FORMULARIUM INLEIDING TOT DE BEDRIJFSKUNDE
TC = Total Cost
AC = Average Cost
MC = Marginal Cost
Q = hoeveelheid producten
ΔQ = Stijging in hoeveelheid producten
AC = TC(Q)/Q
MC = [TC(Q + ΔQ) – TC(Q)]/ ΔQ
Berekening economies of scope: Totale kosten van produceren van verscheidenheid van producten in
1 bedrijf vs. Totale kosten van het produceren in 2 of meerdere aparte bedrijven
Toegevoegde waarde:
Bruto toegevoegde waarde volgens oorsprong (in euro) = waarde productie – intermediair verbruik
(kosten voorraden en andere diensten en goederen die je hebt aangekocht)
Bruto toegevoegde waarde per personeelslid (in euro) = bruto toegevoegde waarde/gemiddeld
personeelsbestand
Rendabiliteit:
Kostprijs: kosten verkochten goederen/diensten, personeelskosten en andere exploitatiekosten (bv.
promotiekosten)
Niet-kaskosten: Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen (bv. groot onderhoud
gebouwen)
Brutoverkoopmarge: (bedrijfsopbrengsten – kostprijs)/verkopen * 100
Nettoverkoopmarge: (bedrijfsopbrengsten – kostprijs – niet-kaskosten)/verkopen * 100
Nettorendabiliteit van het eigen vermogen: (nettobedrijfsresultaat / eigen vermogen) * 100
Liquiditeit:
Liquiditeitsratio in ruime zin = current ratio: (vlottende activa/vreemd vermogen op korte termijn)
Liquiditeitsratio in enge zin = acid test = quick ratio: (vlottende activa – voorraden/vreemd vermogen
op korte termijn)
Netto bedrijfskapitaal: (vlottende activa – vreemd vermogen op korte termijn-
In percentage: (nettobedrijfskapitaal/totaal van de activa * 100)
Solvabiliteit:
Algemene schuldgraad in ratio: (vreemd vermogen/totaal vermogen) hoe hoger hoe meer afhankelijk
van vreemd vermogen
Langetermijnschuldgraad: (VV op lange termijn/EV of VV op lange termijn/TV)
Dekkingsratio’s (in welke maten kunnen de schulden terugbetaald worden uit de cashflow)
TC = Total Cost
AC = Average Cost
MC = Marginal Cost
Q = hoeveelheid producten
ΔQ = Stijging in hoeveelheid producten
AC = TC(Q)/Q
MC = [TC(Q + ΔQ) – TC(Q)]/ ΔQ
Berekening economies of scope: Totale kosten van produceren van verscheidenheid van producten in
1 bedrijf vs. Totale kosten van het produceren in 2 of meerdere aparte bedrijven
Toegevoegde waarde:
Bruto toegevoegde waarde volgens oorsprong (in euro) = waarde productie – intermediair verbruik
(kosten voorraden en andere diensten en goederen die je hebt aangekocht)
Bruto toegevoegde waarde per personeelslid (in euro) = bruto toegevoegde waarde/gemiddeld
personeelsbestand
Rendabiliteit:
Kostprijs: kosten verkochten goederen/diensten, personeelskosten en andere exploitatiekosten (bv.
promotiekosten)
Niet-kaskosten: Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen (bv. groot onderhoud
gebouwen)
Brutoverkoopmarge: (bedrijfsopbrengsten – kostprijs)/verkopen * 100
Nettoverkoopmarge: (bedrijfsopbrengsten – kostprijs – niet-kaskosten)/verkopen * 100
Nettorendabiliteit van het eigen vermogen: (nettobedrijfsresultaat / eigen vermogen) * 100
Liquiditeit:
Liquiditeitsratio in ruime zin = current ratio: (vlottende activa/vreemd vermogen op korte termijn)
Liquiditeitsratio in enge zin = acid test = quick ratio: (vlottende activa – voorraden/vreemd vermogen
op korte termijn)
Netto bedrijfskapitaal: (vlottende activa – vreemd vermogen op korte termijn-
In percentage: (nettobedrijfskapitaal/totaal van de activa * 100)
Solvabiliteit:
Algemene schuldgraad in ratio: (vreemd vermogen/totaal vermogen) hoe hoger hoe meer afhankelijk
van vreemd vermogen
Langetermijnschuldgraad: (VV op lange termijn/EV of VV op lange termijn/TV)
Dekkingsratio’s (in welke maten kunnen de schulden terugbetaald worden uit de cashflow)