Funbio samenvatting H.22
Phylogenie is de evolutionaire geschiedenis van een soort of
een groep soorten. We kunnen veel van soorten leren als we
hun evolutionaire geschiedenis kennen. Taxonomie is hoe de
organismes zijn genoemd en gesorteerd. Dieren hebben vaak
een tweedelige Latijnse naam, binominaal. Deze namen zijn
gegeven door de wetenschapper Linnaeus. Linnaeus heeft ook
een classificatie gemaakt. Elk ‘level’ in deze classificatie het
een taxon.
De evolutionaire geschiedenis van een groep
organismes kan worden weergeven in een
fylogenetische boom. De blauwe punten zijn branch
points en representeren een gemeenschappelijke
voorouder. Rond deze branch points kan je
draaien, de aap zit dus niet dichterbij de hagedis dan
de mens bij de hagedis zit. Als twee groepen
organismes dezelfde voorouder delen, dan zijn
ze sister taxa. Soms kan de branch lengte gelijk staan
aan de hoeveelheid genetische verandering.
Hoe langer de branch lengte, hoe sneller een soort zich heeft geëvolueerd.
Als een fylogenetische boom ‘rooted’ is, dan betekent dat dat het gemeenschappelijke
branchpoint van alle groepen organismes hun meest recente gemeenschappelijke voorouder is.
Als een lineage afwijkt van alle andere groepen organismes, dan wordt die groep de basal
taxon genoemd. Bij het maken van een fylogenetische boom wordt vaak de basal taxon als de
outgroup (bevat geen van de kenmerken die de andere soorten hebben) gebruikt.
Binnen een fylogenetische boom heb je verschillende
soorten groepen. Je hebt een monophyletische (clade)
groep, hierin zit de gemeenschappelijke voorouder van een
groep al alle nakomelingen. In een paraphyletische groep
zitten zit de gemeenschappelijke voorouder maar niet alle
nakomelingen. En in een polyphyletische groep zit nier de
gemeenschappelijke voorouder en de soorten komen uit
verschillende groepen.
Phylogenie is de evolutionaire geschiedenis van een soort of
een groep soorten. We kunnen veel van soorten leren als we
hun evolutionaire geschiedenis kennen. Taxonomie is hoe de
organismes zijn genoemd en gesorteerd. Dieren hebben vaak
een tweedelige Latijnse naam, binominaal. Deze namen zijn
gegeven door de wetenschapper Linnaeus. Linnaeus heeft ook
een classificatie gemaakt. Elk ‘level’ in deze classificatie het
een taxon.
De evolutionaire geschiedenis van een groep
organismes kan worden weergeven in een
fylogenetische boom. De blauwe punten zijn branch
points en representeren een gemeenschappelijke
voorouder. Rond deze branch points kan je
draaien, de aap zit dus niet dichterbij de hagedis dan
de mens bij de hagedis zit. Als twee groepen
organismes dezelfde voorouder delen, dan zijn
ze sister taxa. Soms kan de branch lengte gelijk staan
aan de hoeveelheid genetische verandering.
Hoe langer de branch lengte, hoe sneller een soort zich heeft geëvolueerd.
Als een fylogenetische boom ‘rooted’ is, dan betekent dat dat het gemeenschappelijke
branchpoint van alle groepen organismes hun meest recente gemeenschappelijke voorouder is.
Als een lineage afwijkt van alle andere groepen organismes, dan wordt die groep de basal
taxon genoemd. Bij het maken van een fylogenetische boom wordt vaak de basal taxon als de
outgroup (bevat geen van de kenmerken die de andere soorten hebben) gebruikt.
Binnen een fylogenetische boom heb je verschillende
soorten groepen. Je hebt een monophyletische (clade)
groep, hierin zit de gemeenschappelijke voorouder van een
groep al alle nakomelingen. In een paraphyletische groep
zitten zit de gemeenschappelijke voorouder maar niet alle
nakomelingen. En in een polyphyletische groep zit nier de
gemeenschappelijke voorouder en de soorten komen uit
verschillende groepen.