HET LEREN STIMULEREN
HOOFDSTUK 1: LEREN
1. WAT IS LEREN
Doelen: cursus p3.
Verschillen in:
- Gebeurt in verschillende contexten ( plaats)
- Heeft een verschillende aard
- Heeft te maken met verschillende inhouden
- Gaat door gedurende onze volledige ontwikkeling Levenslang leren
1.1vormen van leren
Schools <-> buitenschools:
Te maken met:
1) De plaats waar er geleerd wordt.
2) De aard van het leren en de inhoud van het leerproces.
Schools leren: Doelgericht, gestructureerd en wordt georganiseerd door anderen met
het oog op het bereiken van bepaalde vooropgestelde doelen. De inhoud van het
schoolse leren is vaak een abstracte weergave van de werkelijkheid buiten het klaslokaal.
Buitenschools leren: het leren kan altijd en overal gebeuren en treedt spontaan op.
Volgens Bolhuis klopt dit niet altijd -> werkplekleren vindt plaats in een
authentieke beroepscontext maar kan aangeduid worden als intentioneel en
informeel.
Schools Buitenschools
Formeel Informeel
Intentioneel Incidenteel
1.2 Leertheorieën
1.2.1 een behavioristische visie op leren
“Hoe beïnvloeden externe factoren het leergedrag bij mensen en dieren? “
John Broadus Watson: legde de basis voor het
behaviorisme.
Het onderzoeken van het zintuiglijk, direct en
objectief waarneembaar gedrag van mens en
dier centraal.
Black box benadering: we weten niet wat er
in de doos omgaat.
1
, Mentale leerprocessen worden buiten beschouwing gelaten
Stimulu Lerend Respon
s e s
Stimulus: de prikkel die van buitenaf een invloed heeft op het organisme
Lerende: wat zich binnen in het organisme afspeelt, de mentale leerprocessen tussen
stimulus en respons.
Respons: waarneembare reactie van het organisme op de stimulus.
1.2.2 een cognitivistische visie op leren
Begin jaren 60 van de 20e E -> eerdere opvattingen met betrekking tot het stimulus
responsmodel door leer-en onderwijspsychologen worden verlaten.
Verschillende nieuwe ontwikkelingen -> cognitieve revolutie.
Onderzoeken geven meer inzicht in de processen die zich in het
hoofd van de lerende afspelen (werking van het geheugen,)
Het behavioristisch model voldoet niet meer aan de complexe leer-
en geheugenprocessen.
Er komt interesse in wat er gebeurt in de black-box -> ontstaan een
informatietheoretische bandering waarbij leren gaat over het
verwerken en opslaan van informatie
Computermodel
input verwerking output
- We kunnen het gedrag van mensen vergelijken met de werking van een computer:
een soort informatie verwerkend systeem. Een bepaalde input geeft aanleiding tot
een informatieverwerkingsproces en uiteindelijk een output.
Er is aandacht voor de manier waarop men:
- Informatie uit de omgeving selecteert en opneemt om hier vervolgens betekenis
aan te geven (input)
- Deze informatie codeert, en voorziet van een persoonlijke betekenis om die
daarna op te slaan als nieuwe kennis in het lange termijn geheugen (verwerking)
- Op basis van die informatie bepaalde beslissingen neemt of betekenisvolle
handelingen stelt (output)
2 belangrijke vertegenwoordigers: Jerome Bruner & David Ausubel.
Bruner: de mens wordt gezien als een wezen dat voortdurend, altijd en overal,
zelfstandig en actief informatie zoekt en creatief verwerkt en uiteindelijk zo richting geeft
aan zijn gedrag.
Hij geeft ook aan dat elke mens een kennisstructuur heeft, een representatiesysteem met
schema’s en script. (Mappen) die een opslagfunctie hebben en een rol bij het ophalen en
2
,terugvinden van kennis. Mensen bewerken en verwerken alles tot persoonlijke bruikbare
kennis. = betekenisgever
Ausubel: er ontstaat een nieuwe kennisstructuur wanneer een lerende nieuwe kennis
integreert door te koppelen aan al aanwezige ankerbegrippen
1.2.3 Een constructivistische visie op leren
= een actief proces van kennisconstructie
= bouwen gedeeltelijk voort op de cognitieve psychologie
Cognitivistische visie op leren
= lerende staat zelf centraal en bouwt zelf zijn kennis op
= leren is actief, betekenis verlenend, cumulatief, zelfregulerend, doelgericht, gesitueerd
van kennisverwerking, betekenisgeving en vaardigheidsontwikkeling
1) De lerende verwerkt info op een actieve wijze tot persoonlijke kennis
Gebeurt ook in interactie met andere lerenden
Leraar gidst en begeleidt
2) Leren is een constructief of opbouwend proces
Informatie omvormen tot kennis via subjectieve betekenisverlening
Lerende verleent zelf betekenis aan ervaringen
3) Leerproces is cumulatief
Wordt gebouwd op fundamenten van voorkennis
Achterhalen van voorkennis is belangrijk voor leraar
Om aan te sluiten bij beginsituatie
En misconstructies te achterhalen en af te leren
4) Zelfregulering
Betrekking tot metacognitieve aspecten
Lerende in staat om eigen leerproces in handen te nemen, bij te sturen
Dit kan je leren
5) Doelgericht
Belangrijk om naar een doel te werken
Geeft richting aan het leerproces
Leerdoelen kunnen door lerende zelf gekozen worden
6) Gesitueerd
Inhoud betekenisvol maken
Leren in een context
1.2.4 Een connectivistische visie op leren
= technologische vooruitgang en impact op het leren
Gevolg?
Belangrijker om toegang te hebben tot kennis dan als lerende
daadwerkelijk de kennis te bezitten.
Nieuwe trends:
3
, - Informeel leren wordt een belangrijk aspect van de leerervaring. Het leren gebeurt
op verschillende manieren
- Leren is een continu proces. Leren en werken zijn met elkaar verbonden
- De technologie heeft een impact op onze hersenen. Bepaalde tools beïnvloeden
onze manier van denken.
Vanuit de connectivistische visie op leren worden technologie en verbinding gezien als
leeractiviteiten.
1.3 Kenmerken van leren
1. Heeft te maken met mentale of interne processen die niet direct
waarneembaar zijn
2. Veronderstelt altijd een activiteit van de lerende zelf. We spreken over
leeractiviteiten. Niet elke gedragsverandering is het gevolg van een
leeractiviteit
3. Gedragsverandering -> verandering in vaardigheden en attitudes
4. Bij het leren is er altijd sprake van een leerinhoud.
1) Feitelijke kennis: basiselementen die je moet kennen om problemen op
te lossen of kennis te maken met een bepaalde discipline
2) Conceptuele kennis: de relaties tussen de basiselementen die de
leerling moet weten om zo de samenhang en verbanden te zien binnen
een grotere structuur. `$
3) Procedures of procedurele kennis: hoe je iets doet, manieren van
onderzoeken en criteria voor vaardigheden, algoritmes, technieken en
methoden
4) Metacognitieve kennis: kennis over kennis, leren in het algemeen,
zelfkennis en zelfbewustzijn over je eigen kennis.
5. Leren gebeurt binnen een bepaalde context
6. Het resultaat van leren zijn stabiele of duurzame gedragsveranderingen of
gedragsmogelijkheden
7. Leren en onderwijzen zijn met elkaar verbonden.
Definitie geerts en van kralingen: leren is een mentaal proces waarbij als gevolg van
leeractiviteiten een relatief stabiele gedragsverandering tot stand komt.
We kunnen niet over leren spreken bij:
- Tijdelijke of toevallige gedragsveranderingen die worden veroorzaakt door alcohol.
- Bij rijping.
Er is slechts sprake van leren wanneer het waarneembaar gedrag van een
lerende wijzigde onder invloed van externe factoren.
Rijping: wanneer bepaalde interne factoren hier toe hebben bijgedragen
Verschil rijping en leren: treedt op in de wisselwerking
1.4 hoe komt leren tot stand?
1.4.1 de klassieke conditionering
= een respons als reactie op een stimulus, Leren om 1 gebeurtenis met een andere te
associëren.
4
HOOFDSTUK 1: LEREN
1. WAT IS LEREN
Doelen: cursus p3.
Verschillen in:
- Gebeurt in verschillende contexten ( plaats)
- Heeft een verschillende aard
- Heeft te maken met verschillende inhouden
- Gaat door gedurende onze volledige ontwikkeling Levenslang leren
1.1vormen van leren
Schools <-> buitenschools:
Te maken met:
1) De plaats waar er geleerd wordt.
2) De aard van het leren en de inhoud van het leerproces.
Schools leren: Doelgericht, gestructureerd en wordt georganiseerd door anderen met
het oog op het bereiken van bepaalde vooropgestelde doelen. De inhoud van het
schoolse leren is vaak een abstracte weergave van de werkelijkheid buiten het klaslokaal.
Buitenschools leren: het leren kan altijd en overal gebeuren en treedt spontaan op.
Volgens Bolhuis klopt dit niet altijd -> werkplekleren vindt plaats in een
authentieke beroepscontext maar kan aangeduid worden als intentioneel en
informeel.
Schools Buitenschools
Formeel Informeel
Intentioneel Incidenteel
1.2 Leertheorieën
1.2.1 een behavioristische visie op leren
“Hoe beïnvloeden externe factoren het leergedrag bij mensen en dieren? “
John Broadus Watson: legde de basis voor het
behaviorisme.
Het onderzoeken van het zintuiglijk, direct en
objectief waarneembaar gedrag van mens en
dier centraal.
Black box benadering: we weten niet wat er
in de doos omgaat.
1
, Mentale leerprocessen worden buiten beschouwing gelaten
Stimulu Lerend Respon
s e s
Stimulus: de prikkel die van buitenaf een invloed heeft op het organisme
Lerende: wat zich binnen in het organisme afspeelt, de mentale leerprocessen tussen
stimulus en respons.
Respons: waarneembare reactie van het organisme op de stimulus.
1.2.2 een cognitivistische visie op leren
Begin jaren 60 van de 20e E -> eerdere opvattingen met betrekking tot het stimulus
responsmodel door leer-en onderwijspsychologen worden verlaten.
Verschillende nieuwe ontwikkelingen -> cognitieve revolutie.
Onderzoeken geven meer inzicht in de processen die zich in het
hoofd van de lerende afspelen (werking van het geheugen,)
Het behavioristisch model voldoet niet meer aan de complexe leer-
en geheugenprocessen.
Er komt interesse in wat er gebeurt in de black-box -> ontstaan een
informatietheoretische bandering waarbij leren gaat over het
verwerken en opslaan van informatie
Computermodel
input verwerking output
- We kunnen het gedrag van mensen vergelijken met de werking van een computer:
een soort informatie verwerkend systeem. Een bepaalde input geeft aanleiding tot
een informatieverwerkingsproces en uiteindelijk een output.
Er is aandacht voor de manier waarop men:
- Informatie uit de omgeving selecteert en opneemt om hier vervolgens betekenis
aan te geven (input)
- Deze informatie codeert, en voorziet van een persoonlijke betekenis om die
daarna op te slaan als nieuwe kennis in het lange termijn geheugen (verwerking)
- Op basis van die informatie bepaalde beslissingen neemt of betekenisvolle
handelingen stelt (output)
2 belangrijke vertegenwoordigers: Jerome Bruner & David Ausubel.
Bruner: de mens wordt gezien als een wezen dat voortdurend, altijd en overal,
zelfstandig en actief informatie zoekt en creatief verwerkt en uiteindelijk zo richting geeft
aan zijn gedrag.
Hij geeft ook aan dat elke mens een kennisstructuur heeft, een representatiesysteem met
schema’s en script. (Mappen) die een opslagfunctie hebben en een rol bij het ophalen en
2
,terugvinden van kennis. Mensen bewerken en verwerken alles tot persoonlijke bruikbare
kennis. = betekenisgever
Ausubel: er ontstaat een nieuwe kennisstructuur wanneer een lerende nieuwe kennis
integreert door te koppelen aan al aanwezige ankerbegrippen
1.2.3 Een constructivistische visie op leren
= een actief proces van kennisconstructie
= bouwen gedeeltelijk voort op de cognitieve psychologie
Cognitivistische visie op leren
= lerende staat zelf centraal en bouwt zelf zijn kennis op
= leren is actief, betekenis verlenend, cumulatief, zelfregulerend, doelgericht, gesitueerd
van kennisverwerking, betekenisgeving en vaardigheidsontwikkeling
1) De lerende verwerkt info op een actieve wijze tot persoonlijke kennis
Gebeurt ook in interactie met andere lerenden
Leraar gidst en begeleidt
2) Leren is een constructief of opbouwend proces
Informatie omvormen tot kennis via subjectieve betekenisverlening
Lerende verleent zelf betekenis aan ervaringen
3) Leerproces is cumulatief
Wordt gebouwd op fundamenten van voorkennis
Achterhalen van voorkennis is belangrijk voor leraar
Om aan te sluiten bij beginsituatie
En misconstructies te achterhalen en af te leren
4) Zelfregulering
Betrekking tot metacognitieve aspecten
Lerende in staat om eigen leerproces in handen te nemen, bij te sturen
Dit kan je leren
5) Doelgericht
Belangrijk om naar een doel te werken
Geeft richting aan het leerproces
Leerdoelen kunnen door lerende zelf gekozen worden
6) Gesitueerd
Inhoud betekenisvol maken
Leren in een context
1.2.4 Een connectivistische visie op leren
= technologische vooruitgang en impact op het leren
Gevolg?
Belangrijker om toegang te hebben tot kennis dan als lerende
daadwerkelijk de kennis te bezitten.
Nieuwe trends:
3
, - Informeel leren wordt een belangrijk aspect van de leerervaring. Het leren gebeurt
op verschillende manieren
- Leren is een continu proces. Leren en werken zijn met elkaar verbonden
- De technologie heeft een impact op onze hersenen. Bepaalde tools beïnvloeden
onze manier van denken.
Vanuit de connectivistische visie op leren worden technologie en verbinding gezien als
leeractiviteiten.
1.3 Kenmerken van leren
1. Heeft te maken met mentale of interne processen die niet direct
waarneembaar zijn
2. Veronderstelt altijd een activiteit van de lerende zelf. We spreken over
leeractiviteiten. Niet elke gedragsverandering is het gevolg van een
leeractiviteit
3. Gedragsverandering -> verandering in vaardigheden en attitudes
4. Bij het leren is er altijd sprake van een leerinhoud.
1) Feitelijke kennis: basiselementen die je moet kennen om problemen op
te lossen of kennis te maken met een bepaalde discipline
2) Conceptuele kennis: de relaties tussen de basiselementen die de
leerling moet weten om zo de samenhang en verbanden te zien binnen
een grotere structuur. `$
3) Procedures of procedurele kennis: hoe je iets doet, manieren van
onderzoeken en criteria voor vaardigheden, algoritmes, technieken en
methoden
4) Metacognitieve kennis: kennis over kennis, leren in het algemeen,
zelfkennis en zelfbewustzijn over je eigen kennis.
5. Leren gebeurt binnen een bepaalde context
6. Het resultaat van leren zijn stabiele of duurzame gedragsveranderingen of
gedragsmogelijkheden
7. Leren en onderwijzen zijn met elkaar verbonden.
Definitie geerts en van kralingen: leren is een mentaal proces waarbij als gevolg van
leeractiviteiten een relatief stabiele gedragsverandering tot stand komt.
We kunnen niet over leren spreken bij:
- Tijdelijke of toevallige gedragsveranderingen die worden veroorzaakt door alcohol.
- Bij rijping.
Er is slechts sprake van leren wanneer het waarneembaar gedrag van een
lerende wijzigde onder invloed van externe factoren.
Rijping: wanneer bepaalde interne factoren hier toe hebben bijgedragen
Verschil rijping en leren: treedt op in de wisselwerking
1.4 hoe komt leren tot stand?
1.4.1 de klassieke conditionering
= een respons als reactie op een stimulus, Leren om 1 gebeurtenis met een andere te
associëren.
4