HST 3: Basiselementen van de opvoeding
1. Belang van opvoeding
- Pedagogiek/opvoedkunde = de wetenschap van de
begeleiding/opvoeding van kinderen.
- Opvoeding = een proces waarbij kinderen worden
ondersteund in hun ontwikkeling tot ze zelfstandig worden.
- Orthopedagogiek = is de wetenschap die kijkt hoe je kinderen helpt
die moeilijkheden hebben in hun opvoeding of ontwikkeling, zoals bij
gedragsproblemen of een beperking.(is een leraar die een kind met ADHD
helpt om beter te concentreren in de klas.)
Pedagogisch optimisme = Het idee dat ouders belangrijk zijn.En geloven dat
opvoeders kinderen kunnen helpen zich goed te ontwikkelen en succesvol te
worden.
1.2 Doelen van opvoeding
Volgens de pedagoog Hans Jan Kuipers zijn er =
drie belangrijke opvoeddoelen:
Zelfstandigheid: Zelf keuzes maken.
Zelfredzaamheid: Voor jezelf zorgen.
Zelfvertrouwen: Geloven in je eigen kunnen.
Westerse, individualistische culturen: vinden doelen als
Autonomie ,Verantwoordelijkheid ,Zelfstandigheid belangerijk. Ze willen dat kinderen later voor
zichzelf kunnen zorgen, eigen keuzes maken en kritisch kunnen denken over de wereld.
Zij vinden Gehoorzaamheid, ijver, conformisme minder belangrijk, Omdat in westerse culturen zelf
keuzes maken en zelf nadenken belangerijker.
-> Goede opvoeding binnen westerse cultuur hangt af aan mensbeeld.
=In collectivistische culturen is het belangrijk dat kinderen samenwerken, respect hebben voor de
groep en gehoorzaam zijn.
Onderscheid 3 mensbeelden:
Mensbeeld 1: Kinderen hebben begeleiding nodig om zelfcontrole en een goede gedrag te
ontwikkelen. Opvoeders zijn als brandweerlui die problemen oplossen.
(vergelijking=brandweerlui,brand blussen)
Mensbeeld 2: Kinderen zijn als een onbeschreven blad. Opvoeders geven een goed voorbeeld en
leren kinderen de juiste dingen, volgens pedagogisch optimisme.(vergelijking=leerkracht,onderwijs
geven)
Mensbeeld 3: Kinderen zijn van nature goed en opvoeders moeten zorgen voor de juiste omgeving
zodat kinderen zich kunnen ontwikkelen,(vergelijking=tuiniers die voor planten zorgen.)
1.1 Transactioneel proces
1) Opvoeder handelt vanuit eigen overtuigingen (actie).Een ouder zegt
tegen een kind: "Je moet je kamer opruimen."
, 2) Het gedrag van de opvoeder lokt een reactie uit bij het kind (reactie).·
Het kind reageert boos en zegt: "Waarom moet ik altijd alles doen?"
3) De reactie van het kind beïnvloedt het toekomstig gedrag van de
opvoeder. De ouder merkt dat het kind boos reageert en zegt voortaan
op een kalmere manier: "Kun je alsjeblieft je kamer opruimen, zodat we
daarna samen kunnen spelen?"
Bij het transactioneel proces zijn er 3 actoren betrokken:
- Het kind: eigen persoonlijkheidskenmerken, interesses, beperkingen …
- De opvoeder: eigen persoonlijkheidskenmerken, ervaringen,
referentiekaders …
- De omgeving: sociale context en culturele invloeden.zoals vrienden, school of
cultuur
2. Opvoedingsmilieus
2.1 Primair opvoedingsmilieu
Het gezin is het primaire opvoedingsmilieu.Het gezin zorgt niet
alleen voor veiligheid, maar helpt ook bij het leren van belangrijke
normen en waarden. en staat het in voor primaire socialisatie.
2.1.1 rollen in het gezin
Vrouwen werken nu vaker, waardoor vaders een grotere rol krijgen in de opvoeding. Of vaders die
rol echt opnemen, hangt af van de cultuur.
Dirk De Wachter =Volgens de Belgische psychiater verandert de vaderrol vaak na een scheiding. Hij
merkt op dat vaders tijdens co-ouderschap meer zorgzaam en betrokken worden bij hun kinderen.
Gezinsvormen= Er zijn verschillende soorten gezinnen, zoals pleeggezinnen, adoptiegezinnen, en
samengestelde gezinnen. Het aantal gewone gezinnen met twee ouders is minder geworden.
2.1.2 Gezinscohesie
Types onderlinge verhouding en cohesie gezinsleden: (gezintype)
-loszandgezin: weinig cohesie, betrokkenheid en ondersteuning ontbreekt van ouders. Gezinsleden
doen elk hun ding(bv:communiceren via post it of appjes) Kind kent geen controle en grenzen kind
op jonge leeftijd op zichzelf aangewezen.
kluwengezin: Te veel band, weinig vrijheid voor kinderen. weinig autonomie en individualisme Als
de banden in het gezin heel sterk zijn, kunnen ouders (of grote broers/zussen) de vrijheid van de
kinderen beperken. Dit maakt het moeilijker voor de kinderen om zichzelf te ontwikkelen.
- halfopen/ halfgesloten gezin: gezin staat open voor relaties met niet-gezinsleden. Goede balans,
hechte (close)band én vrijheid. goede cohesie: banden zijn hecht(close) emotionele betrokkenheid
en open communicatie .Grenzen worden duidelijk aangegeven
2.1.3 Differentieel opvoeden
1. Belang van opvoeding
- Pedagogiek/opvoedkunde = de wetenschap van de
begeleiding/opvoeding van kinderen.
- Opvoeding = een proces waarbij kinderen worden
ondersteund in hun ontwikkeling tot ze zelfstandig worden.
- Orthopedagogiek = is de wetenschap die kijkt hoe je kinderen helpt
die moeilijkheden hebben in hun opvoeding of ontwikkeling, zoals bij
gedragsproblemen of een beperking.(is een leraar die een kind met ADHD
helpt om beter te concentreren in de klas.)
Pedagogisch optimisme = Het idee dat ouders belangrijk zijn.En geloven dat
opvoeders kinderen kunnen helpen zich goed te ontwikkelen en succesvol te
worden.
1.2 Doelen van opvoeding
Volgens de pedagoog Hans Jan Kuipers zijn er =
drie belangrijke opvoeddoelen:
Zelfstandigheid: Zelf keuzes maken.
Zelfredzaamheid: Voor jezelf zorgen.
Zelfvertrouwen: Geloven in je eigen kunnen.
Westerse, individualistische culturen: vinden doelen als
Autonomie ,Verantwoordelijkheid ,Zelfstandigheid belangerijk. Ze willen dat kinderen later voor
zichzelf kunnen zorgen, eigen keuzes maken en kritisch kunnen denken over de wereld.
Zij vinden Gehoorzaamheid, ijver, conformisme minder belangrijk, Omdat in westerse culturen zelf
keuzes maken en zelf nadenken belangerijker.
-> Goede opvoeding binnen westerse cultuur hangt af aan mensbeeld.
=In collectivistische culturen is het belangrijk dat kinderen samenwerken, respect hebben voor de
groep en gehoorzaam zijn.
Onderscheid 3 mensbeelden:
Mensbeeld 1: Kinderen hebben begeleiding nodig om zelfcontrole en een goede gedrag te
ontwikkelen. Opvoeders zijn als brandweerlui die problemen oplossen.
(vergelijking=brandweerlui,brand blussen)
Mensbeeld 2: Kinderen zijn als een onbeschreven blad. Opvoeders geven een goed voorbeeld en
leren kinderen de juiste dingen, volgens pedagogisch optimisme.(vergelijking=leerkracht,onderwijs
geven)
Mensbeeld 3: Kinderen zijn van nature goed en opvoeders moeten zorgen voor de juiste omgeving
zodat kinderen zich kunnen ontwikkelen,(vergelijking=tuiniers die voor planten zorgen.)
1.1 Transactioneel proces
1) Opvoeder handelt vanuit eigen overtuigingen (actie).Een ouder zegt
tegen een kind: "Je moet je kamer opruimen."
, 2) Het gedrag van de opvoeder lokt een reactie uit bij het kind (reactie).·
Het kind reageert boos en zegt: "Waarom moet ik altijd alles doen?"
3) De reactie van het kind beïnvloedt het toekomstig gedrag van de
opvoeder. De ouder merkt dat het kind boos reageert en zegt voortaan
op een kalmere manier: "Kun je alsjeblieft je kamer opruimen, zodat we
daarna samen kunnen spelen?"
Bij het transactioneel proces zijn er 3 actoren betrokken:
- Het kind: eigen persoonlijkheidskenmerken, interesses, beperkingen …
- De opvoeder: eigen persoonlijkheidskenmerken, ervaringen,
referentiekaders …
- De omgeving: sociale context en culturele invloeden.zoals vrienden, school of
cultuur
2. Opvoedingsmilieus
2.1 Primair opvoedingsmilieu
Het gezin is het primaire opvoedingsmilieu.Het gezin zorgt niet
alleen voor veiligheid, maar helpt ook bij het leren van belangrijke
normen en waarden. en staat het in voor primaire socialisatie.
2.1.1 rollen in het gezin
Vrouwen werken nu vaker, waardoor vaders een grotere rol krijgen in de opvoeding. Of vaders die
rol echt opnemen, hangt af van de cultuur.
Dirk De Wachter =Volgens de Belgische psychiater verandert de vaderrol vaak na een scheiding. Hij
merkt op dat vaders tijdens co-ouderschap meer zorgzaam en betrokken worden bij hun kinderen.
Gezinsvormen= Er zijn verschillende soorten gezinnen, zoals pleeggezinnen, adoptiegezinnen, en
samengestelde gezinnen. Het aantal gewone gezinnen met twee ouders is minder geworden.
2.1.2 Gezinscohesie
Types onderlinge verhouding en cohesie gezinsleden: (gezintype)
-loszandgezin: weinig cohesie, betrokkenheid en ondersteuning ontbreekt van ouders. Gezinsleden
doen elk hun ding(bv:communiceren via post it of appjes) Kind kent geen controle en grenzen kind
op jonge leeftijd op zichzelf aangewezen.
kluwengezin: Te veel band, weinig vrijheid voor kinderen. weinig autonomie en individualisme Als
de banden in het gezin heel sterk zijn, kunnen ouders (of grote broers/zussen) de vrijheid van de
kinderen beperken. Dit maakt het moeilijker voor de kinderen om zichzelf te ontwikkelen.
- halfopen/ halfgesloten gezin: gezin staat open voor relaties met niet-gezinsleden. Goede balans,
hechte (close)band én vrijheid. goede cohesie: banden zijn hecht(close) emotionele betrokkenheid
en open communicatie .Grenzen worden duidelijk aangegeven
2.1.3 Differentieel opvoeden