8e herziene editie
Philip G. Zimbardo, Robert L. Johnson & Vivian McCann
Hoofdstuk 1: Geest, gedrag en psychologische wetenschap
Hoofdstuk 2: Biopsychologie, neurowetenschappen en de menselijke aard
Hoofstuk 3: Sensatie en perceptie
Hoofdstuk 4: Leren en omgeving
Hoofdstuk 5: Geheugen
Hoofdstuk 6: Denken en intelligentie
Hoofdstuk 7 (-7.3, -7.4): Psychologische ontwikkeling
Hoofdstuk 8: Vormen van bewustzijn
Hoofdstuk 9: Motivatie en emotie
Hoofdstuk 10: Persoonlijkheid: theorieën van de gehele persoon
Hoofdstuk 14 (-14.1): Stress, gezondheid en welzijn
,Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1.1: Wat is psychologie en wat is het niet?........................................4
HOOFDSTUK 1.2: Wat zijn de zes belangrijkste perspectieven van de psychologie?
............................................................................................................................... 5
HOOFDSTUK 1.3: Hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?................................6
HOOFDSTUK 2.1: Wat is het verband tussen genen en gedrag?............................7
HOOFDSTUK 2.2: Hoe is de interne communicatie van het lichaam geregeld?......8
HOOFDSTUK 2.3: Hoe produceren de hersenen gedrag en psychische processen?
............................................................................................................................. 10
HOOFDSTUK 3.1: Hoe verandert stimulatie in sensatie?......................................11
HOOFDSTUK 3.2: Waarin lijken de zintuigen op elkaar? Waarin verschillen ze?.. .12
HOOFDSTUK 3.3: Wat is de relatie tussen perceptie en sensatie?........................15
HOOFDSTUK 4.1: Hoe verklaart klassieke conditionering leren?..........................17
HOOFDTUK 4.2: Hoe leren we nieuw gedrag door operante conditionering?.......18
HOOFDSTUK 4.3: Hoe verklaart de cognitieve psychologie leren?.......................20
HOOFDSTUK 5.1: Wat is het geheugen?...............................................................21
HOOFDSTUK 5.2: Hoe vormen we herinneringen?................................................22
HOOFDSTUK 5.3: Hoe halen we herinneringen terug?..........................................25
HOOFDSTUK 5.4: Waarom laat ons geheugen ons soms in de steek?..................26
HOOFDSTUK 6.1: Wat zijn de bouwstenen van denken?.......................................28
HOOFDSTUK 6.2: Over welke vaardigheden beschikken goede denkers?............30
HOOFDSTUK 6.3: Hoe kunnen we intelligentie meten?........................................32
HOOFDSTUK 6.4: Wat zijn de bouwstenen van intelligentie?................................33
HOOFDSTUK 6.5: Hoe verklaren psychologen IQ-verschillen tussen groepen?.....35
HOOFDSTUK 7.1: Wat kan een pasgeboren baby?................................................36
HOOFDSTUK 7.2: Welke vaardigheden moet een kind zich eigen maken?...........39
HOOFDSTUK 8.1: Op welke wijze is het bewustzijn aan andere geestelijke
processen gerelateerd?........................................................................................ 42
HOOFDSTUK 8.2: Hoe ziet de cyclus van het normale bewustzijn eruit?..............44
HOOFDSTUK 8.3: Welke andere vormen kan het bewustzijn aannemen?.............46
HOOFDSTUK 9.1: Wat motiveert ons?...................................................................48
HOOFDSTUK 9.2: Hoe worden onze motivatieprioriteiten gesteld?......................49
HOOFDSTUK 9.3: Waar staan honger en seksuele motivatie in de
motivatiehiërarchie?............................................................................................. 51
HOOFDSTUK 9.4: Hoe motiveren onze emoties ons?............................................53
HOOFDSTUK 9.5: Waar komen onze emoties vandaan?.......................................54
,HOOFDSTUK 10.1: Door welke krachten wordt de persoonlijkheid gevormd?......56
HOOFDSTUK 10.2: Uit welke blijvende patronen of disposities bestaat onze
persoonlijkheid?................................................................................................... 57
HOOFDSTUK 10.3: Op welke manier helpen mentale processen bij het vormen
van onze persoonlijkheid?.................................................................................... 58
HOOFDSTUK 10.4: Welke theorieën gebruiken menen om zichzelf te begrijpen?.62
HOOFDSTUK 14.2: Wat zijn de lichamelijke effecten van stress?.........................63
HOOFDSTUK 14.3: Wie is het meest kwetsbaar voor stress?................................64
HOOFDSTUK 14.4: Hoe kunnen we de invloed van stress op onze gezondheid
verminderen?....................................................................................................... 66
,HOOFDSTUK 1.1: Wat is psychologie en wat is het niet?
Bias: een vooroordeel of verkeerd beeld van een situatie, meestal gebaseerd op persoonlijke
ervaring, mening, normen en waarden etc.
- Emotionele bias: de neiging om oordelen te vellen gebaseerd op gevoelens, in plaats van
op bewijsmateriaal
- Conformation bias: de neiging om informatie die niet bij je opvattingen aansluit te
negeren of te bekritiseren en om in plaats daarvan informatie te zoeken waar je het wel
mee eens bent.
- Expectancy bias: de waarnemer staat toe dat zijn verwachtingen de resultaten van een
onderzoek beïnvloeden.
Pseudopsychologie: niet-onderbouwde psychologische aannamen die als wetenschappelijke
waarheden worden gepresenteerd.
Om erachter te komen of je met pseudopsychologie te maken hebt, maak je gebruik van kritisch
denken:
1. Wat is de bron?
2. Is de bewering redelijk of extreem?
3. Wat is het bewijsmateriaal?
4. Kan de conclusie beïnvloed zijn door bias?
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden?
6. Zijn voor het oplossen verschillende invalshoeken nodig?
, HOOFDSTUK 1.2: Wat zijn de zes belangrijkste perspectieven van de psychologie?
Biologisch perspectief Oorzaken van gedrag zoeken in het functioneren van de hersenen, Descartes
zenuwstelsel, hormoonstelsel en genen.
Neurowetenschap Vakgebied dat onderzoekt hoe de hersenen gedachten, gevoelens
en andere mentale processen creëren.
Evolutionaire psychologie Gedrag en mentale processen beschouwen op basis van genetische Darwin
aanpassingen aan overleving en voortplanting
Cognitieve perspectief Nadruk ligt op mentale processen zoals leren, geheugen etc. Wundt & James
Nadruk ligt op cognitie.
Structuralisme Stroming in de psychologie die de basisstructuren van de geest en Wundt/Titchener
gedachten trachtte te ontrafelen.
Functionalisme Stroming in de psychologie die meende dat psychische processen James
het beste begrepen kunnen worden in hun nut en functie
Behavioristisch perspectief Oorzaken van gedrag zoeken in stimuli vanuit de omgeving in Watson & Skinner
plaats van innerlijke mentale processen
Gehele persoon perspectief Perspectieven die draaien om een globaal inzicht in de
persoonlijkheid.
Psychodynamische Benadering die de nadruk legt op het begrijpen van menselijk Freud
psychologie functioneren in termen van onbewuste behoeften, verlangens,
herinneringen en conflicten.
Humanistische psychologie Benadering die de nadruk legt op de mogelijkheden en de groei. Rogers & Maslow
Psychologie van Verschillen tussen mensen ontstaan uit verschillen in Oude Grieken
karaktertrekken en karaktertrekken en temperament.
temperament
Ontwikkelingsperspectief Perspectief dat zich onderscheidt door de nadruk op erfelijkheid, Piaget et al.
omgeving en voorspelbare veranderingen tijdens de levensloop.
Mensen denken en handelen verschillend op verschillende
momenten in hun leven.
Sociocultureel perspectief Nadruk op het belang van sociale interactie, sociaal leren en Zimbardo et al.
cultureel perspectief. Sociale en culture invloeden kunnen de
invloed overeenstemmen van alle andere factoren die gedrag
beïnvloeden.
, HOOFDSTUK 1.3: Hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?
Wetenschappelijke methode:
1. Hypothese
2. Objectieve data verzamelen
3. Resultaten analyseren
4. Publiceren & repliceren
Soorten psychologisch onderzoek:
1. Experimenten: type onderzoek waarbij je oorzaak-gevolg kan testen. De onderzoeker
maakt groepen, manipuleert de onafhankelijke variabele en test de afhankelijke
variabele.
2. Correlatie onderzoek: hierbij wordt de relatie tussen variabelen bestudeerd.
a. Geen correlatie: correlatiecoëfficiënt die aangeeft dat de variabelen geen relatie
hebben met elkaar
b. Positieve correlatie: correlatiecoëfficiënt die aangeeft dat de variabelen
tegelijkertijd in dezelfde richting variëren, als de ene variabele groter wordt,
wordt de andere variabele ook groter
c. Negatieve correlatie: correlatiecoëfficiënt die aangeeft dat de variabelen
tegelijkertijd in verschillende richtingen variëren, als de ene variabele groter
wordt, wordt de andere variabele kleiner.
3. Survey: onderzoek doen door middel van een vragenlijst.
4. Natuurlijke observatie: de onderzoeker kijkt naar het gedrag van mensen/dieren in
hun eigen omgeving.
5. Gevalstudie: onderzoek naar een enkel persoon/dier
Onafhankelijke variabele: de factor die de onderzoeker manipuleert of verandert om het effect
te bestuderen.
Afhankelijke variabele: hetgeen wat je meet of observeert in het experiment; het is de uitkomt
of het effect.