Verplichte arresten Bestuursrecht:
Rechtsbescherming 2019/2020
Rijksuniversiteit Groningen
,Inhoud
Arresten week 1.....................................................................................................................................3
Methadonbrief (HR 27-06-1986, ECLI:NL:HR:1986:AM9331).............................................................3
Fluoridering (HR 22-06-1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208)...................................................................4
Arresten week 2.....................................................................................................................................5
Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schiphol (ABRvS 17-09-2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379)
............................................................................................................................................................5
Arresten week 4.....................................................................................................................................6
Mestbassin Mechelen (ABRvS 23-08-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271).................................................6
Geslotenverklaring Boxtel (ABRvS 14-09-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2619)......................................7
Zendmast T-Mobile (ABRvS 21-11-2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8396).................................................8
Stichting Openbare Ruimte (ABRvS 01-10-2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3911).....................................9
Buurtplatform Randwyck (ABRvS 24-06-2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9672).......................................10
Arresten week 5...................................................................................................................................11
Jetski's (ABRvS 18-09-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7801)...................................................................11
Kwantum/Venlo (ABRvS 09-05-1996 ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153).....................................................12
Arresten week 6...................................................................................................................................13
Tipgeld Bouwfraude ABRvS 23-8-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222......................................................13
Bestuurlijke waarschuwing (ABRvS 02-05-2018, AB 2018/224)........................................................14
Gedoogde Hoogeloonse Stal ABRvS 24-4-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.........................................15
De Deense Zeevervoerder Vz. (ABRvS 18-04-2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8384)...............................16
Arresten week 7...................................................................................................................................17
Landbouwvliegers (HR 16-05-1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354)........................................................17
Verdeelmodel Bijstandsbudget CRvB 1-7-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016.......................................19
Aanwijzingsbesluit Zijkanaal D (ABRvS 18-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3510)..................................20
,Arresten week 1
Methadonbrief (HR 27-06-1986, ECLI:NL:HR:1986:AM9331)
Casus
De inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid stuurt aan alle Nederlandse artsen een
brief over hoe te handelen inzake ambulante behandeling van verslaafden aan opiumwetmiddelen.
Deze brief staat bekend als de methadonbrief. In die brief wordt artsen geadviseerd slechts onder
bepaalde omstandigheden aan drugsverslaafden een recept voor methadon (een drugsvervangend
middel) mee te geven. De Groningse arts Rauwerda geeft ook in andere omstandigheden een recept
mee aan verslaafden.
Daarop stuurt de inspectie een tweede brief aan de plaatselijke apothekers, met het "verzoek" geen
methadon meer te verstrekken op een recept van dr. Rauwerda.
Rechtsvraag
Is de handelswijze van de inspectie onrechtmatig of handelt zij op grond van een wettelijke
bevoegdheid?
Hoge Raad
Omdat de inspecteur geen bevoegdheid heeft tot het geven van bindende voorschriften over hoe artsen
hun praktijk dienen uit te oefenen, is de Methadonbrief (aan de artsen) niet meer dan een advies. Het
niet opvolgen van het advies door een arts zou in strijd kunnen zijn met de Medische Tuchtwet, maar
dit mag alleen worden beoordeeld door bijzondere colleges (krachtens Medische Tuchtwet) of de
rechter. De inspecteur heeft in geen geval de bevoegdheid om naleving van het advies af te dwingen.
De tweede brief (aan de apothekers) was wel degelijk een poging om Rauwerda tot naleving te
dwingen, hoewel het slechts een “verzoek” bevatte. Doordat de brief afkomstig was van de inspecteur,
aan wie de wet gezag toekent, volgden apothekers het verzoek.
,Fluoridering (HR 22-06-1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208)
Casus
De gemeente Amsterdam is exploitant van het waterleidingbedrijf en besluit in die hoedanigheid
kiezelfluorwaterstofzuur toe te voegen aan het drinkwater. Met deze fluoridering van het drinkwater
wil de gemeente tandbederf onder de Amsterdammers tegen gaan. Een aantal particuliere afnemers
verzetten zich tegen deze maatregel, onder andere om medische en ethische redenen.
Rechtsvraag
Is een formeelwettelijke grondslag nodig voor het treffen van een feitelijke maatregel?
Hoge Raad
De formele wet die hier van toepassing is (de Waterleidingwet) legt aan de eigenaar van een
waterleidingbedrijf de verplichting op om de levering van deugdelijk drinkwater aan de verbruikers in
zijn distributiegebied te waarborgen. Weliswaar tast fluoridering de deugdelijkheid van het drinkwater
niet aan, maar omdat:
- De gemeente Amsterdam als eigenaar van het waterleidingbedrijf een monopoliepositie
inneemt,
- Drinkwater een van de eerste levensbehoeften van de mens is,
- Het door de gemeente voorgestelde alternatief (namelijk in de stad enkele tappunten openen
waar ongefluorideerd drinkwater verkrijgbaar is) voor de afnemers aanzienlijk bezwaarlijker
is en in deze tijd niet als normaal is te beschouwen,
- Fluoridering een toevoeging aan het drinkwater is waarmee een geheel buiten de eigenlijke
drinkwatervoorziening gelegen doel wordt gediend
Is de fluorideringsmaatregel van een dusdanig ingrijpende aard, dat zonder wettelijke grondslag niet
kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in de
formele Waterleidingwet opgedragen taak de vrijheid heeft. Zo'n wettelijke grondslag kan noch in de
wettekst noch in de wetsgeschiedenis gevonden worden.
, Arresten week 2
Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schiphol (ABRvS 17-09-2014,
ECLI:NL:RVS:2014:3379)
Feiten
I.c. gaat het om het hoger beroep van het bestuur van de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving
Schipholregio, gevestigd te Schiphol-Oost (appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-
Holland. In 2012 heeft het bestuur een aanvraag van de wederpartij om een uitkering in natura voor
door hem ervaren hinder van vliegverkeer rondom de luchthaven Schiphol afgewezen.
Het bezwaar is door het bestuur ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep van de wederpartij kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het bestuur hoger beroep ingesteld. Het bestuur betoogt namelijk dat de
rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het geen bestuursorgaan is (art. 1:1 lid 1 b Awb).
De Afdeling moet zich dan buigen over de vraag of het bestuur van de Stichting bevordering kwaliteit
leefomgeving Schipholregio een bestuursorgaan is of niet.
ABRvS
Volgens de Afdeling is het begrip ‘bestuursorgaan’ een centraal begrip in het bestuursrecht. Het is
daarom van belang dat duidelijkheid bestaat over de vraag wanneer een orgaan van een
privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals in dit geval het bestuur van de stichting, moet worden
aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 b Awb.
De Afdeling stelt dat ingevolge dit artikel een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een
bestuursorgaan is als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat
orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere
rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel alleen bij wettelijk voorschrift worden
toegekend. Als een wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke
rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die
geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich wel
een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan zijn. Deze
uitzondering geldt als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan:
1. De inhoudelijke criteria voor het verstrekken van geldelijke uitkeringen of voorzieningen
worden in beslissende mate bepaald door één of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel
1:1 lid 1 a Awb (het inhoudelijke vereiste). Dat bestuursorgaan hoeft geen zeggenschap te
hebben over een beslissing over een verstrekking in een individueel geval;
2. De verstrekking van deze uitkeringen of voorzieningen wordt in overwegende mate, dat wil
zeggen in beginsel voor 2/3 of meer, gefinancierd door één of meer bestuursorganen als
bedoeld in artikel 1:1 lid 1 a Awb (het financiële vereiste).
Daarbij geldt dat het bestuursorgaan of de bestuursorganen die in beslissende mate de criteria bepalen
in de zin van het inhoudelijke vereiste, niet noodzakelijkerwijs dezelfde hoeven te zijn als het
bestuursorgaan dat of de bestuursorganen die de verstrekking in overwegende mate financieren in de
zin van het financiële vereiste, aldus de Afdeling.
De Afdeling overweegt ook dat de uitoefening van een overheids- of publieke taak geen zelfstandig te
onderscheiden vereiste is om een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon als bestuursorgaan
aan te merken. Uit de inhoudelijke en financiële band tussen een (orgaan van een) privaatrechtelijke
rechtspersoon en een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 a Awb volgt namelijk dat
die privaatrechtelijke rechtspersoon een bepaalde taak aan zich heeft getrokken.
Kern
Rechtsbescherming 2019/2020
Rijksuniversiteit Groningen
,Inhoud
Arresten week 1.....................................................................................................................................3
Methadonbrief (HR 27-06-1986, ECLI:NL:HR:1986:AM9331).............................................................3
Fluoridering (HR 22-06-1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208)...................................................................4
Arresten week 2.....................................................................................................................................5
Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schiphol (ABRvS 17-09-2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379)
............................................................................................................................................................5
Arresten week 4.....................................................................................................................................6
Mestbassin Mechelen (ABRvS 23-08-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271).................................................6
Geslotenverklaring Boxtel (ABRvS 14-09-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2619)......................................7
Zendmast T-Mobile (ABRvS 21-11-2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8396).................................................8
Stichting Openbare Ruimte (ABRvS 01-10-2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3911).....................................9
Buurtplatform Randwyck (ABRvS 24-06-2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9672).......................................10
Arresten week 5...................................................................................................................................11
Jetski's (ABRvS 18-09-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7801)...................................................................11
Kwantum/Venlo (ABRvS 09-05-1996 ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153).....................................................12
Arresten week 6...................................................................................................................................13
Tipgeld Bouwfraude ABRvS 23-8-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222......................................................13
Bestuurlijke waarschuwing (ABRvS 02-05-2018, AB 2018/224)........................................................14
Gedoogde Hoogeloonse Stal ABRvS 24-4-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.........................................15
De Deense Zeevervoerder Vz. (ABRvS 18-04-2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8384)...............................16
Arresten week 7...................................................................................................................................17
Landbouwvliegers (HR 16-05-1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354)........................................................17
Verdeelmodel Bijstandsbudget CRvB 1-7-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016.......................................19
Aanwijzingsbesluit Zijkanaal D (ABRvS 18-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3510)..................................20
,Arresten week 1
Methadonbrief (HR 27-06-1986, ECLI:NL:HR:1986:AM9331)
Casus
De inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid stuurt aan alle Nederlandse artsen een
brief over hoe te handelen inzake ambulante behandeling van verslaafden aan opiumwetmiddelen.
Deze brief staat bekend als de methadonbrief. In die brief wordt artsen geadviseerd slechts onder
bepaalde omstandigheden aan drugsverslaafden een recept voor methadon (een drugsvervangend
middel) mee te geven. De Groningse arts Rauwerda geeft ook in andere omstandigheden een recept
mee aan verslaafden.
Daarop stuurt de inspectie een tweede brief aan de plaatselijke apothekers, met het "verzoek" geen
methadon meer te verstrekken op een recept van dr. Rauwerda.
Rechtsvraag
Is de handelswijze van de inspectie onrechtmatig of handelt zij op grond van een wettelijke
bevoegdheid?
Hoge Raad
Omdat de inspecteur geen bevoegdheid heeft tot het geven van bindende voorschriften over hoe artsen
hun praktijk dienen uit te oefenen, is de Methadonbrief (aan de artsen) niet meer dan een advies. Het
niet opvolgen van het advies door een arts zou in strijd kunnen zijn met de Medische Tuchtwet, maar
dit mag alleen worden beoordeeld door bijzondere colleges (krachtens Medische Tuchtwet) of de
rechter. De inspecteur heeft in geen geval de bevoegdheid om naleving van het advies af te dwingen.
De tweede brief (aan de apothekers) was wel degelijk een poging om Rauwerda tot naleving te
dwingen, hoewel het slechts een “verzoek” bevatte. Doordat de brief afkomstig was van de inspecteur,
aan wie de wet gezag toekent, volgden apothekers het verzoek.
,Fluoridering (HR 22-06-1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208)
Casus
De gemeente Amsterdam is exploitant van het waterleidingbedrijf en besluit in die hoedanigheid
kiezelfluorwaterstofzuur toe te voegen aan het drinkwater. Met deze fluoridering van het drinkwater
wil de gemeente tandbederf onder de Amsterdammers tegen gaan. Een aantal particuliere afnemers
verzetten zich tegen deze maatregel, onder andere om medische en ethische redenen.
Rechtsvraag
Is een formeelwettelijke grondslag nodig voor het treffen van een feitelijke maatregel?
Hoge Raad
De formele wet die hier van toepassing is (de Waterleidingwet) legt aan de eigenaar van een
waterleidingbedrijf de verplichting op om de levering van deugdelijk drinkwater aan de verbruikers in
zijn distributiegebied te waarborgen. Weliswaar tast fluoridering de deugdelijkheid van het drinkwater
niet aan, maar omdat:
- De gemeente Amsterdam als eigenaar van het waterleidingbedrijf een monopoliepositie
inneemt,
- Drinkwater een van de eerste levensbehoeften van de mens is,
- Het door de gemeente voorgestelde alternatief (namelijk in de stad enkele tappunten openen
waar ongefluorideerd drinkwater verkrijgbaar is) voor de afnemers aanzienlijk bezwaarlijker
is en in deze tijd niet als normaal is te beschouwen,
- Fluoridering een toevoeging aan het drinkwater is waarmee een geheel buiten de eigenlijke
drinkwatervoorziening gelegen doel wordt gediend
Is de fluorideringsmaatregel van een dusdanig ingrijpende aard, dat zonder wettelijke grondslag niet
kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in de
formele Waterleidingwet opgedragen taak de vrijheid heeft. Zo'n wettelijke grondslag kan noch in de
wettekst noch in de wetsgeschiedenis gevonden worden.
, Arresten week 2
Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schiphol (ABRvS 17-09-2014,
ECLI:NL:RVS:2014:3379)
Feiten
I.c. gaat het om het hoger beroep van het bestuur van de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving
Schipholregio, gevestigd te Schiphol-Oost (appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-
Holland. In 2012 heeft het bestuur een aanvraag van de wederpartij om een uitkering in natura voor
door hem ervaren hinder van vliegverkeer rondom de luchthaven Schiphol afgewezen.
Het bezwaar is door het bestuur ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep van de wederpartij kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het bestuur hoger beroep ingesteld. Het bestuur betoogt namelijk dat de
rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het geen bestuursorgaan is (art. 1:1 lid 1 b Awb).
De Afdeling moet zich dan buigen over de vraag of het bestuur van de Stichting bevordering kwaliteit
leefomgeving Schipholregio een bestuursorgaan is of niet.
ABRvS
Volgens de Afdeling is het begrip ‘bestuursorgaan’ een centraal begrip in het bestuursrecht. Het is
daarom van belang dat duidelijkheid bestaat over de vraag wanneer een orgaan van een
privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals in dit geval het bestuur van de stichting, moet worden
aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 b Awb.
De Afdeling stelt dat ingevolge dit artikel een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een
bestuursorgaan is als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat
orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere
rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel alleen bij wettelijk voorschrift worden
toegekend. Als een wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke
rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die
geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich wel
een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan zijn. Deze
uitzondering geldt als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan:
1. De inhoudelijke criteria voor het verstrekken van geldelijke uitkeringen of voorzieningen
worden in beslissende mate bepaald door één of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel
1:1 lid 1 a Awb (het inhoudelijke vereiste). Dat bestuursorgaan hoeft geen zeggenschap te
hebben over een beslissing over een verstrekking in een individueel geval;
2. De verstrekking van deze uitkeringen of voorzieningen wordt in overwegende mate, dat wil
zeggen in beginsel voor 2/3 of meer, gefinancierd door één of meer bestuursorganen als
bedoeld in artikel 1:1 lid 1 a Awb (het financiële vereiste).
Daarbij geldt dat het bestuursorgaan of de bestuursorganen die in beslissende mate de criteria bepalen
in de zin van het inhoudelijke vereiste, niet noodzakelijkerwijs dezelfde hoeven te zijn als het
bestuursorgaan dat of de bestuursorganen die de verstrekking in overwegende mate financieren in de
zin van het financiële vereiste, aldus de Afdeling.
De Afdeling overweegt ook dat de uitoefening van een overheids- of publieke taak geen zelfstandig te
onderscheiden vereiste is om een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon als bestuursorgaan
aan te merken. Uit de inhoudelijke en financiële band tussen een (orgaan van een) privaatrechtelijke
rechtspersoon en een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 a Awb volgt namelijk dat
die privaatrechtelijke rechtspersoon een bepaalde taak aan zich heeft getrokken.
Kern