CULTUURWETENSCHAPPEN
hoofdstuk 5: inspraak van de burger
1. Politieke socialisatie
1.1 Socialisatie en socialisatieagenten
- men bouwt kennis, inzichten en opvattingen op over politieke gebeuren in
maatschappij
- politieke socialisatie = mechanisme waardoor burgers (onbewust) politieke
kennis opdoen en politieke waarden verwerven
- socialisatieagenten = actoren die voor informatieoverdracht zorgen, bv:
gezin, school, …
ook belangengroepen, politieke partijen, overheid
welke actoren het meeste invloed hebben hangt af van de leeftijd
1.2 Tertiaire politieke socialisatie
- meeste politieke informatie bereikt ons via massamedia, vooral sociale
media
sociale media geeft minder aandacht aan nieuws, want is niet hun
eerste doel
geen positief effect op het verwerven van kennis van de actualiteit
wel positief als het complementair gebruikt wordt bovenop traditionele
media
enkel sociale media, leidt tot meer fake news
1.3 Politiek gebruik van de media
- toename van reclame voor politieke partijen via sociale media
vrijetijdsbesteding of online advertenties
Vlaams Belang als eerste in 2019, radicalen spenderen meeste geld
hiervoor
- samen gaven alle partijen in totaal 5 miljoen euro uit aan advertenties
dit kan door partijdotaties: elke partij met minstens 1 verkozen
Kamerlid krijgt dit
forfaitair bedrag + bedrag obv het aantal stemmen van de partij
- tegenwoordig ook politici in amusementsprogramma’s voor hun imago te
verbeteren
heeft een electoraal voordeel, want zorgt voor gezicht- en
naambekendheid
2. Politieke participatie
2.1 Voorwaarden
- politieke participatie = elke activiteit gericht op beïnvloeden van politieke
besluitvorming of alle vrijwillige activiteiten met als doel de overheid
beïnvloeden
direct: wegen op uitvoering openbaar beleid
indirect: selectie van beleidsmakers beïnvloeden
- Devos en Valcke stellen dat er voorwaarden voldaan moeten worden:
, waarneembaar zijn, vrijwillig gebeuren, politieke inslag hebben, actie
inhouden
2.2 Participatiepiramide
- Lester Milbrath:
rangschikte politieke participatie op een eendimensionale hiërarchie
volgens intensiteit van de activiteit
hoe intenser de participatie, hoe hoger in de piramide en hoe kleiner de
groep is
deelde de bevolking zo in 3 categorieën in
- bovenste categorie: gladiators (5%)
mensen die sterk betrokken zijn + actief deelnemen aan politiek
proces
bv: politieke of partij functie, kandidaat zijn, verkiezingscampagnes,
geld schenken,…
- tweede categorie: spectators (60%)
mensen die in beperkte mate actief zijn
bv: iemand anders overtuigen, politiek gesprek beginnen, gaan
stemmen, volgen,…
- onderste categorie: apathetics (30%)
mensen die zich onthouden van politieke participatie
- uit recent onderzoek blijkt dat het eerder een multidimensionaal proces is
wie een hoge intensiteit op 1 vorm van participatie heeft, kan ook laag
hebben op een andere, bv: politiek geïnformeerd, maar geen effectieve
deelname
wetenschappelijk onderzoek = dynamisch gegeven, waarbij nieuwe
inzichten leiden tot aanpassingen van theorieën
2.3 Beïnvloede factoren
- mate waarin iemand geparticipeerd is kan beïnvloed worden door
verschillende factoren
urbanisatiegraad: stad of platteland
gezinssituatie: kinderen hebben
scholingsgraad: hoger opgeleiden participeren meer
leeftijd: van 20-45 jaar sterke stijging in participatie, na 45 jaar
geleidelijke afname
gender: vrouwen participeren minder dan mannen, ligt aan oud
rollenpatroon
2.4 Indelingen
2.4.1 Conventioneel vs onconventioneel
- conventionele participatie:
overheid bepaalt regels over wie, wanneer en hoe geparticipeerd mag
worden
- onconventionele participatie:
burgers bepalen zelf hoe ze participeren, zijn het vaak niet eens met beleid
ontstaat vaak spontaan
zowel illegaal als legaal
hoofdstuk 5: inspraak van de burger
1. Politieke socialisatie
1.1 Socialisatie en socialisatieagenten
- men bouwt kennis, inzichten en opvattingen op over politieke gebeuren in
maatschappij
- politieke socialisatie = mechanisme waardoor burgers (onbewust) politieke
kennis opdoen en politieke waarden verwerven
- socialisatieagenten = actoren die voor informatieoverdracht zorgen, bv:
gezin, school, …
ook belangengroepen, politieke partijen, overheid
welke actoren het meeste invloed hebben hangt af van de leeftijd
1.2 Tertiaire politieke socialisatie
- meeste politieke informatie bereikt ons via massamedia, vooral sociale
media
sociale media geeft minder aandacht aan nieuws, want is niet hun
eerste doel
geen positief effect op het verwerven van kennis van de actualiteit
wel positief als het complementair gebruikt wordt bovenop traditionele
media
enkel sociale media, leidt tot meer fake news
1.3 Politiek gebruik van de media
- toename van reclame voor politieke partijen via sociale media
vrijetijdsbesteding of online advertenties
Vlaams Belang als eerste in 2019, radicalen spenderen meeste geld
hiervoor
- samen gaven alle partijen in totaal 5 miljoen euro uit aan advertenties
dit kan door partijdotaties: elke partij met minstens 1 verkozen
Kamerlid krijgt dit
forfaitair bedrag + bedrag obv het aantal stemmen van de partij
- tegenwoordig ook politici in amusementsprogramma’s voor hun imago te
verbeteren
heeft een electoraal voordeel, want zorgt voor gezicht- en
naambekendheid
2. Politieke participatie
2.1 Voorwaarden
- politieke participatie = elke activiteit gericht op beïnvloeden van politieke
besluitvorming of alle vrijwillige activiteiten met als doel de overheid
beïnvloeden
direct: wegen op uitvoering openbaar beleid
indirect: selectie van beleidsmakers beïnvloeden
- Devos en Valcke stellen dat er voorwaarden voldaan moeten worden:
, waarneembaar zijn, vrijwillig gebeuren, politieke inslag hebben, actie
inhouden
2.2 Participatiepiramide
- Lester Milbrath:
rangschikte politieke participatie op een eendimensionale hiërarchie
volgens intensiteit van de activiteit
hoe intenser de participatie, hoe hoger in de piramide en hoe kleiner de
groep is
deelde de bevolking zo in 3 categorieën in
- bovenste categorie: gladiators (5%)
mensen die sterk betrokken zijn + actief deelnemen aan politiek
proces
bv: politieke of partij functie, kandidaat zijn, verkiezingscampagnes,
geld schenken,…
- tweede categorie: spectators (60%)
mensen die in beperkte mate actief zijn
bv: iemand anders overtuigen, politiek gesprek beginnen, gaan
stemmen, volgen,…
- onderste categorie: apathetics (30%)
mensen die zich onthouden van politieke participatie
- uit recent onderzoek blijkt dat het eerder een multidimensionaal proces is
wie een hoge intensiteit op 1 vorm van participatie heeft, kan ook laag
hebben op een andere, bv: politiek geïnformeerd, maar geen effectieve
deelname
wetenschappelijk onderzoek = dynamisch gegeven, waarbij nieuwe
inzichten leiden tot aanpassingen van theorieën
2.3 Beïnvloede factoren
- mate waarin iemand geparticipeerd is kan beïnvloed worden door
verschillende factoren
urbanisatiegraad: stad of platteland
gezinssituatie: kinderen hebben
scholingsgraad: hoger opgeleiden participeren meer
leeftijd: van 20-45 jaar sterke stijging in participatie, na 45 jaar
geleidelijke afname
gender: vrouwen participeren minder dan mannen, ligt aan oud
rollenpatroon
2.4 Indelingen
2.4.1 Conventioneel vs onconventioneel
- conventionele participatie:
overheid bepaalt regels over wie, wanneer en hoe geparticipeerd mag
worden
- onconventionele participatie:
burgers bepalen zelf hoe ze participeren, zijn het vaak niet eens met beleid
ontstaat vaak spontaan
zowel illegaal als legaal