Samenvatting: klinische psychologie – diagnostiek en
behandeling. Psychopathologie deeltentamen 1.
Hoofdstuk 7: Cognitieve
gedragstherapie
7.1: Theoretisch kader
Gedragstherapie vloeit ten eerste voort uit klassieke conditionering, waarbij er associaties
tussen stimuli worden geleerd. Ook heeft operante conditionering hiermee te maken, die stelt
dat gedrag herhaald wordt doordat men de consequenties van gedragingen leert. Aangeleerde
situaties kunnen ook weer afgeleerd worden, dat heet extinctie.
Er was wel kritiek op een puur gedragsmatig alternatief voor de psychoanalyse. Er werd
namelijk geen rekening gehouden met cognitieve processen. Gedachten spelen echter een
1
,cruciale rol. De bekendste grondlegger is Aaron Beck. Hij zei dat psychisch leiden ontstaat
door de manier waarop iemand denkt. De 4 niveau’s van cognities zijn:
1. Basisschema’s: fundamentele opvattingen over onszelf en de wereld, vaak onbewust
2. Conditionele assumpties: oorzaak-gevolg relaties
3. Strategische ideeën: opvattingen die mensen hebben over hoe ze dingen het best
kunnen oplossen
4. Automatische gedachten: gedachten die bewust door iemands hoofd gaan, worden
gestuurd door de basisschema’s
Beck stelt dat problemen in stand worden gehouden door problemen in informatieverwerking,
bepaalde basisschema’s zijn hyperactief bij bepaalde mensen. Bijv. bij depressie gaan
schema’s over verlies overheersen, en bij angst schema’s rondom bedreiging. Automatische
gedachten zijn een gevolg van de onderliggende schema’s. het doel van cognitieve therapie is
om de hypervalentie van basisschema’s te veranderen. De client wordt er toe gebracht het
eigen denken kritisch te onderzoeken en te vervangen door alternatieve opvattingen.
Cognitive en gedragsmatige therapie is gecombineerd tot CGT. De 4 G’s binnen deze therapie
zijn gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en gedrag. Het maakt niet uit bij welke G je begint.
7.2: Basisprincipes van CGT
CGT richt zich op het heden
CGT is kortdurend
CGT benadrukt samenwerking cliënt - therapeut. Therapeut moet balansen vinden
tussen autonomie en structuur. Ook tussen empathie en distantie.
Er is een actieve houding nodig
CGT-sessies hebben veel structuur. Dit verschilt wel per psychopathologie. Bijv.
angststoornis meer focus op het cognitieve aspect, depressie meer gedrag.
Registratie is essentieel; aantekeningen tijdens de sessies; bijhouden gedachten via
dagboek. En het maken van coping cards; belangrijke conclusies
CGT leert de cliënt zijn eigen therapeut te zijn
Nadruk op terugvalpreventie; technieken leren om beter te blijven
Psychopathologie wordt gezien als het ‘’uiteinde’’ van normaal gedrag; geen aparte
dimensies
7.3: Diagnostiek
Diagnostiek is belangrijk omdat het de insteek van het programma bepaalt en een rol heeft bij
het evalueren van de behandeling.
Tijdens de diagnostische fase krijgt de therapeut een beeld van het probleem(gedrag),
omstandigheden en cognities. Ook wordt er gekeken naar verleden en in standhoudende en
beschermende factoren. Deze informatie kan verkregen worden via bijv. vragenlijsten. Ook
kan er observatie gebruikt worden, bijv. een dagboek invullen.
2
, Na de diagnostische fase wordt er een probleemanalyse gemaakt. Er moet onderscheid
worden gemaakt tussen een macro-analyse en een micro-analyse. Bij een macroanalyse
(hollistisch) worden er probleemgedragingen geclusterd, en worden er hypotheses gemaakt
over causale relaties tussen clusters. Dan wordt er bepaald welke cluster eerst aangepakt
wordt. Bij een microanalyse (functieanalyse) wordt probleemgedrag binnen een specifiek
gebied geanalyseerd. Er is aandacht voor ontstaan en instandhouding. Ook wel topografische
analyse genoemd; therapeut krijgt zicht op gebeurtenissen die voorafgingen aan
probleemgedrag en de gebeurtenissen daarna.
Er kan een casusconceptalisatie worden opgesteld om een beeld te krijgen van disfunctionele
gedachten en schema’s. Hierbij wordt gekeken naar hoeveel waarde een persoon hecht aan het
schema, in hoeverre kan een persoon het schema in twijfel trekken, hoe hebben eerdere
gebeurtenissen invloed op het schema en op welke leeftijd is het schema gekomen etc.
7.4: Behandeling
Therapeut kiest zelf of er voornamelijk cognitieve of gedragsmatige technieken gebruikt
worden, vaak is het een combinatie.
Een van de technieken zijn operante technieken. Gewenst gedrag wordt hierbij bekrachtigd
en ongewenst gedrag uitgedooid. Een voorbeeld hiervan is de token economy, dit is voor
personen die langdurig ergens verblijven, zij krijgen dan tokens voor gewenst gedrag. Tokens
kunnen dan gebruikt worden voor spullen of gunsten. Een ander voorbeeld is de
gedragsactivatie die wordt ingezet bij depressie. Dit model gaat er van uit dat depressie in
stand blijft door tekort een gedrag dat plezier en voldoening geeft. Meer plezierige activiteiten
verminderen depressieve gevoelens.
Een andere bekende techniek is exposure. Cliënten worden dan blootgesteld aan de stimuli
die angst of spanning oproepen.
- Exposure in vivo: lijfelijke blootstelling, stapsgewijs en steeds ‘’moeilijker’’.
- Exposure in vitro: blootstelling in verbeelding
- Flooding: meteen de gevreesde stimuli
Het belangrijkste is dat de verwachtingen die de client heeft over situaties geschonden wordt.
Exposure gaat dus om de vorming van nieuwe verwachtingen (expectancy violation)
Verwachtingen van clienten moeten dus duidelijk zijn, want dat vormt de leidraad. De
associatie kan blijven bestaan, maar wordt minder geloofwaardig doordat er een andere
associatie bij komt; inhibitoir leren. De geloofwaardigheid van de nieuwe associatie moet
sterker zijn.
Een variant op exposure is de exposure met responspreventie. Deze wordt ingezet wanneer
er sprake is van dwanghandelingen. Hierbij wordt de client geleerd om eigen dwanghandeling
te verbieden. Bij exposure worden er soms ook ontspanningsoefeningen toegevoegd;
systematische desensitisatie/relaxatie.
Kerninterventies cognitieve therapie
3
behandeling. Psychopathologie deeltentamen 1.
Hoofdstuk 7: Cognitieve
gedragstherapie
7.1: Theoretisch kader
Gedragstherapie vloeit ten eerste voort uit klassieke conditionering, waarbij er associaties
tussen stimuli worden geleerd. Ook heeft operante conditionering hiermee te maken, die stelt
dat gedrag herhaald wordt doordat men de consequenties van gedragingen leert. Aangeleerde
situaties kunnen ook weer afgeleerd worden, dat heet extinctie.
Er was wel kritiek op een puur gedragsmatig alternatief voor de psychoanalyse. Er werd
namelijk geen rekening gehouden met cognitieve processen. Gedachten spelen echter een
1
,cruciale rol. De bekendste grondlegger is Aaron Beck. Hij zei dat psychisch leiden ontstaat
door de manier waarop iemand denkt. De 4 niveau’s van cognities zijn:
1. Basisschema’s: fundamentele opvattingen over onszelf en de wereld, vaak onbewust
2. Conditionele assumpties: oorzaak-gevolg relaties
3. Strategische ideeën: opvattingen die mensen hebben over hoe ze dingen het best
kunnen oplossen
4. Automatische gedachten: gedachten die bewust door iemands hoofd gaan, worden
gestuurd door de basisschema’s
Beck stelt dat problemen in stand worden gehouden door problemen in informatieverwerking,
bepaalde basisschema’s zijn hyperactief bij bepaalde mensen. Bijv. bij depressie gaan
schema’s over verlies overheersen, en bij angst schema’s rondom bedreiging. Automatische
gedachten zijn een gevolg van de onderliggende schema’s. het doel van cognitieve therapie is
om de hypervalentie van basisschema’s te veranderen. De client wordt er toe gebracht het
eigen denken kritisch te onderzoeken en te vervangen door alternatieve opvattingen.
Cognitive en gedragsmatige therapie is gecombineerd tot CGT. De 4 G’s binnen deze therapie
zijn gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en gedrag. Het maakt niet uit bij welke G je begint.
7.2: Basisprincipes van CGT
CGT richt zich op het heden
CGT is kortdurend
CGT benadrukt samenwerking cliënt - therapeut. Therapeut moet balansen vinden
tussen autonomie en structuur. Ook tussen empathie en distantie.
Er is een actieve houding nodig
CGT-sessies hebben veel structuur. Dit verschilt wel per psychopathologie. Bijv.
angststoornis meer focus op het cognitieve aspect, depressie meer gedrag.
Registratie is essentieel; aantekeningen tijdens de sessies; bijhouden gedachten via
dagboek. En het maken van coping cards; belangrijke conclusies
CGT leert de cliënt zijn eigen therapeut te zijn
Nadruk op terugvalpreventie; technieken leren om beter te blijven
Psychopathologie wordt gezien als het ‘’uiteinde’’ van normaal gedrag; geen aparte
dimensies
7.3: Diagnostiek
Diagnostiek is belangrijk omdat het de insteek van het programma bepaalt en een rol heeft bij
het evalueren van de behandeling.
Tijdens de diagnostische fase krijgt de therapeut een beeld van het probleem(gedrag),
omstandigheden en cognities. Ook wordt er gekeken naar verleden en in standhoudende en
beschermende factoren. Deze informatie kan verkregen worden via bijv. vragenlijsten. Ook
kan er observatie gebruikt worden, bijv. een dagboek invullen.
2
, Na de diagnostische fase wordt er een probleemanalyse gemaakt. Er moet onderscheid
worden gemaakt tussen een macro-analyse en een micro-analyse. Bij een macroanalyse
(hollistisch) worden er probleemgedragingen geclusterd, en worden er hypotheses gemaakt
over causale relaties tussen clusters. Dan wordt er bepaald welke cluster eerst aangepakt
wordt. Bij een microanalyse (functieanalyse) wordt probleemgedrag binnen een specifiek
gebied geanalyseerd. Er is aandacht voor ontstaan en instandhouding. Ook wel topografische
analyse genoemd; therapeut krijgt zicht op gebeurtenissen die voorafgingen aan
probleemgedrag en de gebeurtenissen daarna.
Er kan een casusconceptalisatie worden opgesteld om een beeld te krijgen van disfunctionele
gedachten en schema’s. Hierbij wordt gekeken naar hoeveel waarde een persoon hecht aan het
schema, in hoeverre kan een persoon het schema in twijfel trekken, hoe hebben eerdere
gebeurtenissen invloed op het schema en op welke leeftijd is het schema gekomen etc.
7.4: Behandeling
Therapeut kiest zelf of er voornamelijk cognitieve of gedragsmatige technieken gebruikt
worden, vaak is het een combinatie.
Een van de technieken zijn operante technieken. Gewenst gedrag wordt hierbij bekrachtigd
en ongewenst gedrag uitgedooid. Een voorbeeld hiervan is de token economy, dit is voor
personen die langdurig ergens verblijven, zij krijgen dan tokens voor gewenst gedrag. Tokens
kunnen dan gebruikt worden voor spullen of gunsten. Een ander voorbeeld is de
gedragsactivatie die wordt ingezet bij depressie. Dit model gaat er van uit dat depressie in
stand blijft door tekort een gedrag dat plezier en voldoening geeft. Meer plezierige activiteiten
verminderen depressieve gevoelens.
Een andere bekende techniek is exposure. Cliënten worden dan blootgesteld aan de stimuli
die angst of spanning oproepen.
- Exposure in vivo: lijfelijke blootstelling, stapsgewijs en steeds ‘’moeilijker’’.
- Exposure in vitro: blootstelling in verbeelding
- Flooding: meteen de gevreesde stimuli
Het belangrijkste is dat de verwachtingen die de client heeft over situaties geschonden wordt.
Exposure gaat dus om de vorming van nieuwe verwachtingen (expectancy violation)
Verwachtingen van clienten moeten dus duidelijk zijn, want dat vormt de leidraad. De
associatie kan blijven bestaan, maar wordt minder geloofwaardig doordat er een andere
associatie bij komt; inhibitoir leren. De geloofwaardigheid van de nieuwe associatie moet
sterker zijn.
Een variant op exposure is de exposure met responspreventie. Deze wordt ingezet wanneer
er sprake is van dwanghandelingen. Hierbij wordt de client geleerd om eigen dwanghandeling
te verbieden. Bij exposure worden er soms ook ontspanningsoefeningen toegevoegd;
systematische desensitisatie/relaxatie.
Kerninterventies cognitieve therapie
3