NTI Samenvatting Voeding bij gezondheid en ziekte
Hoofstuk 2, 20, 31, 32, 33, 34, 35 en 36
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 2 Voedselaanbod ................................................................................................................... 4
2.1 Voedsel en de consument ............................................................................................................. 4
2.2 Voedselproductie .......................................................................................................................... 4
2.2.1 Intensieve landbouw .............................................................................................................. 4
2.2.2 Biologische landbouw............................................................................................................. 5
2.3 Informatie op de verpakking ......................................................................................................... 6
2.4 Veiligheid van voedsel ................................................................................................................... 8
2.4.1 Natuurlijke gifstoffen....................................................................................................... 8
2.4.2 Additieven ..................................................................................................................... 11
2.4.3 Contaminanten .............................................................................................................. 12
2.4.4 Micro-organismen ......................................................................................................... 13
2.4.5 Radioactiviteit................................................................................................................ 15
2.4.6 Genetisch gemodificeerd voedsel ................................................................................. 15
2.5 Voedsel en de wet ....................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 20 Voeding en geneesmiddelen .......................................................................................... 18
20.1 Opname en werking van geneesmiddelen ................................................................................ 18
20.2 Invloed van voeding en voedingstoestand op geneesmiddelen ............................................... 18
20.3 Invloed van geneesmiddelen op de voeding en voedingstoestand .......................................... 20
20.4 Elkaar versterkende werking van voeding en geneesmiddelen ................................................ 22
Hoofdstuk 31 Diëtetiek.......................................................................................................................... 25
31.1 Diëten ........................................................................................................................................ 25
31.2 Methodisch handelen................................................................................................................ 27
31.3 Dieetbegeleiding........................................................................................................................ 29
31.4 Dieetproducten ......................................................................................................................... 31
Hoofdstuk 32 Voedingsstof verrijkte diëten ......................................................................................... 33
32.1 Energie-eiwitverrijkt dieet ......................................................................................................... 33
32.2 Voedingsvezelverrijkt dieet ....................................................................................................... 37
Hoofdstuk 33 Voedingsstofbeperkte diëten ......................................................................................... 39
33.1 Energiebeperkt dieet ................................................................................................................. 39
33.2 Vetbeperkt dieet ....................................................................................................................... 41
33.3 Lactosebeperkt en lactosevrij dieet .......................................................................................... 42
33. 4 Natriumbeperkt dieet ............................................................................................................... 43
33.5 Eiwitbeperkt dieet ..................................................................................................................... 45
33.6 Vochtbeperkt dieet.................................................................................................................... 47
33.7 Kaliumbeperkt dieet .................................................................................................................. 47
,Hoofdstuk 34 Eliminatiediëten .............................................................................................................. 49
34.1 Koemelkeiwitvrij dieet........................................................................................................... 49
34.2 Glutenvrij dieet ...................................................................................................................... 50
Hoofdstuk 35 Voeding met veranderde consistentie ........................................................................... 51
35.1 Aanpassing van de consistentie en/of toedieningsweg ............................................................ 51
35.2 Voeding met gewijzigde consistentie per os ............................................................................. 52
35.3 Enterale voeding........................................................................................................................ 53
35.4 Parenterale voeding .................................................................................................................. 57
Hoofdstuk 36 Diagnostische diëten en balansdiëten ............................................................................ 58
36.1 Diagnostische diëten ................................................................................................................. 58
36.2 Balansdiëten .............................................................................................................................. 58
, Hoofdstuk 2 Voedselaanbod
2.1 Voedsel en de consument
Door de toegenomen transportmogelijkheden en de verbeterde conserveermethoden komt
het voedsel niet alleen uit de directe omgeving, maar is er sprake van een wereldmarkt; de
consument niet langer afhankelijk van de voedselproductie in de directe omgeving.
Omdat de voedselproductie en -verwerking zich aan het oog onttrekt, zijn veel mensen
ongerust over het voedsel. Voor de consument is het niet duidelijk wat de risico's voor de
gezondheid zijn van toegevoegde stoffen zoals kleurstoffen en conserveermiddelen, van
resten bestrijdingsmiddelen in groente en fruit en van verontreinigingen (zoals dioxines in
melk). De hulpverlener in de gezondheidszorg krijgt steeds meer vragen over veiligheid van
voedsel.
2.2 Voedselproductie
2.2.1 Intensieve landbouw
We kennen twee vormen van landbouw: de intensieve en extensieve vorm.
Bij de intensieve vorm spelen kunstmest en bestrijdingsmiddelen een belangrijke rol. In de
veeteelt worden dieren zo efficiënt mogelijk slachtrijp gemaakt (bio-industrie).
In de extensieve landbouw, de biologische landbouw, streeft men naar zo min mogelijk
ingrijpen in de natuur.
De meeste voedingsmiddelen worden voortgebracht door de intensieve landbouw.
Voordelen: de opbrengst per hectare is hoog. Dit wordt onder andere bereikt door het
gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Nadelen:
• Door kunstmest neemt de hoeveelheid nitraat in het bodemwater toe, waardoor het
nitraatgehalte van de gewassen stijgt. Vooral groenten kunnen een hoog
nitraatgehalte hebben.
• Nitraat vormt een grote bedreiging voor het drinkwater. Het kost de
waterleidingbedrijven steeds meer moeite water te produceren met een acceptabel
gehalte aan nitraat.
Monoculturen: Grote percelen met één soort gewas
Grote velden met één soort maken de planten veel gevoeliger voor insecten, schimmels en
bacteriën. Om risico's te vermijden spuit men met bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen
zijn meestal synthetische stoffen die niet of langzaam worden afgebroken en in het milieu
leiden tot accumulatie. In te hoge concentraties zijn deze stoffen giftig voor de mens.
Residuen of contaminanten: Resten van bestrijdingsmiddelen in ons voedsel (in groente
en fruit, en via het veevoer in dierlijke producten)
Wet gewasbescherming en biociden: de toelating van bestrijdingsmiddelen is in deze wet
geregeld.
Hoofstuk 2, 20, 31, 32, 33, 34, 35 en 36
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 2 Voedselaanbod ................................................................................................................... 4
2.1 Voedsel en de consument ............................................................................................................. 4
2.2 Voedselproductie .......................................................................................................................... 4
2.2.1 Intensieve landbouw .............................................................................................................. 4
2.2.2 Biologische landbouw............................................................................................................. 5
2.3 Informatie op de verpakking ......................................................................................................... 6
2.4 Veiligheid van voedsel ................................................................................................................... 8
2.4.1 Natuurlijke gifstoffen....................................................................................................... 8
2.4.2 Additieven ..................................................................................................................... 11
2.4.3 Contaminanten .............................................................................................................. 12
2.4.4 Micro-organismen ......................................................................................................... 13
2.4.5 Radioactiviteit................................................................................................................ 15
2.4.6 Genetisch gemodificeerd voedsel ................................................................................. 15
2.5 Voedsel en de wet ....................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 20 Voeding en geneesmiddelen .......................................................................................... 18
20.1 Opname en werking van geneesmiddelen ................................................................................ 18
20.2 Invloed van voeding en voedingstoestand op geneesmiddelen ............................................... 18
20.3 Invloed van geneesmiddelen op de voeding en voedingstoestand .......................................... 20
20.4 Elkaar versterkende werking van voeding en geneesmiddelen ................................................ 22
Hoofdstuk 31 Diëtetiek.......................................................................................................................... 25
31.1 Diëten ........................................................................................................................................ 25
31.2 Methodisch handelen................................................................................................................ 27
31.3 Dieetbegeleiding........................................................................................................................ 29
31.4 Dieetproducten ......................................................................................................................... 31
Hoofdstuk 32 Voedingsstof verrijkte diëten ......................................................................................... 33
32.1 Energie-eiwitverrijkt dieet ......................................................................................................... 33
32.2 Voedingsvezelverrijkt dieet ....................................................................................................... 37
Hoofdstuk 33 Voedingsstofbeperkte diëten ......................................................................................... 39
33.1 Energiebeperkt dieet ................................................................................................................. 39
33.2 Vetbeperkt dieet ....................................................................................................................... 41
33.3 Lactosebeperkt en lactosevrij dieet .......................................................................................... 42
33. 4 Natriumbeperkt dieet ............................................................................................................... 43
33.5 Eiwitbeperkt dieet ..................................................................................................................... 45
33.6 Vochtbeperkt dieet.................................................................................................................... 47
33.7 Kaliumbeperkt dieet .................................................................................................................. 47
,Hoofdstuk 34 Eliminatiediëten .............................................................................................................. 49
34.1 Koemelkeiwitvrij dieet........................................................................................................... 49
34.2 Glutenvrij dieet ...................................................................................................................... 50
Hoofdstuk 35 Voeding met veranderde consistentie ........................................................................... 51
35.1 Aanpassing van de consistentie en/of toedieningsweg ............................................................ 51
35.2 Voeding met gewijzigde consistentie per os ............................................................................. 52
35.3 Enterale voeding........................................................................................................................ 53
35.4 Parenterale voeding .................................................................................................................. 57
Hoofdstuk 36 Diagnostische diëten en balansdiëten ............................................................................ 58
36.1 Diagnostische diëten ................................................................................................................. 58
36.2 Balansdiëten .............................................................................................................................. 58
, Hoofdstuk 2 Voedselaanbod
2.1 Voedsel en de consument
Door de toegenomen transportmogelijkheden en de verbeterde conserveermethoden komt
het voedsel niet alleen uit de directe omgeving, maar is er sprake van een wereldmarkt; de
consument niet langer afhankelijk van de voedselproductie in de directe omgeving.
Omdat de voedselproductie en -verwerking zich aan het oog onttrekt, zijn veel mensen
ongerust over het voedsel. Voor de consument is het niet duidelijk wat de risico's voor de
gezondheid zijn van toegevoegde stoffen zoals kleurstoffen en conserveermiddelen, van
resten bestrijdingsmiddelen in groente en fruit en van verontreinigingen (zoals dioxines in
melk). De hulpverlener in de gezondheidszorg krijgt steeds meer vragen over veiligheid van
voedsel.
2.2 Voedselproductie
2.2.1 Intensieve landbouw
We kennen twee vormen van landbouw: de intensieve en extensieve vorm.
Bij de intensieve vorm spelen kunstmest en bestrijdingsmiddelen een belangrijke rol. In de
veeteelt worden dieren zo efficiënt mogelijk slachtrijp gemaakt (bio-industrie).
In de extensieve landbouw, de biologische landbouw, streeft men naar zo min mogelijk
ingrijpen in de natuur.
De meeste voedingsmiddelen worden voortgebracht door de intensieve landbouw.
Voordelen: de opbrengst per hectare is hoog. Dit wordt onder andere bereikt door het
gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Nadelen:
• Door kunstmest neemt de hoeveelheid nitraat in het bodemwater toe, waardoor het
nitraatgehalte van de gewassen stijgt. Vooral groenten kunnen een hoog
nitraatgehalte hebben.
• Nitraat vormt een grote bedreiging voor het drinkwater. Het kost de
waterleidingbedrijven steeds meer moeite water te produceren met een acceptabel
gehalte aan nitraat.
Monoculturen: Grote percelen met één soort gewas
Grote velden met één soort maken de planten veel gevoeliger voor insecten, schimmels en
bacteriën. Om risico's te vermijden spuit men met bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen
zijn meestal synthetische stoffen die niet of langzaam worden afgebroken en in het milieu
leiden tot accumulatie. In te hoge concentraties zijn deze stoffen giftig voor de mens.
Residuen of contaminanten: Resten van bestrijdingsmiddelen in ons voedsel (in groente
en fruit, en via het veevoer in dierlijke producten)
Wet gewasbescherming en biociden: de toelating van bestrijdingsmiddelen is in deze wet
geregeld.