Blok 1.3 – Onderste Extremiteit
,INHOUDSOPGAVE
Medisch Biologisch ................................................................................................................................ 2
College 1 “Heup en heupprotheses” .................................................................................................... 2
College 2 “De Ziekte van Bechterew” .................................................................................................. 6
College 3 “De knie: anatomie en beweging” ........................................................................................ 9
College 4 “De knie: anatomie en beweging” ...................................................................................... 12
College 5 “De enkel: anatomie en beweging” .................................................................................... 14
College 6 “Spierscheur en zweepslag” .............................................................................................. 17
College 7 “Artrosis deformans”........................................................................................................... 20
Fysiotherapeutische Zorg ................................................................................................................... 22
College 1 “Onderzoeken” ................................................................................................................... 22
College 2 “Gangbeeldanalyse” ........................................................................................................... 24
College 3 “Behandelen” ...................................................................................................................... 26
College 4 “Pijn beïnvloeden” .............................................................................................................. 30
College 5 “Pijn behandelen met warmte en koude thermotherapie” ................................................. 31
College 6 “Arbeid en gezondheid” ...................................................................................................... 33
Gedrag en Communicatie .................................................................................................................... 34
College 1 “Psychologische theorieën”................................................................................................ 34
College 2 “Pijn en anamnese” ............................................................................................................ 38
College 3 “Interculturele communicatie”............................................................................................. 42
College 4 “Stress” ............................................................................................................................... 45
1
,MEDISCH BIOLOGISCH
COLLEGE 1 “HEUP EN HEUPPROTHESES”
Anatomie van de heup
De heup (art. acetabulo femurale) is een kogelgewricht en heeft daardoor veel
bewegingsmogelijkheden. De heup kan flexie, extensie, abductie, adductie, endorotatie en
exorotatie maken.
De heup bestaat uit het bekken (pelvis) en het dijbeen (femur). De kop van het femur rust in
het acetabulum van het pelvis. Het acetabulum is een diepe kom en zorgt daarmee (samen
met het labrum) voor veel stabiliteit van het heupgewricht.
Veel stabiliteit betekent weinig mobiliteit (art. coxae).
Veel mobiliteit betekent weinig stabiliteit (art. glenohumerale).
Iets uitgebreider uitgelegd bestaat het bekken uit het femur en het pelvis. Het heupgewricht
wordt gevormd door de heupkom (acetabulum) en de femurkop (caput femoris). De heupkom
is onderdeel van het bekken en de heupkop maakt deel uit van het femur. De heupkop is via
de nek (collum) verbonden met de schacht van het dijbeen. Er is sprake van een
kogelgewricht, waardoor het bovenbeen ten opzichte van het bekken kan bewegen.
Anatomie van de heup
Botstukken Ilium
Pubis
Ischium
Ligamenten van de heup Iliofemorale ligament
Pubocapsulair ligament
Pubofemurale ligament
Cotyloid ligament
Spieren die zorgen voor (ante)flexie M. Iliacus
M. Psoas major
De heup is het grootste synoviale gewricht van het lichaam. De trochanter major en minor
zijn belangrijke aanhechtingspunten voor ligamenten en spieren.
De gluteus maximus zorgt voor retroflexie, exorotatie en een klein beetje abductie. De
gluteus medius en minimus zijn de belangrijkste heup stabilisatoren en abductoren. Zonder
abductoren of verzwakte abductoren gaan je bekken zwikken.
Heupprotheses
Prothese: een artificieel substituut voor een ontbrekend lichaamsdeel.
Artrose (coxartrose) of reumatoïde artritis is de
voornaamste reden dat mensen heupprothesen
krijgen. Andere mogelijke oorzaken zijn:
Avasculaire necrose;
Heupfracturen;
Bottumoren;
Ziekte van Bechterew;
Heupdysplasie.
2
, Fracturen
Collumfractuur: dit is een breuk in het bovenste deel van het dijbeen.
De bloedvoorziening is vaak nog intact, maar kan in gevaar komen.
Hierdoor kan de heupkop (deels) afsterven. Dit is vaak op te lossen
door pinnen/schroeven aan te brengen.
Petrochanterfractuur: deze breuk bestaat meestal uit meerdere
delen. Dit maakt de breuk extra onstabiel. Afhankelijk van de ernst van
de breuk kan de kop verloren gaan.
Subtrochanterfractuur: dit is een breuk direct onder de verdikking.
Afhankelijk van de ernst van de breuk kan de kop verloren gaan.
De breuk zijn onder te verdelen in intracapsulaire en extracapsulaire breuken.
Een collumfractuur is een intracapsulaire breuk. De petrochanter- en
subtrochanterfractuur vallen onder extracapsulaire breuken.
Avasculaire necrose
Avasculaire necrose ontstaat als gevolg van tijdelijk of permanent verlies van bloedtoevoer
naar het bot. Zonder bloedtoevoer sterven de botweefselcellen af en “stort” het bot in. Bij
avasculaire necrose van de heup is de bloeddoorstroming van de heupkop verstoord. Het
bot wordt zacht en de heupkop kan in elkaar zakken. Daardoor kan de bolle vorm van de
heupkop verdwijnen en afplatten.
Heupdysplasie
Bij heupdysplasie is het heupgewricht niet goed ontwikkelt. Dit merkt men vaak vlak na de
geboorte al. De heupkom is niet diep genoeg en omsluit de heupkop niet goed. Hierdoor
kunnen subluxaties of heupontwrichtingen ontstaan.
Typen protheses
Bij een heupprothese wordt er een kunstheup geplaats, als vervanger voor de originele
heup. De kop kan metaal (kobalt-chroom of titanium), plastic of keramiek zijn.
Totale heupprothese: bij een totale heupvervanging worden beide
gewrichtsuiteinden van de heup helemaal verwijderd en vervangen. Je krijgt bij deze
ingreep een nieuwe heupkop en heupkom die precies in elkaar passen.
Gedeeltelijke heupprothese (resurfacing): bij deze prothese wordt de kop niet
verwijderd van het dijbeen, maar wordt er een metalen dop bovenop gezet en
vastgemaakt aan de kop.
Er kunnen complicaties optreden na het plaatsen van een heupprothese. Iatrogene schade is
schade die wordt veroorzaakt door medisch handelen. Complicaties kunnen zijn:
Bloeding (tijdens de operatie);
Infecties (1% direct na operatie);
Trombose;
Delirium en verwardheid (bij ouderen);
Niet goed geplaatste prothese (beenlengte);
Het raken van een zenuw (uitvalsverschijnselen);
Luxaties (3% gaat uit de kom).
Binnen een aantal dagen na de operatie begin je al met het mobiliseren van de patiënt. De
patiënt mag met krukken belasten. Het duurt ongeveer drie maanden voordat er globaal
functieherstel heeft opgetreden en het kapsel sterk genoeg is. Er is hierna weinig kans meer
op luxaties.
3