Blok 1.4 – Neurorevalidatie
,INHOUDSOPGAVE
Medisch Biologisch ................................................................................................................................ 2
College 1 “Centraal zenuwstelsel” ....................................................................................................... 2
College 2 “Perifeer zenuwstelsel en geleiding” .................................................................................... 6
College 3 “Plexus brachialis” .............................................................................................................. 10
College 4 “Radiculopathie en pijn” ..................................................................................................... 13
College 5 “Polyneuropathie en neuropatische pijn” ........................................................................... 16
College 6 “Sensomotorische integratie en dwarslaesies” .................................................................. 20
College 7 “Compilatie” ........................................................................................................................ 24
Fysiotherapeutische Zorg ................................................................................................................... 29
College 1 “Perifeer neurologisch onderzoek” ..................................................................................... 29
College 2 “Bewegingstherapie bij perifeer neurologisch letsel” ......................................................... 30
College 3 “Motorisch leren/control” .................................................................................................... 31
College 4 “PNF-technieken” ............................................................................................................... 33
College 5 “Functionele bewegingsanalyses van liggen tot lopen” ..................................................... 35
College 6 “Pijnmodulatie” ................................................................................................................... 37
Gedrag en Communicatie .................................................................................................................... 39
College 1 “Communicatieve vaardigheden” ....................................................................................... 39
College 2 “Stress en management” ................................................................................................... 41
College 3 “Behaviorisme: gedragsveranderingen binnen de fysiotherapie” ...................................... 44
College 4 “Therapeutisch en preventief handelen” ............................................................................ 47
College 5 “Stress” ............................................................................................................................... 50
1
,MEDISCH BIOLOGISCH
COLLEGE 1 “CENTRAAL ZENUWSTELSEL”
Indeling zenuwstelsel
Het lichaam bevat één zenuwstelsel, die ingedeeld kan worden in het:
Centrale zenuwstelsel: bestaat uit de hersenen (kleine hersenen, grote hersenen en
de hersenstam) en het ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel: bevat alle zenuwen die buiten het centrale zenuwstelsel
liggen. Het bevat motorische en sensorische zenuwen.
Het perifere zenuwstelsel verdeelt zich in het:
Sensorische zenuwstelsel: geeft informatie door vanuit je lichaam naar je
hersenen. Deze informatie komt vanuit je zintuigen. Sensorische zenuwen geven pijn,
warmte, koude en proprioceptieve input vanuit je lichaam door aan je hersenen.
Motorische zenuwstelsel: geeft informatie vanuit je hersenen door aan je spieren.
Het motorische zenuwstelsel verdeelt zich in het:
Somatische zenuwstelsel: het deel van het zenuwstelsel dat wél onder invloed van
je eigen wil staat. Het somatische zenuwstelsel stuurt bewust onze spieren aan.
Autonome zenuwstelsel: het deel van het zenuwstelsel dat niét onder invloed van je
eigen wil staat. Het autonome zenuwstelsel stelt op basis van binnenkomende
informatie via het sensorische zenuwstelsel de activiteit aan.
Het autonome zenuwstelsel verdeelt zich in het:
Parasympatische zenuwstelsel: het deel van het zenuwstelsel dat optreedt in rust.
Hierin treedt onder andere groei op.
Sympathische zenuwstelsel: het deel van het zenuwstelsel dat actief is wanneer er
gevaar dreigt.
Ruggenmerg
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Het ruggenmerg loopt
vanaf de cervicale wervels tot ongeveer L1-L2. Hieronder zit het cauda equina. Het cauda
equina heeft de vorm van een ‘paardenstaart’, waaruit de onderste zenuwwortels treden.
Het ruggenmerg zorgt voor:
Informatiestroom van en naar de hersenen;
Het aanpassen van informatie;
Dient als belangrijk reflexcentrum.
De dikte van het ruggenmerg is niet op elk niveau gelijk. De verdikkingen noemen we
‘cervicale en lumbale intumescenties’. Deze verdikkingen bestaan op cervicaal en lumbaal
niveau, omdat op deze niveaus informatie vanuit de extremiteiten binnenkomt.
Hersenstam
De hersenstam bestaat grofweg uit de onderste helft van het
brein en ligt aan de bovenzijde van het ruggenmerg. De
hersenstam bestaat uit drie delen, namelijk de:
Medulla oblongata (= verlengde merg);
Pons (= brug);
Middenhersenen (= mesencefalon).
De hersenstam vormt de verbinding tussen de grote hersenen, de kleine hersenen en het
ruggenmerg. Vanuit de hersenstam ontspringen de twaalf paar hersenzenuwen.
2
, Formatio reticularis
De formatio reticularis is een complexe structuur, die verspreid ligt over de gehele lengte van
de hersenstam. Het is belangrijk bij arousal en het slaap-waakritme. Onder arousal wordt de
activatietoestand van het centrale en het autonome zenuwstelsel verstaan.
Thalamus
De thalamus is een eivormige structuur in de tussenhersenen. Aan de onderkant is het
vergroeid met de hypothalamus en aan de zijkant is hij vergroeit met de grote hersenen. De
thalamus speelt een belangrijke rol bij de selectie van prikkels die doorgegeven moeten
worden aan de verschillende delen van de hersenen (‘schakelcentrum’).
Basale ganglia
De basale ganglia is een groep hersenkernen (= nuclei) in de tussenhersenen. Het bestaat
uit zeer complexe neuronale circuits. De precieze rol van de basale ganglia is onduidelijk,
maar het is in ieder geval belangrijk voor automatische en emotionele motoriek. Andere
veronderstelde functies zijn:
Het controleren van bewegingen, maar ook bij motivatie en beloning;
Het vergemakkelijken van bepaalde bewegingen en het onderdrukken van andere
bewegingen.
Cerebellum
Het cerebellum (= kleine hersenen) werkt als een controlecentrum, voor het bijsturen van
motorische programma’s. Het cerebellum zorgt ervoor dat fijne motoriek mogelijk wordt. Het
cerebellum is niet te verwarren met het cerebrum (= grote hersenen).
Cortex cerebri
De cortex cerebri (= hersenschors) beslaat de buitenste zes cellagen van het brein en
zorgen voor bewuste processen.
Laesies in de frontale cortex
Laesies in de frontale cortex (= voorzijde van het hoofd) zorgen voor verandering in:
Emoties;
Karakter;
Geweten;
Geheugen;
Probleemoplossend vermogen.
Plasticiteit van het brein
Het brein is plastisch. Plasticiteit is het vermogen om continu te veranderen en te vervormen.
Dit is een erg belangrijke eigenschap van het brein, omdat het motorisch leren mogelijk
maakt. Herstel na schade wordt mogelijk door het optreden van plasticiteit.
Neurale plasticiteit: elke continue verandering in de structuur of functie van
neuronen die ervoor zorgt dat er beter wordt omgegaan met de omgeving.
Modellen van het centrale zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel is ongelofelijk complex en we weten relatief weinig over de
werking hiervan. Modellen vereenvoudigen de werkelijkheid en helpen verschijnselen te
verklaren.
Reflexmodel (= stimulus respons model)
Sensor → sensorische neuron → centraal zenuwstelsel → motorneuron → effector.
Het reflexmodel geeft reflexen weer, zoals de kniepeesreflex. Er is sprake van een vaste
relatie tussen een stimulus en een respons. Het model gaat alleen niet altijd op. Stel: je pakt
3