CGO hoofdstuk 3: persoonlijkheidsstoornissen
3.2: persoonlijkheid:
Persoonlijkheid verwijst naar stabiele gedragspatronen van mensen die we aan de
buitenkant waarnemen.
Heeft betrekking op de kenmerkende verschillen tussen individuen in de wijze waarop ze
denken, voelen en zich gedragen.
Deze individuele verschillen zijn relatief stabiel over verschillende situaties en door de
levensloop heen.
Achter die gedachten, gevoelens en gedragingen gaan psychologische processen schuil die
minder waarneembaar zijn, zowel voor andere als soms ook voor de persoon zelf.
Gemiddeld is ongeveer de helft van alle persoonlijkheidseigenschappen genetisch bepaald,
waarbij er wel verschillen zijn per specifieke eigenschap.
Andere helft wordt bepaald door leerprocessen in de jeugd en adolescentie.
Ook ingrijpende levensgebeurtenissen op latere leeftijd kunnen een duurzaam stempel
zetten op iemand persoonlijkheid.
3.2.1: temperament:
Temperament wijst naar aangeboren, biologisch bepaalde individuele verschillen tussen
mensen.
Moderne visie op temperament zijn 3 aangeboren temperamenten onderscheidt:
1. Vermijden van gevaar.
2. Behoefte hebben aan nieuwe prikkels.
3. Afhankelijk zijn van beloningen zoals waardering door andere.
De combinatie van aangeboren temperament en de vroege omgeving bepaalt of iemand een
gezonde persoonlijkheid ontwikkelt.
3.2.2: persoonlijkheidstrekken:
In psychologie zijn verschillende modellen ontwikkeld om persoonlijkheid te beschrijven in
termen van persoonlijkheidstrekken.
Deze benadering leidde tot het tegenwoordig meest gangbare model voor
persoonlijkheidstrekken, dat van het Vijffactorenmodel.
Volgens dit model is de persoonlijkheid te herleiden tot 5 basistrekken:
1. Openheid
Verwijst naar in hoeverre iemand openstaat voor nieuwe ideeën en ervaringen
tegenover juist gesloten, rigide en dogmatische denken.
2. Consciëntieusheid
Betekent dat iemand gewetensvol, doelgericht en vasthoudend is, tegenover
impulsief en wispelturig.
3. Extraversie
Mate waarin iemand naar buiten en op andere mensen is gericht, tegen over
introversie.
4. Altruïsme
heeft betrekking op het gericht zijn op de belangen van anderen, tegenover juist op
eigenbelang gericht te zijn.
5. Neuroticisme
Betreft de mate van emotionele kwetsbaarheid van iemand, oftewel de neiging om
emotioneel te ontregelen met als tegenovergestelde emotionele stabiliteit.
Die 5 factoren zijn onderverdeeld in 25 facetten.
Dit model is ontwikkeld om de normale persoonlijkheid te beschrijven, maar extreme op 1 of
meer van deze 5 factoren kunnen wel tot problematisch gedrag leiden.
3.2: persoonlijkheid:
Persoonlijkheid verwijst naar stabiele gedragspatronen van mensen die we aan de
buitenkant waarnemen.
Heeft betrekking op de kenmerkende verschillen tussen individuen in de wijze waarop ze
denken, voelen en zich gedragen.
Deze individuele verschillen zijn relatief stabiel over verschillende situaties en door de
levensloop heen.
Achter die gedachten, gevoelens en gedragingen gaan psychologische processen schuil die
minder waarneembaar zijn, zowel voor andere als soms ook voor de persoon zelf.
Gemiddeld is ongeveer de helft van alle persoonlijkheidseigenschappen genetisch bepaald,
waarbij er wel verschillen zijn per specifieke eigenschap.
Andere helft wordt bepaald door leerprocessen in de jeugd en adolescentie.
Ook ingrijpende levensgebeurtenissen op latere leeftijd kunnen een duurzaam stempel
zetten op iemand persoonlijkheid.
3.2.1: temperament:
Temperament wijst naar aangeboren, biologisch bepaalde individuele verschillen tussen
mensen.
Moderne visie op temperament zijn 3 aangeboren temperamenten onderscheidt:
1. Vermijden van gevaar.
2. Behoefte hebben aan nieuwe prikkels.
3. Afhankelijk zijn van beloningen zoals waardering door andere.
De combinatie van aangeboren temperament en de vroege omgeving bepaalt of iemand een
gezonde persoonlijkheid ontwikkelt.
3.2.2: persoonlijkheidstrekken:
In psychologie zijn verschillende modellen ontwikkeld om persoonlijkheid te beschrijven in
termen van persoonlijkheidstrekken.
Deze benadering leidde tot het tegenwoordig meest gangbare model voor
persoonlijkheidstrekken, dat van het Vijffactorenmodel.
Volgens dit model is de persoonlijkheid te herleiden tot 5 basistrekken:
1. Openheid
Verwijst naar in hoeverre iemand openstaat voor nieuwe ideeën en ervaringen
tegenover juist gesloten, rigide en dogmatische denken.
2. Consciëntieusheid
Betekent dat iemand gewetensvol, doelgericht en vasthoudend is, tegenover
impulsief en wispelturig.
3. Extraversie
Mate waarin iemand naar buiten en op andere mensen is gericht, tegen over
introversie.
4. Altruïsme
heeft betrekking op het gericht zijn op de belangen van anderen, tegenover juist op
eigenbelang gericht te zijn.
5. Neuroticisme
Betreft de mate van emotionele kwetsbaarheid van iemand, oftewel de neiging om
emotioneel te ontregelen met als tegenovergestelde emotionele stabiliteit.
Die 5 factoren zijn onderverdeeld in 25 facetten.
Dit model is ontwikkeld om de normale persoonlijkheid te beschrijven, maar extreme op 1 of
meer van deze 5 factoren kunnen wel tot problematisch gedrag leiden.