Testen & meten – psychometrie
Week 1
Hoorcollege 1 +
H1 – Psychometrics and the importance of psychological measurement
H2 – Scaling
Psychologische test (Cronbach, 1960)
Test = een systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag
van 2 of meer personen:
1. Test bestaat uit gedrags-samples
2. Samples worden systematisch verzameld
3. Doel van de test is om mensen/ gedrag te vergelijken
Verschil in afname psychologische test:
Inhoud
Type reactie
Manier van bijhouden
Doel:
o Criterion referenced test = participanten/ hun uitkomsten
in 2 groepen opdelen
Onderzoeken of iemand aan criterium voldoet
Kan deels overeenkomen met een norm referenced test
V.B.: toets op school
o Norm referenced test = participanten met elkaar vergelijken
Resultaat aan de hand van (gemiddelde) resultaten
peers
o Speeded tests = zoveel mogelijk (goede) antwoorden binnen
beperkte tijd
Vragen zijn allemaal even moeilijk
Grote kans dat vragen goed beantwoord worden
Kan in principe iedereen maken
V.B: woordjes test op basisschool
o Power tests = geen tijdslimiet, je moet alle vragen zo goed
mogelijk beantwoorden
Tellen alleen de juiste antwoorden
Vragen variëren in moeilijkheidsgraad
Francis Galton ✨ ‘founding father van psychometrie’ ✨
,Latente variabele = niet direct observeerbare variabele (hypothetisch
construct)
V.b.: intelligentie, humor, zelfvertrouwen, depressie
Inter-individuele verschillen = vergelijking van verschillende personen
Intra-individuele verschillen = vergelijking van gedrag van 1 persoon
op verschillende momenten
Differentiële psychologie = studie van individuele verschillen
Uitdagingen in psychologische metingen
Complexiteit van concepten
o Intelligentie, zelfrespect, depressie, etc
Reactiviteit van deelnemers
o Eerlijkheid, motief, sociaal wenselijkheid, doel van het
onderzoek weten
Observeerder bias
o Als onderzoekers hun eigen bias invloed heeft op de
observeringen
Samengestelde scores
o Een score die uit twee of meer andere scores is samengesteld.
Is niet zo transparant over details
o Moet je de variantie van kunnen berekenen
Score gevoeligheid
o Bij weinig keuzeopties is het resultaat ongevoeliger voor
verandering
Weinig psychometrisch bewustzijn
o Test moeten goed geformuleerd zijn en de observeerder moet
begrijpen welke aspecten van belang zijn voor goed onderzoek
Schaalconstructie (scaling)
Manier waarop numerieke warden worden toegekend aan
psychologische attributen
Score op IQ test of op angstvragenlijst
, Kan sterk beïnvloed worden door hoe de scores worden
geïnterpreteerd
Meeteenheden = bepaalde hoeveelheden die worden gebruikt als
standaard voor een meting (kilogram, centimeter, IQ punten,
reactietijd)
Additiviteit = meeteenheid moet altijd zelfde grootte aanhouden
Minst
e info 1. Identiteit
a. Scores maken alleen
onderscheid
b. Géén waardes/ betekenis
c. Kan getal, kleur, naam, etc zijn
2. Ordening
a. Hebben ook identiteit
b. Op volgorde
c. Verschillen hoeven niet even groot te zijn
3. Kwantiteit
a. Hebben ook identiteit/ ordening
b. Scoren onderscheiden én zijn betekenisvol
c. Score 0 is arbitrair; dus 0 staat niet gelijk aan
geen waarde
4. Absolute 0
a. Hebben ook identiteit, ordening
Meeste en kwantiteit
info b. 0 = eigenschap ontbreekt
Absolute 0 = er is geen eigenschap aanwezig
0,0 cm = GEEN lengte
Arbitraire 0 = de score 0 staat niet gelijk aan geen eigenschap 0 graden
= nog steeds een temperatuur)
Z-score van 0 = arbitrair het wijkt niet van het gemiddelde af maar
bestaat wel = 0)
Meetniveaus
1. Nominaal geen gemiddelde
a. Categorieën
b. Meten; man = 0, vrouw = 1
2. Ordinaal
a. Getallen met bepaalde
volgorde
b. Geen waarde, alleen volgorde
Week 1
Hoorcollege 1 +
H1 – Psychometrics and the importance of psychological measurement
H2 – Scaling
Psychologische test (Cronbach, 1960)
Test = een systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag
van 2 of meer personen:
1. Test bestaat uit gedrags-samples
2. Samples worden systematisch verzameld
3. Doel van de test is om mensen/ gedrag te vergelijken
Verschil in afname psychologische test:
Inhoud
Type reactie
Manier van bijhouden
Doel:
o Criterion referenced test = participanten/ hun uitkomsten
in 2 groepen opdelen
Onderzoeken of iemand aan criterium voldoet
Kan deels overeenkomen met een norm referenced test
V.B.: toets op school
o Norm referenced test = participanten met elkaar vergelijken
Resultaat aan de hand van (gemiddelde) resultaten
peers
o Speeded tests = zoveel mogelijk (goede) antwoorden binnen
beperkte tijd
Vragen zijn allemaal even moeilijk
Grote kans dat vragen goed beantwoord worden
Kan in principe iedereen maken
V.B: woordjes test op basisschool
o Power tests = geen tijdslimiet, je moet alle vragen zo goed
mogelijk beantwoorden
Tellen alleen de juiste antwoorden
Vragen variëren in moeilijkheidsgraad
Francis Galton ✨ ‘founding father van psychometrie’ ✨
,Latente variabele = niet direct observeerbare variabele (hypothetisch
construct)
V.b.: intelligentie, humor, zelfvertrouwen, depressie
Inter-individuele verschillen = vergelijking van verschillende personen
Intra-individuele verschillen = vergelijking van gedrag van 1 persoon
op verschillende momenten
Differentiële psychologie = studie van individuele verschillen
Uitdagingen in psychologische metingen
Complexiteit van concepten
o Intelligentie, zelfrespect, depressie, etc
Reactiviteit van deelnemers
o Eerlijkheid, motief, sociaal wenselijkheid, doel van het
onderzoek weten
Observeerder bias
o Als onderzoekers hun eigen bias invloed heeft op de
observeringen
Samengestelde scores
o Een score die uit twee of meer andere scores is samengesteld.
Is niet zo transparant over details
o Moet je de variantie van kunnen berekenen
Score gevoeligheid
o Bij weinig keuzeopties is het resultaat ongevoeliger voor
verandering
Weinig psychometrisch bewustzijn
o Test moeten goed geformuleerd zijn en de observeerder moet
begrijpen welke aspecten van belang zijn voor goed onderzoek
Schaalconstructie (scaling)
Manier waarop numerieke warden worden toegekend aan
psychologische attributen
Score op IQ test of op angstvragenlijst
, Kan sterk beïnvloed worden door hoe de scores worden
geïnterpreteerd
Meeteenheden = bepaalde hoeveelheden die worden gebruikt als
standaard voor een meting (kilogram, centimeter, IQ punten,
reactietijd)
Additiviteit = meeteenheid moet altijd zelfde grootte aanhouden
Minst
e info 1. Identiteit
a. Scores maken alleen
onderscheid
b. Géén waardes/ betekenis
c. Kan getal, kleur, naam, etc zijn
2. Ordening
a. Hebben ook identiteit
b. Op volgorde
c. Verschillen hoeven niet even groot te zijn
3. Kwantiteit
a. Hebben ook identiteit/ ordening
b. Scoren onderscheiden én zijn betekenisvol
c. Score 0 is arbitrair; dus 0 staat niet gelijk aan
geen waarde
4. Absolute 0
a. Hebben ook identiteit, ordening
Meeste en kwantiteit
info b. 0 = eigenschap ontbreekt
Absolute 0 = er is geen eigenschap aanwezig
0,0 cm = GEEN lengte
Arbitraire 0 = de score 0 staat niet gelijk aan geen eigenschap 0 graden
= nog steeds een temperatuur)
Z-score van 0 = arbitrair het wijkt niet van het gemiddelde af maar
bestaat wel = 0)
Meetniveaus
1. Nominaal geen gemiddelde
a. Categorieën
b. Meten; man = 0, vrouw = 1
2. Ordinaal
a. Getallen met bepaalde
volgorde
b. Geen waarde, alleen volgorde