Taaltoets HBO 4F
Uitleg + voorbeelden
De Haagse Hogeschool
Indy
Spelling van werkwoorden
Spelling algemeen
Zinsstructuur
Algemeen taalgebruik
,Inhoudsopgave
Werkwoordspelling ..................................................................................................................................... 3
Werkwoordspelling ................................................................................................................................. 4
Spelling algemeen ..................................................................................................................................... 12
Veelvoorkomende woorden ................................................................................................................. 12
Samenstelling met tussenletter -n- of -s- ............................................................................................. 13
Los, aaneen of met een streepje .......................................................................................................... 15
Hoofdletter of kleine letter ................................................................................................................... 20
Klinkerbotsingen.................................................................................................................................... 23
Afkortingen ............................................................................................................................................ 24
Meervoud en bezitsvorm ...................................................................................................................... 25
Woordtekens ......................................................................................................................................... 26
Zinsstructuur ............................................................................................................................................. 28
Leestekens ............................................................................................................................................. 28
Zinsontleding ......................................................................................................................................... 32
Woordsoorten ....................................................................................................................................... 40
Stijl in zinnen ......................................................................................................................................... 47
Algemeen taalgebruik ............................................................................................................................... 50
Taalkwesties .......................................................................................................................................... 50
Stijl in woorden ..................................................................................................................................... 56
Spreekwoorden en uitdrukkingen ........................................................................................................ 58
2
,Werkwoordspelling
Leer het volgende schema uit je hoofd en schrijf direct op wanneer je de toets gaat maken. Het
hulpmiddel zal je enorm helpen met dit onderwerp.
3
, Werkwoordspelling
Persoonsvorm
Stappen:
1. Maak de zin vragend. Het eerste werkwoord is de persoonsvorm.
2. Verander de tijd van de zin. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
3. Zet het onderwerp in het meervoud of enkelvoud. Het werkwoord dat verandert is de
persoonsvorm.
Ik-vorm
Voor de juiste spelling van de werkwoorden zoek je de ik-vorm van het werkwoord. De ik-vorm van
werkwoorden hebben we nodig voor het vervoegen daarvan.
Voorbeeld:
o De ik-vorm van lopen is loop.
o De ik-vorm van verhuizen is verhuis.
‘Je’ achter de persoonsvorm
Stappen:
1. Als je het onderwerp is en achter de persoonsvorm staat, dan komt er bij de persoonsvorm geen -t
achter de ik-vorm.
2. Je moet in dat geval ook vervangen kunnen worden door jij: ik-vorm, zonder -t: vind jij/je, loop jij/je
Voorbeeld:
o Word je (jij) morgen 26 jaar?
o Beland je (jij) elke vrijdag in de kroeg?
Als je geen onderwerp is, maar een meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp, wederkerend
voornaamwoord of bezittelijk voormaanwoord, kan je achter de persoonsvorm alleen vervangen
worden door jou, jouw of jezelf. Er komt bij de persoonsvorm dan een -t achter de ik-vorm (als de
tweede of derde persoon enkelvoud het onderwerp is).
Voorbeeld:
o Wordt je (jouw) moeder ook zo oud?
o Waarom wordt je (jouw) hond zo agressief?
4
Uitleg + voorbeelden
De Haagse Hogeschool
Indy
Spelling van werkwoorden
Spelling algemeen
Zinsstructuur
Algemeen taalgebruik
,Inhoudsopgave
Werkwoordspelling ..................................................................................................................................... 3
Werkwoordspelling ................................................................................................................................. 4
Spelling algemeen ..................................................................................................................................... 12
Veelvoorkomende woorden ................................................................................................................. 12
Samenstelling met tussenletter -n- of -s- ............................................................................................. 13
Los, aaneen of met een streepje .......................................................................................................... 15
Hoofdletter of kleine letter ................................................................................................................... 20
Klinkerbotsingen.................................................................................................................................... 23
Afkortingen ............................................................................................................................................ 24
Meervoud en bezitsvorm ...................................................................................................................... 25
Woordtekens ......................................................................................................................................... 26
Zinsstructuur ............................................................................................................................................. 28
Leestekens ............................................................................................................................................. 28
Zinsontleding ......................................................................................................................................... 32
Woordsoorten ....................................................................................................................................... 40
Stijl in zinnen ......................................................................................................................................... 47
Algemeen taalgebruik ............................................................................................................................... 50
Taalkwesties .......................................................................................................................................... 50
Stijl in woorden ..................................................................................................................................... 56
Spreekwoorden en uitdrukkingen ........................................................................................................ 58
2
,Werkwoordspelling
Leer het volgende schema uit je hoofd en schrijf direct op wanneer je de toets gaat maken. Het
hulpmiddel zal je enorm helpen met dit onderwerp.
3
, Werkwoordspelling
Persoonsvorm
Stappen:
1. Maak de zin vragend. Het eerste werkwoord is de persoonsvorm.
2. Verander de tijd van de zin. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
3. Zet het onderwerp in het meervoud of enkelvoud. Het werkwoord dat verandert is de
persoonsvorm.
Ik-vorm
Voor de juiste spelling van de werkwoorden zoek je de ik-vorm van het werkwoord. De ik-vorm van
werkwoorden hebben we nodig voor het vervoegen daarvan.
Voorbeeld:
o De ik-vorm van lopen is loop.
o De ik-vorm van verhuizen is verhuis.
‘Je’ achter de persoonsvorm
Stappen:
1. Als je het onderwerp is en achter de persoonsvorm staat, dan komt er bij de persoonsvorm geen -t
achter de ik-vorm.
2. Je moet in dat geval ook vervangen kunnen worden door jij: ik-vorm, zonder -t: vind jij/je, loop jij/je
Voorbeeld:
o Word je (jij) morgen 26 jaar?
o Beland je (jij) elke vrijdag in de kroeg?
Als je geen onderwerp is, maar een meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp, wederkerend
voornaamwoord of bezittelijk voormaanwoord, kan je achter de persoonsvorm alleen vervangen
worden door jou, jouw of jezelf. Er komt bij de persoonsvorm dan een -t achter de ik-vorm (als de
tweede of derde persoon enkelvoud het onderwerp is).
Voorbeeld:
o Wordt je (jouw) moeder ook zo oud?
o Waarom wordt je (jouw) hond zo agressief?
4