NEUROLOGIE
1. INLEIDING
WAAROM NEUROLOGIE ?
• Hersengezondheid: essentieel voor gezond en gelukkig leven
• > 1/3 van patiënten zal ooit neurologische aandoening ontwikkelen: life time prevalentie
o Ziektelast (burden of disease) blijft stijgen (= cardiovasculair, = x2 kanker)
▪ Van alle zieke mensen heeft 43% een neurologische aandoening
• Groot sociaal stigma in alle culturen (mensen proberen klachten te verbergen)
Te weinig bekend: neurologie krijgt slechts 10% van de middelen terwijl 40% ziekte neurologisch is
• Neurologische ziekten kunnen goed behandeld worden
o Meeste ziekten zijn symptomatisch te behandelen en sommigen zelfs etiologisch/ causaal
• Sommige neurologische aandoeningen kunnen voorkomen worden → brain health
o Epilepsie 25%
o Beroerte 40%
o Dementie 40%
• Leerstof = slides + wat hij vertelt
• Slapen: 1/3 van ons leven
• Coma is neurologische aandoening los van de oorzaak
• Hoofdpijn
o Veel minder migraine in low and middle income countries welvaartsziekte
2. DE GROTE LOCALISATORISCHE SYNDROMEN
2.1 MOTORISCHE FUNCTIES VAN HET ZENUWSTELSEL
• Vaak een combinatie van vrijwillige en automatische bewegingen
• Bewegingsstelsel wordt aangedreven door zenuwstelsel
• Homo sapiens sapiens: benen zijn sterker dan armen → rechtop lopen (arm: fijne motoriek)
2.1.1 PYRAMIDAAL SYSTEEM
• Bewuste, vrijwillige bewegingen
• Tractus corticospinalis = tractus pyramidalis
• Gyrus precentralis (area 4 van Brodman) = frontale kwab
→ contralateraal = gekruist !!
o Pyramidale cellen: grote cellen in de cortex (Betzcellen)
o Somatotopie: ieder deel van het lichaam heeft
overeenkomstige zone in de hersenen = homunculus
▪ Been: interhemisferisch (middenlijn/
paramediaan)
▪ Hand: bovenaan thv convexiteit
▪ Gezicht: beneden thv buitenkant cortex
1
,2.1.1.1 TRACTUS CORTICOSPINALIS
• Wat gebeurt er als je wil lopen op je tenen?
o Celkern cel 1 vertrekt in de frontale kwab thv area 4 (paramediaan en contralateraal van
het been)
▪ Axonuitloper van 80 – 85 cm gaat richting de capsula interna→ medulla
oblongata → kruising 90% van vezels thv decussatio pyramidum
o Synaps met celkern cel 2:
▪ Synaps op spinaal niveau met motorische voorhoorncellen (diep in medulla
spinalis) → axonuitloper (80 – 85 cm) : onderdeel perifere zenuw → spier
• Steeds gekruist
▪ Synaps met motorische kernen van craniale zenuwen (homo – en contralateraal
met uitzondering van kern van N. VII inferior)
• 12 craniale zenuwen
o N. I en N. II: onderdeel van centraal zenuwstelsel
o Anderen: perifere zenuwen die hoofd bezenuwen (vertrek uit
hersenstam perifere zenuw: vertrek uit medulla spinalis)
• Anatomische grens tussen centraal en perifeer zenuwstelsel
o = Hersenvliezen
▪ Motorische baan gaat van centraal naar
perifeer waar de zenuwen de durale zak
verlaten
o Foramen magnum: grens tussen hersenen en
ruggenmerg MAAR !!!!
▪ Centraal motorisch neuron = cel 1 (celkern in
cortex)
▪ Perifeer motorisch neuron = cel 2 (celkern in
ruggenmerg)
• PMN is onderdeel van centraal ZS
(celkern ligt binnen durale zak)!!!!
• Durale zak wordt geperforeerd door
zenuwen: vanaf daar zijn ze perifeer
• KLINISCH
o Centraal motorisch neuron (CMN) = pyramidebaan
o Perifeer motorisch neuron (PMN) = motorische voorhoorncel met uitloper tot aan spier
▪ Innervatie van spieren (α – neuronen)
▪ Tussenkomst in reflexboog (γ – neuronen)
• Bij ontspannen spier op pees slaan → zorgt voor reflex (bescherming
tegen kwetsuur: terugtrekken voor je zou kunnen denken wat het is )
• Reflex = zeer snel handelen op mogelijk bedreigende situatie, duurt
tiental milliseconden (hersenen niet voor nodig)
Peesreflex
1. Sensibel signaal van perifere zenuw (rood) vanuit spier/ huid
2. Rood bolletje = ganglion spinale (bevat alle kernen van
sensibele zenuwen)
3. Uitloper in het ruggenmerg gaat synaps maken met
motorische voorhoorncel (geel): spier gaat samentrekken
2
,2.1.1.1.1 CMN
• Invloed op PMN
o Exciterende werking
▪ Spiercontractie
• Als alle excitatie wegvalt: verlamming
▪ Bewuste vrijwillige bewegingen
o Inhiberende werking
▪ Voorkomen van hyperreflexie en hypertonie
• Als alle inhibitie wegvalt: tetanie, kramp
o !! 2 systemen houden elkaar in evenwicht (positief effect wordt gecounterd door negatief
effect → soort homeostase)
• Letsel van CMN
o Acuut (bv. CVA met corticaal O2 tekort)
▪ Contralaterale uitval van exciterende functie
▪ Paralyse1(facialis inferior parese contralateraal)
▪ Areflexie
▪ Hypotonie
▪ = SLAPPE VERLAMMING MET LAGE REFLEXEN
o Uren – weken nadien
▪ Uitval van inhiberende werking
▪ Hyperreflexie → hogere reflexen
▪ Hypertonie bij pyramidaal syndroom = spasticiteit
• verhoogde tonus bij extrapyramidaal syndroom (ziekte van
Parkinson) = rigiditeit
2.1.1.1.2 PMN LETSEL: BV. DIEPE SNEDE IN VOORARM
• Parese met hypotonie
o = slappe verlamming
• Areflexie
• Atrofie (wegvallen trofische functie van PMN)
o Indien geen herstel in uren/ dagen erna → belangrijk teken van neurologische uitval
▪ Perifere zenuw is trofisch centrum van de spier (altijd spieratrofie bij verlies
contact met perifere zenuw)
▪ pseudoatrofie door zittend bestaan (je krijgt dunne benen als je nooit wandelt)
o = verminderen volume van spierweefsel
• Fasciculaties
o = teken van connectieverlies tussen perifere zenuw en spier
o = wemelingen in spierweefsel (spieren lijken te bewegen zonder dat been beweegt)
▪ Herkennen bij bepaalde aandoeningen !!!
2.1.2 EXTRAPYRAMIDAAL SYSTEEM
• Automatische bewegingen (bv. armzwaai bij het gaan)
o Zorgt voor evenwicht, gecoördineerde beweging van arm en been
o Bij asymmetrische armzwaai: unilateraal verlies → ziekte van Parkinson
▪ Patiënt is of wordt neurologische patiënt
• Corticale zones in frontale kwab (niet in primaire motorische cortex, maar in zones vlakbij)
1
Parese = gedeeltelijk verlies van kracht paralyse (volledige slappe verlamming)
3
, • Basale ganglia = grijze kernen dieper in hersenen (nucleus caudatus, putamen,…)
o Axonen gaan niet via capsula interna
• Mesencefale kernen
o Nucleus subthalamicus
o Substantia nigra
o Nucleus ruber
• Medulla oblongata
o Oliva inferior
o Substantia reticularis
2.1.2.1 STOORNISSEN
• Spiertonus
o Verhoogd → rigiditeit
o Tandrandfenomeen: door gelijktijdig aanspannen van agonisten en antagonisten
▪ Normaal vloeiende bewegingen (agonisten moeten samentrekken en
antagonisten moeten loslaten) → loopt fout bij extrapyramidale aandoening
▪ → schoksgewijze loslating ipv vloeiend
• Onwillekeurige bewegingen = dyskinesieën (overmatige bewegingen, vaak ongecontroleerd)
o Verdwijnen tijdens slaap
o Nemen toe bij emotie
▪ Minder in rustige psychologische omstandigheden
• Tremor is erger bij spreken voor publiek (↓ ’s avonds aan tafel)
o Tremor
▪ = onwillekeurige beweging met min of meer vaste frequentie
▪ Typisch bij fysieke rust (= rusttremor)
▪ cerebellaire tremor = intentionele tremor (= actietremor: stijgende tremor, hoe
dichter men komt bij target) → koffievlekken op hemd
o Chorea
▪ = niet-vaste frequentie onwillekeurige beweging (bewegingsonrust met kleine
amplitude)
▪ Bv. Ziekte van Huntington
o Athetose
▪ = bewegingsonrust met grote amplitude
o Hemiballisme
▪ = meestal unilateraal (heftige onregelmatige onwillekeurige beweging: alsof hand
of voet wil weglopen)
o Myoclonie
▪ = korte spiertrekkingen van een spiergroep (unilateraal/ bilateraal)
▪ Kan ook niet pathologisch zijn bv. inslaapmyoclonie (erg moe, je valt in slaap en
plots ongelofelijke schok die je kan wakker maken)
o Dystonie
▪ = bewegingsstoornis geassocieerd met abnormale houding (bv. stijve nek)
▪ Kan bij ziekte van Parkinson maar kan ook onschuldig zijn
• Motorisch tempo en automatisme
o Hyperkinesie: onwillekeurige bewegingen
o Hypokinesie (te weinig beweging)
▪ Verminderde mimiek in het aangezicht (pokerface)
▪ Verminderd oogknipperen (zorgt voor nathouden oog)
▪ Verminderde armslag
4
1. INLEIDING
WAAROM NEUROLOGIE ?
• Hersengezondheid: essentieel voor gezond en gelukkig leven
• > 1/3 van patiënten zal ooit neurologische aandoening ontwikkelen: life time prevalentie
o Ziektelast (burden of disease) blijft stijgen (= cardiovasculair, = x2 kanker)
▪ Van alle zieke mensen heeft 43% een neurologische aandoening
• Groot sociaal stigma in alle culturen (mensen proberen klachten te verbergen)
Te weinig bekend: neurologie krijgt slechts 10% van de middelen terwijl 40% ziekte neurologisch is
• Neurologische ziekten kunnen goed behandeld worden
o Meeste ziekten zijn symptomatisch te behandelen en sommigen zelfs etiologisch/ causaal
• Sommige neurologische aandoeningen kunnen voorkomen worden → brain health
o Epilepsie 25%
o Beroerte 40%
o Dementie 40%
• Leerstof = slides + wat hij vertelt
• Slapen: 1/3 van ons leven
• Coma is neurologische aandoening los van de oorzaak
• Hoofdpijn
o Veel minder migraine in low and middle income countries welvaartsziekte
2. DE GROTE LOCALISATORISCHE SYNDROMEN
2.1 MOTORISCHE FUNCTIES VAN HET ZENUWSTELSEL
• Vaak een combinatie van vrijwillige en automatische bewegingen
• Bewegingsstelsel wordt aangedreven door zenuwstelsel
• Homo sapiens sapiens: benen zijn sterker dan armen → rechtop lopen (arm: fijne motoriek)
2.1.1 PYRAMIDAAL SYSTEEM
• Bewuste, vrijwillige bewegingen
• Tractus corticospinalis = tractus pyramidalis
• Gyrus precentralis (area 4 van Brodman) = frontale kwab
→ contralateraal = gekruist !!
o Pyramidale cellen: grote cellen in de cortex (Betzcellen)
o Somatotopie: ieder deel van het lichaam heeft
overeenkomstige zone in de hersenen = homunculus
▪ Been: interhemisferisch (middenlijn/
paramediaan)
▪ Hand: bovenaan thv convexiteit
▪ Gezicht: beneden thv buitenkant cortex
1
,2.1.1.1 TRACTUS CORTICOSPINALIS
• Wat gebeurt er als je wil lopen op je tenen?
o Celkern cel 1 vertrekt in de frontale kwab thv area 4 (paramediaan en contralateraal van
het been)
▪ Axonuitloper van 80 – 85 cm gaat richting de capsula interna→ medulla
oblongata → kruising 90% van vezels thv decussatio pyramidum
o Synaps met celkern cel 2:
▪ Synaps op spinaal niveau met motorische voorhoorncellen (diep in medulla
spinalis) → axonuitloper (80 – 85 cm) : onderdeel perifere zenuw → spier
• Steeds gekruist
▪ Synaps met motorische kernen van craniale zenuwen (homo – en contralateraal
met uitzondering van kern van N. VII inferior)
• 12 craniale zenuwen
o N. I en N. II: onderdeel van centraal zenuwstelsel
o Anderen: perifere zenuwen die hoofd bezenuwen (vertrek uit
hersenstam perifere zenuw: vertrek uit medulla spinalis)
• Anatomische grens tussen centraal en perifeer zenuwstelsel
o = Hersenvliezen
▪ Motorische baan gaat van centraal naar
perifeer waar de zenuwen de durale zak
verlaten
o Foramen magnum: grens tussen hersenen en
ruggenmerg MAAR !!!!
▪ Centraal motorisch neuron = cel 1 (celkern in
cortex)
▪ Perifeer motorisch neuron = cel 2 (celkern in
ruggenmerg)
• PMN is onderdeel van centraal ZS
(celkern ligt binnen durale zak)!!!!
• Durale zak wordt geperforeerd door
zenuwen: vanaf daar zijn ze perifeer
• KLINISCH
o Centraal motorisch neuron (CMN) = pyramidebaan
o Perifeer motorisch neuron (PMN) = motorische voorhoorncel met uitloper tot aan spier
▪ Innervatie van spieren (α – neuronen)
▪ Tussenkomst in reflexboog (γ – neuronen)
• Bij ontspannen spier op pees slaan → zorgt voor reflex (bescherming
tegen kwetsuur: terugtrekken voor je zou kunnen denken wat het is )
• Reflex = zeer snel handelen op mogelijk bedreigende situatie, duurt
tiental milliseconden (hersenen niet voor nodig)
Peesreflex
1. Sensibel signaal van perifere zenuw (rood) vanuit spier/ huid
2. Rood bolletje = ganglion spinale (bevat alle kernen van
sensibele zenuwen)
3. Uitloper in het ruggenmerg gaat synaps maken met
motorische voorhoorncel (geel): spier gaat samentrekken
2
,2.1.1.1.1 CMN
• Invloed op PMN
o Exciterende werking
▪ Spiercontractie
• Als alle excitatie wegvalt: verlamming
▪ Bewuste vrijwillige bewegingen
o Inhiberende werking
▪ Voorkomen van hyperreflexie en hypertonie
• Als alle inhibitie wegvalt: tetanie, kramp
o !! 2 systemen houden elkaar in evenwicht (positief effect wordt gecounterd door negatief
effect → soort homeostase)
• Letsel van CMN
o Acuut (bv. CVA met corticaal O2 tekort)
▪ Contralaterale uitval van exciterende functie
▪ Paralyse1(facialis inferior parese contralateraal)
▪ Areflexie
▪ Hypotonie
▪ = SLAPPE VERLAMMING MET LAGE REFLEXEN
o Uren – weken nadien
▪ Uitval van inhiberende werking
▪ Hyperreflexie → hogere reflexen
▪ Hypertonie bij pyramidaal syndroom = spasticiteit
• verhoogde tonus bij extrapyramidaal syndroom (ziekte van
Parkinson) = rigiditeit
2.1.1.1.2 PMN LETSEL: BV. DIEPE SNEDE IN VOORARM
• Parese met hypotonie
o = slappe verlamming
• Areflexie
• Atrofie (wegvallen trofische functie van PMN)
o Indien geen herstel in uren/ dagen erna → belangrijk teken van neurologische uitval
▪ Perifere zenuw is trofisch centrum van de spier (altijd spieratrofie bij verlies
contact met perifere zenuw)
▪ pseudoatrofie door zittend bestaan (je krijgt dunne benen als je nooit wandelt)
o = verminderen volume van spierweefsel
• Fasciculaties
o = teken van connectieverlies tussen perifere zenuw en spier
o = wemelingen in spierweefsel (spieren lijken te bewegen zonder dat been beweegt)
▪ Herkennen bij bepaalde aandoeningen !!!
2.1.2 EXTRAPYRAMIDAAL SYSTEEM
• Automatische bewegingen (bv. armzwaai bij het gaan)
o Zorgt voor evenwicht, gecoördineerde beweging van arm en been
o Bij asymmetrische armzwaai: unilateraal verlies → ziekte van Parkinson
▪ Patiënt is of wordt neurologische patiënt
• Corticale zones in frontale kwab (niet in primaire motorische cortex, maar in zones vlakbij)
1
Parese = gedeeltelijk verlies van kracht paralyse (volledige slappe verlamming)
3
, • Basale ganglia = grijze kernen dieper in hersenen (nucleus caudatus, putamen,…)
o Axonen gaan niet via capsula interna
• Mesencefale kernen
o Nucleus subthalamicus
o Substantia nigra
o Nucleus ruber
• Medulla oblongata
o Oliva inferior
o Substantia reticularis
2.1.2.1 STOORNISSEN
• Spiertonus
o Verhoogd → rigiditeit
o Tandrandfenomeen: door gelijktijdig aanspannen van agonisten en antagonisten
▪ Normaal vloeiende bewegingen (agonisten moeten samentrekken en
antagonisten moeten loslaten) → loopt fout bij extrapyramidale aandoening
▪ → schoksgewijze loslating ipv vloeiend
• Onwillekeurige bewegingen = dyskinesieën (overmatige bewegingen, vaak ongecontroleerd)
o Verdwijnen tijdens slaap
o Nemen toe bij emotie
▪ Minder in rustige psychologische omstandigheden
• Tremor is erger bij spreken voor publiek (↓ ’s avonds aan tafel)
o Tremor
▪ = onwillekeurige beweging met min of meer vaste frequentie
▪ Typisch bij fysieke rust (= rusttremor)
▪ cerebellaire tremor = intentionele tremor (= actietremor: stijgende tremor, hoe
dichter men komt bij target) → koffievlekken op hemd
o Chorea
▪ = niet-vaste frequentie onwillekeurige beweging (bewegingsonrust met kleine
amplitude)
▪ Bv. Ziekte van Huntington
o Athetose
▪ = bewegingsonrust met grote amplitude
o Hemiballisme
▪ = meestal unilateraal (heftige onregelmatige onwillekeurige beweging: alsof hand
of voet wil weglopen)
o Myoclonie
▪ = korte spiertrekkingen van een spiergroep (unilateraal/ bilateraal)
▪ Kan ook niet pathologisch zijn bv. inslaapmyoclonie (erg moe, je valt in slaap en
plots ongelofelijke schok die je kan wakker maken)
o Dystonie
▪ = bewegingsstoornis geassocieerd met abnormale houding (bv. stijve nek)
▪ Kan bij ziekte van Parkinson maar kan ook onschuldig zijn
• Motorisch tempo en automatisme
o Hyperkinesie: onwillekeurige bewegingen
o Hypokinesie (te weinig beweging)
▪ Verminderde mimiek in het aangezicht (pokerface)
▪ Verminderd oogknipperen (zorgt voor nathouden oog)
▪ Verminderde armslag
4