,
,
,
,
,Samenvattingen havo 4
Hoofdstuk: Gedrag.
, Gedrag - Alles wat een mens of dier doet. Gedrag helpt dieren vaak om in leven te blijven:
ze zoeken beschutting als het koud is of eten als ze honger hebben. Ook voor mensen: je
trekt een jas aan als je de deur uit gaat, en je gaat niet voor de lol naar de winkel.
Menselijk gedrag heeft ook andere functies, zoals sociale. Mensen praten, huilen en lachen
met elkaar. Uw gedrag kan veranderen naarmate u ouder wordt. Ritueel gedrag - gedrag dat
een duidelijke signaalfunctie heeft. Vaak heeft het zijn oorspronkelijke betekenis verloren.
Voorbeelden van ritueel gedrag zijn: een uitgestoken hand, een glimlach en/of een
begroeting. Signalen - Stimuli die informatie bevatten voor teamgenoten. Bijvoorbeeld: stem,
houding en/of kleding. Bij dieren bijvoorbeeld de hoogte van de staart. Signalen in een
vaste volgorde vormen een herkenbare cultuur. Mens en dier gebruiken signalen om de
onderlinge orde te bepalen en elkaars gedrag te beïnvloeden. Ranking - de plaats die je
hebt in de groep. Territorium - een gebied bezet door een of meer individuen van een soort
en beschermd tegen invasieve soorten. Territoriaal gedrag is de verdediging van territorium.
Ook heb je dreigend gedrag, dat is een agressieve houding om duidelijk te maken wie de
baas is. Stimulansen:
Interne prikkels - motivatie, honger, dorst, voortplantingsgedrag enz. Externe prikkel -
omgevingseffect
Basisprikkel - een prikkel die altijd hetzelfde gedrag volgt (bijvoorbeeld een rode stip op
een snavel)
Supernormale stimulus - een overdreven sleutelstimulus die tot een sterkere respons leidt
(bijvoorbeeld een rode hele snavel)
Gedrag treedt op als reactie op interne en externe prikkels. Niet elke prikkel is een
sleutelprikkel, het antwoord hangt vooral af van de hoeveelheid stuifmeel. Hoe minder
stuifmeel, hoe onrustiger de hommels. Motivatie - de wens om bepaald gedrag uit te
voeren, motivatie komt van prikkels. Drempel - Het laatste duwtje dat iets start, ze vertonen
dan het gedrag. Gedrag is deels aangeboren. Je instinct heb je vanaf je geboorte.
Ambivalent gedrag - conflict tussen twee gedragssystemen, zoals aanval en vlucht.
Springgedrag - Doe iets heel anders dat past bij de situatie. Omgeleid gedrag - de
overdracht van dominante agressie van het ene gedragssysteem naar een heel ander.
Dieren functioneren niet optimaal in stressvolle omstandigheden. Soms veroorzaakt stress
ambivalent gedrag. Gedrag kun je leren door:
Voorwaarde:
Klassieke conditionering - een stimulus veroorzaakt een gedrag dat aanvankelijk niet door
de stimulus werd veroorzaakt (bijvoorbeeld de hond van Pavlov)
Operante conditionering - een bepaald gewenst gedrag leren door middel van beloning of
straf (zoals een Skinner-box)
(Pavlov's experiment - honden gaan kwijlen als ze eten ruiken. Door het dier te stimuleren
met eten en een bel, gaat de hond na een tijdje kwijlen als hij de bel hoort, bron 8)
(Skinnerbox - het dier moet bijvoorbeeld op een knop drukken voordat het eten krijgt, dus je
beloont het dier door het gedrag aan te leren)
Bij klassieke conditionering leert het dier twee verschillende prikkels te associëren. 1.4
Gedragsstudies
Imitatief gedrag - een vaardigheid leren door imitatie (jonge kinderen imiteren de
"volwassen wereld")
Gedragselementen - gedragingen
Gedragsketengerelateerde gedragselementen
Gedragssysteem - gekoppelde gedragsketens
Gedrag - coherente gedragssystemen
,
,
,
,Samenvattingen havo 4
Hoofdstuk: Gedrag.
, Gedrag - Alles wat een mens of dier doet. Gedrag helpt dieren vaak om in leven te blijven:
ze zoeken beschutting als het koud is of eten als ze honger hebben. Ook voor mensen: je
trekt een jas aan als je de deur uit gaat, en je gaat niet voor de lol naar de winkel.
Menselijk gedrag heeft ook andere functies, zoals sociale. Mensen praten, huilen en lachen
met elkaar. Uw gedrag kan veranderen naarmate u ouder wordt. Ritueel gedrag - gedrag dat
een duidelijke signaalfunctie heeft. Vaak heeft het zijn oorspronkelijke betekenis verloren.
Voorbeelden van ritueel gedrag zijn: een uitgestoken hand, een glimlach en/of een
begroeting. Signalen - Stimuli die informatie bevatten voor teamgenoten. Bijvoorbeeld: stem,
houding en/of kleding. Bij dieren bijvoorbeeld de hoogte van de staart. Signalen in een
vaste volgorde vormen een herkenbare cultuur. Mens en dier gebruiken signalen om de
onderlinge orde te bepalen en elkaars gedrag te beïnvloeden. Ranking - de plaats die je
hebt in de groep. Territorium - een gebied bezet door een of meer individuen van een soort
en beschermd tegen invasieve soorten. Territoriaal gedrag is de verdediging van territorium.
Ook heb je dreigend gedrag, dat is een agressieve houding om duidelijk te maken wie de
baas is. Stimulansen:
Interne prikkels - motivatie, honger, dorst, voortplantingsgedrag enz. Externe prikkel -
omgevingseffect
Basisprikkel - een prikkel die altijd hetzelfde gedrag volgt (bijvoorbeeld een rode stip op
een snavel)
Supernormale stimulus - een overdreven sleutelstimulus die tot een sterkere respons leidt
(bijvoorbeeld een rode hele snavel)
Gedrag treedt op als reactie op interne en externe prikkels. Niet elke prikkel is een
sleutelprikkel, het antwoord hangt vooral af van de hoeveelheid stuifmeel. Hoe minder
stuifmeel, hoe onrustiger de hommels. Motivatie - de wens om bepaald gedrag uit te
voeren, motivatie komt van prikkels. Drempel - Het laatste duwtje dat iets start, ze vertonen
dan het gedrag. Gedrag is deels aangeboren. Je instinct heb je vanaf je geboorte.
Ambivalent gedrag - conflict tussen twee gedragssystemen, zoals aanval en vlucht.
Springgedrag - Doe iets heel anders dat past bij de situatie. Omgeleid gedrag - de
overdracht van dominante agressie van het ene gedragssysteem naar een heel ander.
Dieren functioneren niet optimaal in stressvolle omstandigheden. Soms veroorzaakt stress
ambivalent gedrag. Gedrag kun je leren door:
Voorwaarde:
Klassieke conditionering - een stimulus veroorzaakt een gedrag dat aanvankelijk niet door
de stimulus werd veroorzaakt (bijvoorbeeld de hond van Pavlov)
Operante conditionering - een bepaald gewenst gedrag leren door middel van beloning of
straf (zoals een Skinner-box)
(Pavlov's experiment - honden gaan kwijlen als ze eten ruiken. Door het dier te stimuleren
met eten en een bel, gaat de hond na een tijdje kwijlen als hij de bel hoort, bron 8)
(Skinnerbox - het dier moet bijvoorbeeld op een knop drukken voordat het eten krijgt, dus je
beloont het dier door het gedrag aan te leren)
Bij klassieke conditionering leert het dier twee verschillende prikkels te associëren. 1.4
Gedragsstudies
Imitatief gedrag - een vaardigheid leren door imitatie (jonge kinderen imiteren de
"volwassen wereld")
Gedragselementen - gedragingen
Gedragsketengerelateerde gedragselementen
Gedragssysteem - gekoppelde gedragsketens
Gedrag - coherente gedragssystemen