1 Kinderliteratuur
1.1 Genres
• Oriënteer op kinderliteratuur:
- Stappen van het kiezen van een goed kinderboek voor een specifiek kind
• Soorten literaire genres:
1) Realistische verhalen bv. Wifi
2) Historische verhalen bv. De jongen in de gestreepte pyjama
3) Dierenverhalen bv. Misschien wisten zij alles (Toon Tellegen)
4) Sprookjes bv. De grote boze wolf, bv. Ben je bang in het bos, grote wolf?
→ moderne sprookjes
5) Fantasieverhalen bv. De GVR
→ andere wezens, meer inleving in hoofdpersonage
6) Fantastische verhalen bv. Harry Potter, bv. Alice in Wonderland
→ echte wereld die overgaat naar een magische wereld
→ (verschil tussen de realiteit en de andere wereld: twee aparte werelden)
7) Sciencefiction bv. Sjakie en de grote glazen lift
→ futuristische dimensie
8) Avonturenverhalen bv. detectiveverhalen, griezelverhalen, …
→ actie overweegt, vaak een queeste
9) Interculturele verhalen: over diversiteit in de brede zin
10) Prentenboeken
11) Strips, graphic novels → een roman in stripvorm
1.2 Kiezen en beoordelen
• Criteria van een fictieboek:
1. Belangrijk thema?
→ Met voldoende nuancering (= verfijning van detail)
2. manier waarop emoties aan bod komen
→ empathie bevorderend
3. maatschappijkritische houding
→ niet wensvervullend
4. taalgebruik
→ leesbaar en vlotte taal
5. weergave van (fictieve) werkelijkheid
→ stereotiep of origineel?
6. verhaalstructuur met geleidelijke spanningsbouw
en een verrassend einde
7. geen discriminerende beelden
8. humor
→ dient enkel als entertainment
9. diepere dimensie of gelaagdheid
• Criteria van een non-fictieboek:
1. Inhoud en aangesproken publiek
→ titel, kaft, korte inhoud… grote rol
2. betrouwbare bronnen
, → onderscheid mening en feiten
3. aantrekkelijke en bevattelijke inhoud
→ duidelijke illustraties en korte, heldere tekstblokjes
4. taalgebruik
→ gepaste terminologie
5. lay-out of bladschikking
→ vormen één samenhangend geheel
6. humor om onderwerpen te relativeren
7. mens- en maatschappijbeeld is genuanceerd
8. intellectuele eerlijkheid
→ belangen van lezer staan voorop
→ vanuit verschillende invalshoeken
1.3 Analyseren van een verhaal
• Vertelperspectief:
1) Alwetend vertelperspectief
= hij/zij-verhaal, 3de persoon
→ verteller heeft volledige toegang tot gedachten van alle personages
2) Personaal vertelperspectief
= hij/zij-verhaal (ev) of zij-verhaal (mv), 3de persoon
→ verteller staat buiten het verhaal
→ verteller kent enkel gedachten en gevoelens van hoofdpersonage
3) Ik-verhaal
→ personage beleeft alles zelf en zit ook in het verhaal
• Personages:
1) Flat characters
= eerder typetjes, meer voorspelbaar
→ veranderen bijna niet doorheen het verhaal, meeste karaktertrekken blijven hetzelfde
2) Round characters
= minder voorspelbaar
→ veranderen doorheen het verhaal (manier van denken en doen, vaak door ervaring in
het verhaal)
• tijd en ruimte:
- tijd
→ Is het verhaal gesitueerd in een specifieke tijd?
→ Wordt de tijd in detail beschreven?
→Over welke tijdspanne vindt het verhaal plaats?
- Ruimte
→ Is het verhaal gesitueerd op een specifieke plaats?
→ Worden er specifieke locaties vermeld? (bestaande of onbestaande locaties)
→ Hoe is de omgeving waarin het verhaal plaatsvindt?
→ Wordt de omgeving in detail beschreven?
→ Omstandigheden: Wat gebeurt er op dat moment op die plek?
• Vertelorde:
1) Chronologische vertelorde
2) Niet chronologische vertelorde
→ flash-backs / flash-forwards
• Taalgebruik:
- Rijker maken door: bewuste woordkeuze, ritmisch zinspatroon, beginrijm/eindrijm,
metaforen en beeldspraak om fantasie van kinderen te prikkelen…