H.1; idee en oorsprong van de rechtsstaat
Totalitaire staat (politiestaat): de staat bepaalt wat mensen mogen lezen en zien, waar ze mogen werken en
waarheen ze mogen reizen. De burgers hebben voortdurend de angst dat de ze worden bespioneerd en
afgeluisterd door de geheime dienst.
Rechtsstaat: een staat waarin burgers met grondrechten worden beschermd tegen machtsmisbruik en
willekeur van de overheid. Bij een rechtsstaat horen de volgende dingen: meedoen aan vrije verkiezingen,
bescherming tegen machthebbers. Nederland is een democratische rechtsstaat.
Voordeel: relatief veel sociale vrede en sociale cohesie.
Sociale rechtsstaat: er zijn allerlei wetten en voorzieningen om de welvaart van de burgers te bevorderen.
Vertrouwen en wederkerigheid: ‘voor wat hoort wat’. Ander voorbeeld is dat de gezonde mensen premies
betalen voor de zieken, in het vertrouwen dat ze het zelf ook krijgen als ze zelf ziek worden.
Rechtszekerheid: de staat verwacht dat de burgers zich aan de wetten houden en belooft omgekeerd ook
zichzelf aan de wetten te houden.
In de 17e eeuw oefenden koningen een bijna onbegrensde macht uit over de bevolking, mensen werden zonder
vorm van proces opgepakt en opgesloten, de armste mensen moesten de hoogste belastingen betalen.
Armoede, uitbuiting en scherpe sociale ongelijkheid waren het gevolg.
Door de boekdruk (1450) kon nieuwe kennis worden verspreid. Hierdoor veranderde het wereldbeeld.
De 18e eeuw was de eeuw van het optimistische geloof in de rede, in vooruitgang en in de maakbaarheid van
de samenleving.
Sociaal contract: hierin zouden afspraken moeten komen te staan om in natuurlijke vrijheid en gelijkheid te
kunnen leven.
Begin van de rechtsstaat:
- Beginsel van de grondrechten: alle mensen zijn in vrijheid en gelijkheid geboren en moeten zo ook kunnen
samenleven.
- Het soevereiniteits- en democratiebeginsel: de mensen sluiten gezamenlijk een vredesakkoord, het sociaal
contract.
- Het legaliteitsbeginsel: er is een staat die het sociaal contract tussen mensen kan afdwingen, maar die strikt
gebonden is aan de wetten die de partijen zelf hebben opgesteld.
- Het beginsel van de trias politica: de macht van de staat wordt voor de zekerheid verder begrensd door
interne scheiding van de staatsmacht.
, H.2; grondwet en grondrechten
De grondwet:
Begrensd de macht van de staat wat vrijheid voor de burgers garandeert.
Legt de fundamentele rechten van burgers vast.
Geeft aan hoe de belangrijkste organen van de staat zijn georganiseerd.
Drukt de eenheid van de natie uit, alle burgers vormen een eenheid.
Constitutionele monarchie: Een koninkrijk met een grondwet.
Censuskiesrecht: Alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betalen mochten stemmen.
Nachtwakersstaat: Staat die zich vooral inzet voor de bewaking van de veiligheid van de burgers.
Door sociale onrust werd de grondwet aangepast:
1917: Algemene mannen kiesrecht
1919: Vrouwenkiesrecht
Grondwet bestaat uit:
Klassieke grondrechten:
- recht op gelijke behandeling
- recht op persoonlijke en politieke vrijheid
Sociale grondrechten:
- werkgelegenheid
- bescherming v.d. positie van werknemers
- sociale zekerheid
- volksgezondheid
- sociale woningbouw
- onderwijs
De klassieke rechtsstaat werd een verzorgingsstaat.
Wederkerige erkenning: wanneer je iets voor jezelf opeist moet andere mensen dat ook mogen opeisen.
Behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Uitoefening van vrijheidsrechten van de ene burger mag
niet leiden tot schade of vrijheidsbeperking voor andere burgers.
Geen absolute gelding: het beperken van een grondrecht. Hierover mogen alleen regering en parlement
beslissen.
Verticale werking: grondrecht kan door burgers worden uitgeoefend tegen de staat.
Horizontale werking: Burgers beroepen zich tegenover elkaar op een grondrecht.