2.1
Diameter (m) Object
1 Hoepel
103 Midden van de stad Venetië
106 Europa
107 De hele aarde
108 De maan en de aarde
1013 Hete hele zonnestelsel
1026 Het melkwegstelsel
Diameter (m) Object
1 Hoepel
10-3 Pantoffeldiertje
10-4 De kern van een cel
10-5 DNA
10-7 Atomen
10-9 De elektronen om de kern
10-15 Protonen
2.2
a. –
b. Diameter van tennisbal = 66cm r=33cm
Straal van zon= 6,963x108m = 6,963x1011cm
6,963x1011/33=2,11x1010 keer zo klein
Straal van Jupiter=69,91x106m = 69,91x109cm
R= 69,91x109x2,11x1010=1,5x1021cm
c. 49,5cm
3.1
a. Nee, de maan heeft net als de aarde dag en nacht. Donker en licht wisselen elkaar dus af.
b. Door achter de maan te kijken vanaf de aarde gezien.
3.2
a. 2 vloedbergen, aan de kant van de maan en aan de andere kant.
b. Tussen de aarde en de zon in.
3.3
a. Vangsttheorie: een object kwam te dichtbij een planeet en is door het zwaartekrachtveld een baan
rond de aarde gaan maken.
Spin-theorie: De jonge aarde draaide zo hard en was zo heet dat hij materiaal de ruimte inslingerde.
Van dat materiaal is de maan ontstaan.
Zusterplaneet-theorie: De maan is uit dezelfde vormschijf ontstaan als de aarde.
Grote-inslagtheorie: de jonge aarde heeft gebotst met een groot object. Puin van de aardmantel is
onder invloed van zwaartekracht samen geklonterd tot de maan.
4
m 300× 109 8 3
a.V = = =3,26 ×10 m
ρ 920
Diameter (m) Object
1 Hoepel
103 Midden van de stad Venetië
106 Europa
107 De hele aarde
108 De maan en de aarde
1013 Hete hele zonnestelsel
1026 Het melkwegstelsel
Diameter (m) Object
1 Hoepel
10-3 Pantoffeldiertje
10-4 De kern van een cel
10-5 DNA
10-7 Atomen
10-9 De elektronen om de kern
10-15 Protonen
2.2
a. –
b. Diameter van tennisbal = 66cm r=33cm
Straal van zon= 6,963x108m = 6,963x1011cm
6,963x1011/33=2,11x1010 keer zo klein
Straal van Jupiter=69,91x106m = 69,91x109cm
R= 69,91x109x2,11x1010=1,5x1021cm
c. 49,5cm
3.1
a. Nee, de maan heeft net als de aarde dag en nacht. Donker en licht wisselen elkaar dus af.
b. Door achter de maan te kijken vanaf de aarde gezien.
3.2
a. 2 vloedbergen, aan de kant van de maan en aan de andere kant.
b. Tussen de aarde en de zon in.
3.3
a. Vangsttheorie: een object kwam te dichtbij een planeet en is door het zwaartekrachtveld een baan
rond de aarde gaan maken.
Spin-theorie: De jonge aarde draaide zo hard en was zo heet dat hij materiaal de ruimte inslingerde.
Van dat materiaal is de maan ontstaan.
Zusterplaneet-theorie: De maan is uit dezelfde vormschijf ontstaan als de aarde.
Grote-inslagtheorie: de jonge aarde heeft gebotst met een groot object. Puin van de aardmantel is
onder invloed van zwaartekracht samen geklonterd tot de maan.
4
m 300× 109 8 3
a.V = = =3,26 ×10 m
ρ 920