzoek
van bestaansmiddelen
- Ze gaan niet in tegen de bestaande sociale stratificatie
- Privé-verzekeringsstelsel spelen een grote rol
- Arbeidsmarktproblemen worden opgelost door de schepping van aantal
laagbetaalde jobs
- De rol van de sociale partners in besluitvorming en uitvoering is uiterst
beperkt
Cluster 2: Conservatief-corporatistische type (Europees continent):
- Socialezekerheid-syteem per beroepscategorie (aansluitend op
arbeidsmarktpositie)
- Daardoor blijven de sociale verschillen tussen beroepen en gezinstoestanden
bestaan
, - Ideologisch vinden deze regimes hun wortels in de katholieke sociale leer en
bij de zogenaamde kathedersocialisten, en steunen zij op het
arbeidssyndicalisme
- Het sociaal beleid steunt op overleg, waarbij de sociale partners institutioneel
worden betrokken
Cluster 3: Sociaaldemocratisch type (scandinavische landen):
- Universele sociale voorzieningen en hoge mate van decommodificatie
(inkomensbescherming en actief beleid)
- Welvaartsstaat = werkgever (garantie volledige werkgelegendheid) en in
laatste instantie uitkeringsverstrekker
- Hoge individuele uitkeringsrechten, gericht op alle burgers
- Gefinancierd met algemene belastingsgelden, financiële duurzaamheid
veronderstelt dat omvang behoeften zo klein mogelijk wordt gehouden: kan
enkel als velen werken
- Universele en hoge (niet-loongebonden) uitkeringen leiden tot vlakkere
inkomstenverdeling
- Sociaaldemocratische ideologie
De rangorde van demodificatiescores, berekend op 18 landen op grond van gegevens
voor 1980, bevestigen de conceptuele hypothese dat welvaartsstaatregimes een
drie-tal clusters vormen en dat deze clusters sterk verschilellende mate van
decommodificatie kennen.
- Zweden, Noorwegen en Denemarken (Scandinavische landen) halen de
hoogste scores
- Alle Angelsaksische landen bevinden zich beneden
- Nederland, België en Oostenrijk halen een hoge decommificatiescore
(Europees)
Deze constructie bracht ook een hele reeks kritische reflecties op gang.
1. Belangrijk is de kritiek op de samenstelling van de decommodificatie-index als
criterium van rangschikking en onderscheid.
- Men kan aanvoeren dat dit criterium te eenzijdig vanuit de Scandinaafse
opvatting van de welvaartstaat tot algemeen geldend criterium verheven
heeft
o Historisch en kwantitatief is de Scandinaafse versie te beperkt om als
dominant of normatief model gesteld te kunnen worden
2. Ook de mate van het inkomensgelijkheid effectief is bereikt door herverdeling, of
de mate van armoede-uit-banning, respectievelijk minimum-inkomenswaarborging.
3. Door een bijna uitsluitende gerichtheid op Angelsaksische literatuur enerzijds, en
op het optimaal geachte Scandinavische model anderzijds worden de eigen logica en
de bereikte prestaties van het zogenaamd conservatief-corporatisch model
ondergewaardeerd.
Aan de classificaties werd nog een rudimentair model toegevoegd dat betrekking
heeft op de zogenaamde Latin-rim-landen (Griekenland, Spanje, Italië en Portugal),
omdat de driedeling geen recht doet aan het socialezekerheidsstelsel van de Zuid-
Europese landen.
- De rudimentaire verzorgingsstaat is beperkt van opzet en is een mengsel van
Bismarckiaanse proportionele vervangingsinkomen en beveridgiaanse
regelingen
- Er ontbreekt een algemeen gewaarborgd recht op bijstand
Een bijzondere melding binnen de reeks van het internationaal vergelijkend
onderzoek. (Mitchell) Zij vergelijkt de prestaties van deze landen niet op grond van
de welfare effort, maar van de welfare outcome of welvare result.
, Het empirische internationaal comparatief onderzoek heeft onze feitelijke kennis van
de
welvaartstaat verfijnd, en vooral, de horizon verbreed.
Vanuit methodologisch standpunt moet evenwel benadrukt worden dat een typologie
nooit volledig afgeleid kan worden uit of overeenstemmen met de empirie.
Types of modellen zichten zich precies naar wat als het hoofdzakelijke beschouwd
wordt, met weglating van afwijkende of tegenstrijdige vaststellingen.
De welvaart heeft in de onderscheiden Europese landen een zeer eigen nationale
invulling gekregen.
- Dit houdt verband met de nationaal-culturele eigenheid van deze landen
- Met de historische wortels van de welvaarstaat