MORFOLOGIE
a) Gasgeleidingsstelsel: buisvormig
Neus- en mondholte + nasofarynx + larynx + trachea + bronchii en
bronchioli
Functie : geleiding, opwarming, zuivering en vochtigheid vd lucht
b) gasuitwisselingsstelsel
longalveolen (zakvormig), die het longparenchym uitmaken -> groot
opp voor gasuitwisseling
functie: uitwisseling ingeademde O2 en CO2 vanuit het bloed
algemene functie
neus: verwarmen, bevochtigen en reinigen ingeademde lucht + reuk +
resonantiefunctie
neusbijholten (sinus): resonantiefuntie + temperatuurregeling hersenen
mondholte: smaak larynx: spraak
anatomie
uitwendige neus: - radix nasi (neuswortel) - apex nasi
(neuspunt)
-dorsum nasi (neusrug) - alae nasi
(neusvleugels)
Neusholte: holtes verdeeld door neusseptum (uit kraakbeen en bot)
van neusgat langs choanae tot nasofarynx
elke neusholte bovenaan smal, breder naar onderen
2 compartimenten:
- vestibulum nasi: door huid bekleed proximaal
- nasale fossa: bekleed door respiratoir epitheel
3 gebogen botschelpen (conchae) stulpen uit in fossa (grootte neemt toe
vbno) met ondergelegen een neusgang
1) conchae superior: deel v os ethmoidale met neusgang meatus
nasi superior
- ruimte boven en achter concha superior = recessus sfeno-
ethmoidalis
met opening vd sinus sfenoidalis
in meatus liggen 1à2 openingen vd cellulae ethmoidales
posteriores
, 2) conchae media: deel v os ethmoidale met neusgang meatus
nasi medius
- hierin mondt uit: cellulae ethmoidales anteriores + sinus
frontalis/ maxillaris (via hiatus semilunaris -> boogvormige
spleet)
3) conchae inferior: apart botstuk met neusgang meatus nasi inferior
- hierin mondt ductus nasolacrimalis uit: voert traanvocht af
functies
I. ingeademde lucht opwarmen: uitstulpingen zorgen voor opp
vergroting en turbulenties + veel plexussen v capillairen en
venen onder neusepitheel: bij koude lucht zwellen deze op + kost
energie (10% verlies lichaamswarmte)
II. bevochtigen ingeademde lucht: bij uitademen heropname v
vocht -> 1/3 vocht gerecupereerd door condensatie v vocht op
slijmvlies + drainage vd nasolacrimale buizen en secreties vd
paranasale sinussen
reukzone: regio olfactoria
in dak neusholte, bovenste 3e vh neusspetum en concha nasalis
superior
vascularisatie: vaatstructuren lopen samen in locus v Kiesselbach -> vaak
bloedingen
bloeding stoppen? Comprimeren
te hoge bloeddruk en koude verhogen neusbloedingen
neusbijholten (paranasale neusholten) = holten in beenderen -> 4 per
neusholte
1. sinus frontalis: in os frontalis, grootte variabel
- vocht accumuleert -> druk in hoofd -> bij sinusitis meeste hoofdpijn
2. sinus ethmoidalis (cellulae ethmoidalis): tss neusholte en orbita,
grenzen met bovenzijde aan voorste schedelgroeve
- cellulae ethmoidales anteriores + posteriores
3. sinus maxillaris: in corpus maxillae (de grootstse)
- tandkassen vd bovenkaak in bodem sinus + rami posterior v nervi
alveolares superiores in achterwand + canalis infra-orbitalis met a
en n infra-orbitalis
- grote sinus -> holte door dun laagje bot of alleen sinusslijmvlies
gescheiden
, - ontsteking tandkas kan leiden tot sinusitis
opening sinus max (hiatus semilunaris) ligt hoger dan bodem ->
bij sinusitus kan vocht niet spontaan afvloeien -> soms drainage
door perforatie
4. sinus sfenoidalis: in corpus os sfenoidalis
- dak is sella turcica vd schedelbasis -> hypofyse zit hier
farynx:
a) nasofarynx: bovenkant = schedelbasis onderkant =
palatum molle
zijkanten en achterkant = keelholtewand
- in verbinding met middenoor via tuba auditiva (buis v Eustachius)
verstopte buis: chronische neusinfectie -> ademen door neus
verschil in druk tss oor en mond (vliegtuig) -> pijn
b) orofarynx: palatum durum tot os hyoideum => spijsvertering
c) hypofarynx/ laryngeale farynx: bovenrand cartilago epiglottica
tot onderste rand cartilage cricoidea
histologie
algemene opbouw wand gasgeleidingsstelsel
tractus respiratorius: gelaagde wand, epitheel afkomstig v endoderm
1) epitheel 4) seromucineuse klieren
2) lamina propria 5) kraakbeen of bot
3) glad spierweefsel 6) adventitia met col en elastische
vezels
lamina propria: losmazig bindweefsel en elastsiche vezels (meer richting
alveoli)
glad spierweefsel: in trachea: achterzijde vd open kraakbeenringen
in bronchii: vele lagen die wand spiraalvormig omhullen
vanaf hier neemt dikt gl spw af -> verdwijnt bij sacculi alveolares
contractie -> lengte en diameter luchtwegen verminderd
seromucineuse klieren: van neusholte tot bronchiolen,
- sereus (roos), enkel mucineus (wit) of gemengd
rol: zorgen voor vochtige en propere lucht
kraakbeen/bot: in neusholte bot -> in larynx enkel kraakbeen
- hoeveelheid kraakbeen neemt af en verdwijnt thv bronchioli
adventitia: uiterste laag, bevat col en elastische vezels
, vestibulum nasi
- huid: gekeratiniseerd plaveiselepitheel met huidannexae
overgang naar niet-gekeratiniseerd plaveiselepitheel
rol annexae: grootst ingeademde structuren tegenhouden (geen in
niet-gekerat)
aan opp: cellen zijn kern verloren -> beschermende laag
bij niet-gekerat: grotere basale laag cellen en cellen met glycogeen
- neus: respiratoir epitheel, bot, sero-mucineuse klieren
- conchae : verwarming lucht door gedilateerde capillaire capillairen
en venen
- nasofarynx: zelfde respiratoir epitheel als neusholte
lamina propria: lymfocyten die in dak lymfefollikels zijn (tonsilla
pharyngea)
- oropharynx: epitheel nasofarynx gaat geleidelijk over in meerlagig
niet-gekerat plaveiselepitheel (squameus) vd orofarynx
1. squameus epitheel: niet-gekerat plaveiselepitheel + basale
cellaag tegen basale membraan + afgeplatte keratinocyten richting
oppervlakte
2. respiratoir epitheel (slijmvlies): pseudomeerlagig cilindrisch
trilhaarepitheel
lijkt meerderlagig
5 celtypen:
a) trilhaarcellen: cilia aan apicaal oppervlak, meest talrijk
b) muceuze slijmbekercellen: secreren mucus, houden ingeademde
partikels vast en brengen naar buiten
trilhaarcellen en slijmbekercellen werken samen: mucus betrapt
virussen en bacteriën -> trilhaarcellen borstelen besmette mucus
naar mond
trilling trilharen: 1000-1500 per minuut verplaatsing: 10-40mm per
minuut
c) basale cellen: rusten op basale membraan, stamcellen die andere
types kunnen vervangen
d) borstelcellen: geen cilia, wel apicale microvilli (oppvergroting)
- immature celtype: kan trilhaarcellen/ slijmbekercellen vervangen
- type met zenuwuiteinden aan basale opp -> sensorische receptor