Kievid
Hoofdstuk 3 Theorie en praktijk sinds 1945
3.2 Elitisme, pluralisme, machtselite
Joseph Schumpeter vond het niet realistisch dat vertegenwoordigers van het volk
de wil van het volk moesten uitvoeren. Hij zag democratie als een methode om
via verkiezingen leiders te selecteren. Dus democratie = het regeren van de
politicus = democratisch elitisme.
Voorwaarden:
- Politieke elite van hoge kwaliteit
- Gewone burgers houden zich buiten de verkiezingen stil
- Er is een tolerantie tegenover andere opvattingen
Schumpeter sloot zich dus aan bij Madison en week af van Rousseau, Mill en De
Tocqueville
Kritiek:
- Georganiseerde belangengroepen werden onderschat (met name tussen
de verkiezingen)
- Schumpeter leek geen sociale ongelijkheid te kennen
Pluralist Robert Dahl:
- Verschillende machtsblokken houden elkaar in evenwicht (hier kwam hij
later op terug > neo-pluralisme – er was dus geen evenwicht)
- Vreest geen tirannie van meerderheid
3.3 Jaren ’60s en ’70s: een storm van kritiek
1960 Liberaal-democratische verzorgingsstaat gevestigd
Ideologieën en utopieën kwamen terug
Post-materialisme = materiële basisbehoeften gegarandeerd, tijd en ruimte voor
zelfontplooiing, vrijheid, democratisering + milieu en dierenrechten
Participatiedemocratie = mensen moeten op allerlei plaatsen in hun leven
kunnen meebeslissen/zich ontwikkelen
Carole Pateman: door gebrek aan zeggenschap op werk ontwikkelt men
irrationele/ondemocratische denkbeelden
3.4 ‘80s en ‘90s: triomf van liberale democratie?
Werkloosheid = crisis van de verzorgingsstaat
Groot-Britannië en Verenigde Staten perkten overheidstaken in, andere landen
volgden
Overbelaste overheid heeft overbelaste democratie tot gevolg (dus minimale
staat is de oplossing)
1974/1975 Derde democratiseringsgolf
Fukuyama: einde van de geschiedenis? > market democracies
Andere ideologieën hadden gefaald