H1| Inleidende begrippen, basisstructuren en -mechanismen in de fysiologie
1.1| De cel
= Kleinste onderdeel van een organisme.
Stofwisseling = verzamelnaam voor alle fysiologische levensprocessen van een organisme.
Celademhaling = voorziet de cel van energie en eiwitsynthese.
1.1.1| Cel onderdelen
1.1.1.1| Celmembraan
Zorgt voor de scheiding tussen de binnen en -buitenkant van een cel. Ze bestaan uit een
dubbele laag van fosfolipiden. Celmembranen zijn semipermeabel (selectief doorlatend).
1.1.1.2| Cytoplasma
Is de volledige inhoud van een cel met uitzondering van de celkern. Belangrijke delen van
het cytoplasma:
- Mitochondriën:
Fungeert als energieomzetter. De belangrijkste functie is de ATP-productie en het
reguleren van de cellulaire stofwisseling.
- Endoplasmatisch reticulum:
Netwerk van membraan dat gelegen is in het cytoplasma van een cel. Is belangrijk bij de
eiwitvorming (synthese) van een cel. Ook is het belangrijk bij het transporteren van
stoffen in een cel.
1.1.1.3| Nucleus
= Celkern is omgeven met een membraan waar al het genetisch materiaal (DNA) in is
opgeslagen.
~1~
, 1.1.2| Transport
Om de werking van een cel te vrijwaren moeten brandstoffen aangevuld worden en
afvalstoffen moeten uit de cel verwijderd worden. Dit kan op 2 manieren:
◼ Passief Transport:
= geen energie nodig (ATP)
➔ OSMOSE
(Proces waarbij een vloeistof, waarin stoffen opgelost zijn, door een half
doorlaatbaar membraan stroomt, dat wel de vloeistof doorlaat maar niet de
opgeloste stoffen)
❖ Lage naar hoge concentratie opgeloste
stoffen.
❖ Water gaat naar de kant met de hoogste
concentratie om zo een evenwicht te vormen
van energielevering.
❖ Water kan wel vrij in en uit de cel vloeien en
andere stoffen niet.
➔ DIFUSSIE
(proces waarbij deeltjes verplaatsen van een gebied met een hoger concentratie
naar een gebied met een lagere concentratie)
❖ Ingang gezet door kinetische energie die
deeltjes van een stof bezitten.
❖ Hoe meer deeltjes van een bepaalde stof, hoe
meer kinetische energie.
❖ Een grotere concentratie zorgt voor een
grotere willekeurige beweging.
❖ Zorgt voor de verplaatsing van moleculen
doorheen het celmembraan.
◼ Actief Transport:
= energie nodig (ATP)
De moleculen bewegen in een richting tegengesteld aan een concentratiegradiënt.
❖ Meestal van buiten naar binnen de cel in. (concentratie wordt > in dan uit de cel)
❖ Wordt ook gebruikt om afvalstoffen uit de cel naar buiten te transporteren.
❖ De mate waarin een cel aan actief transport doet hangt af van de hoeveelheid
beschikbare ATP.
1.2| De huid
= grootste orgaan van het menselijk lichaam. De belangrijkste functies:
- Beschermt
➔ Tegen waterdichtheid (Keratine)
➔ Tegen infecties
➔ Tegen DNA schade en UV stralen (Melanine)
➔ Tegen slecht immuunsysteem (Cellen van Langerhans)
➔ Tegen koud (vet)
~2~
, - Maakt waarnemingen mogelijk
➔ Koud/warm, jeukt of niet (zintuigcellen)
- Produceert belangrijke stoffen
➔ Vitamine D (door Uv-stralen)
- Reguleert
➔ Doorbloeding
(bloed =voornamelijk water en heeft een hoge warmtecapaciteit waardoor het
geschikt is om overtollige warmte op te nemen en te transporteren)(wanneer
lichaam te warm is vind er vasodilatatie plaats = bloedvaten zetten uit, bij te koud
vind er een vasoconstrictie plaats = vernauwen van de bloedvaten.)
➔ Activatie zweetklieren
(lichaam te warm zal zorgen voor zweetklieren die activeren, zweet wordt via huid
getransporteerd door zweetkanaaltjes. Wanneer de huidoppervlak bereikt is zal het
verdampen (endotherm))
◼ Epidermis (opperhuid)
1.2.1| Structuur van de huid
= de buitenste laag, bestaande uit dode huidcellen.
❖ Bevat melanocyten, die pigment (melanine) produceren en zo de huid kleur
geven en beschermen tegen schadelijke UV.
❖ Deze beschermt ook de onderliggende dermis tegen uitdroging en
mechanische stress en dient als eerste barrière tegen ziekteverwekkers.
◼ Dermis (lederhuid)
= de middelste laag en is rijk aan bindweefsel. Ze bevatten bloedvaten, zenuwen,
sensorische receptoren, haarfollikels, talgklieren en zweetklieren.
◼ Hypodermis (onderhuid)
= de diepste laag bestaande uit vetweefsel, deze werkt als isolatie en beschermt
onderliggende structuren.
1.2.2| Kleur van de huid
Het pigment melanine, geproduceerd door melanocyten in het epidermis, bepaalt de kleur
van de huid en is erfelijk bepaald. Hoe meer hoe donkerder de huid.
Albinisme = het pigment ontbreekt.
Caroteen is een oranje geel pigment dat wordt aangetroffen in voedingsmiddelen zoals
wortels. Wordt vooral onderaan de huis teruggevonden in het vetweefsel. Bij een hoge
inname kan de huid een geelachtige tint krijgen.
~3~