Inleiding Onderwijswetenschappen
Blok 1 - Week 1
Leerdoelen:
Studenten kunnen uitleggen wat het vakgebied van de
onderwijswetenschappen inhoudt en welke deelterreinen het bevat.
(onthouden en begrijpen)
Drie niveaus beschrijven waarop onderwijswetenschappers
vraagstukken analyseren (micro-, meso- en macroniveau) en van
een vraagstuk aangeven op welk niveau dit betrekking heeft
(onthouden/ begrijpen en toepassen).
Verbinding met psychologie / sociologie
Interdisciplinaire wetenschap die bezig is met het BESTUDEREN van
ONDERWIJS & LEREN, om dit te VERBETEREN:
Bestuderen: beschrijven, begrijpen, verklaren
Onderwijs niet alleen op school, maar ook andere contexten
& leren: formele, non-formele en informele contexten
Verbeteren: praktijkgerichte wetenschap: kennisontwikkeling en
praktijkverbetering
Macro-, meso- en microniveau
Macroniveau, beleid, bv.:
o Inrichting nationaal onderwijsstelsel
o Beleid op internationaal, landelijk of gemeentelijk niveau
o Curriculumontwikkeling door overheid
Mesoniveau, (school) organisatie, bv.:
o Leerklimaat in een school of organisatie
o Sturing en leiderschap in scholen
o Professionalisering / behoeftes van docenten
Microniveau, onderwijsleerprocessen, bv.:
o Didactische vormgeving onderwijs
o Individuele verschillen in leerprocessen en -prestaties
, o Leerkracht-leerling en leerling-leerling interacties
Wisselwerking niveaus
Macro > meso & micro: beslissingen op beleidsniveau hebben
invloed op organisatie/ infrastructuur van scholen en leren van
leerlingen.
(andersom) Meso & micro > macro: ervaren dilemma’s
onderwijspraktijk zijn vaak aanleiding voor beleidsveranderingen.
Micro > meso & macro: beslissingen op microniveau hebben effect
op scholen en bredere arbeidsmarkt en samenleving.
(andersom) Meso & macro > micro: Niet alleen school, maar ook
samenleving, arbeidsmarkt, ouders en wetenschappers hebben
invloed op leerprocessen in de klas.
Biesta, G. (2009). Good education in an age of measurement: On the need
to reconnect with the question of purpose in education
Functies van educatie:
1) Kwalificatie
2) Socialisatie
3) Persoonsvorming
Citizenship education = “goede” burger worden
Maar wat is een goede burger?
Mathematics education = overdragen van kennis
,Blok 1 - Week 2
Onderwijssociologie = sub discipline van de sociologie die zich buigt over
de relatie tussen de sociale samenleving en het onderwijs
Functies van het onderwijs:
• Kwalificatie
• Socialisatie. (Gert Biesta, 2009)
• Subjectivering
Selectie en allocatie: toewijzing aan arbeidsmarkt en
maatschappelijke posities
Emancipatie
reproductie
Meritocratie sleutelmacht van onderwijs
Sociale mobiliteit belangrijk: bewegen op de maatschappelijke ladder
Stijgen (opwaartse mobiliteit)
Dalen (neerwaartse mobiliteit)
o Meestal uitgedrukt in intergenerationele mobiliteit: vergelijking
met status van ouders
Sociale reproductie (Pierre Bourdieu)
“Het proces waarbij sociale ongelijkheden van de ene generatie op de
volgende worden overgedragen via instellingen zoals het onderwijs”
Niet bewegen op de maatschappelijke ladder (ten opzichte van
vorige generatie)
Kinderen krijgen dezelfde maatschappelijke positie als hun ouders
Reproductie Theorie:
• Economisch, sociaal en cultureel kapitaal
• Meerderheid (‘dominante groep’) heeft de symbolische macht
Onderwijs als reproductiemiddel:
, Meritocratie en kans gelijkheid
Meritocratie = Een systeem waarin je positie of succes wordt bepaald door
je talenten, prestaties en inspanningen.
Meritocratie in onderwijs:
“Maatschappelijke positie word
bepaald door talent, inzet en
motivatie. Niet je sociale herkomst.”
Kanttekeningen meritocratisch ideaal (Michael Young, 1958):
• Maatschappelijke solidariteit komt onder druk te staan
• Nadruk op individuele verantwoordelijkheid, verharding
• Nieuwe vormen van tweedeling: niet herkomst, maar intelligentie
“Iedereen heeft gelijke kansen: als je maar je best doet, kun je worden
wat je wilt.”
“Als je buiten de boot valt, is dat door gebrek aan inzet.”
Gelijke kansen-ideaal
• Kansengelijkheid: ‘Onderwijsstelsel waarin schoolprestaties van een
leerling een reflectie zijn van de inzet en talent van een leerling en
niet van diens sociaal milieu.’
• Elk kind heeft recht op optimale ontwikkelingsmogelijkheden,
gegeven diens aanleg en talenten.
• Het is onrechtvaardig als kinderen met gelijke aanleg
verschillende mogelijkheden hebben op een succesvolle
schoolcarrière vanwege de achtergrondkenmerken van het gezin van
herkomst of hun geslacht.
Kenmerken van onderwijsstelsel en kansgelijkheid
De mate van:
• Differentiatie
• Flexibiliteit
Blok 1 - Week 1
Leerdoelen:
Studenten kunnen uitleggen wat het vakgebied van de
onderwijswetenschappen inhoudt en welke deelterreinen het bevat.
(onthouden en begrijpen)
Drie niveaus beschrijven waarop onderwijswetenschappers
vraagstukken analyseren (micro-, meso- en macroniveau) en van
een vraagstuk aangeven op welk niveau dit betrekking heeft
(onthouden/ begrijpen en toepassen).
Verbinding met psychologie / sociologie
Interdisciplinaire wetenschap die bezig is met het BESTUDEREN van
ONDERWIJS & LEREN, om dit te VERBETEREN:
Bestuderen: beschrijven, begrijpen, verklaren
Onderwijs niet alleen op school, maar ook andere contexten
& leren: formele, non-formele en informele contexten
Verbeteren: praktijkgerichte wetenschap: kennisontwikkeling en
praktijkverbetering
Macro-, meso- en microniveau
Macroniveau, beleid, bv.:
o Inrichting nationaal onderwijsstelsel
o Beleid op internationaal, landelijk of gemeentelijk niveau
o Curriculumontwikkeling door overheid
Mesoniveau, (school) organisatie, bv.:
o Leerklimaat in een school of organisatie
o Sturing en leiderschap in scholen
o Professionalisering / behoeftes van docenten
Microniveau, onderwijsleerprocessen, bv.:
o Didactische vormgeving onderwijs
o Individuele verschillen in leerprocessen en -prestaties
, o Leerkracht-leerling en leerling-leerling interacties
Wisselwerking niveaus
Macro > meso & micro: beslissingen op beleidsniveau hebben
invloed op organisatie/ infrastructuur van scholen en leren van
leerlingen.
(andersom) Meso & micro > macro: ervaren dilemma’s
onderwijspraktijk zijn vaak aanleiding voor beleidsveranderingen.
Micro > meso & macro: beslissingen op microniveau hebben effect
op scholen en bredere arbeidsmarkt en samenleving.
(andersom) Meso & macro > micro: Niet alleen school, maar ook
samenleving, arbeidsmarkt, ouders en wetenschappers hebben
invloed op leerprocessen in de klas.
Biesta, G. (2009). Good education in an age of measurement: On the need
to reconnect with the question of purpose in education
Functies van educatie:
1) Kwalificatie
2) Socialisatie
3) Persoonsvorming
Citizenship education = “goede” burger worden
Maar wat is een goede burger?
Mathematics education = overdragen van kennis
,Blok 1 - Week 2
Onderwijssociologie = sub discipline van de sociologie die zich buigt over
de relatie tussen de sociale samenleving en het onderwijs
Functies van het onderwijs:
• Kwalificatie
• Socialisatie. (Gert Biesta, 2009)
• Subjectivering
Selectie en allocatie: toewijzing aan arbeidsmarkt en
maatschappelijke posities
Emancipatie
reproductie
Meritocratie sleutelmacht van onderwijs
Sociale mobiliteit belangrijk: bewegen op de maatschappelijke ladder
Stijgen (opwaartse mobiliteit)
Dalen (neerwaartse mobiliteit)
o Meestal uitgedrukt in intergenerationele mobiliteit: vergelijking
met status van ouders
Sociale reproductie (Pierre Bourdieu)
“Het proces waarbij sociale ongelijkheden van de ene generatie op de
volgende worden overgedragen via instellingen zoals het onderwijs”
Niet bewegen op de maatschappelijke ladder (ten opzichte van
vorige generatie)
Kinderen krijgen dezelfde maatschappelijke positie als hun ouders
Reproductie Theorie:
• Economisch, sociaal en cultureel kapitaal
• Meerderheid (‘dominante groep’) heeft de symbolische macht
Onderwijs als reproductiemiddel:
, Meritocratie en kans gelijkheid
Meritocratie = Een systeem waarin je positie of succes wordt bepaald door
je talenten, prestaties en inspanningen.
Meritocratie in onderwijs:
“Maatschappelijke positie word
bepaald door talent, inzet en
motivatie. Niet je sociale herkomst.”
Kanttekeningen meritocratisch ideaal (Michael Young, 1958):
• Maatschappelijke solidariteit komt onder druk te staan
• Nadruk op individuele verantwoordelijkheid, verharding
• Nieuwe vormen van tweedeling: niet herkomst, maar intelligentie
“Iedereen heeft gelijke kansen: als je maar je best doet, kun je worden
wat je wilt.”
“Als je buiten de boot valt, is dat door gebrek aan inzet.”
Gelijke kansen-ideaal
• Kansengelijkheid: ‘Onderwijsstelsel waarin schoolprestaties van een
leerling een reflectie zijn van de inzet en talent van een leerling en
niet van diens sociaal milieu.’
• Elk kind heeft recht op optimale ontwikkelingsmogelijkheden,
gegeven diens aanleg en talenten.
• Het is onrechtvaardig als kinderen met gelijke aanleg
verschillende mogelijkheden hebben op een succesvolle
schoolcarrière vanwege de achtergrondkenmerken van het gezin van
herkomst of hun geslacht.
Kenmerken van onderwijsstelsel en kansgelijkheid
De mate van:
• Differentiatie
• Flexibiliteit